| 0003.15 |
|
|
|
0003.a |
|
Col: 0003.16
Date: Thu, 09 Mar 2000 22:35:32 +0100
Column Willem Kuiper, no. 49:
Het klinkt als een naam uit een sprookje van Grimm - lag daar niet het
kasteel van de reus van Klein Duimpje? - maar nee, Rupelmonde bestaat echt.
|
| 1205 | Al de prijs die *Julius wan | Julius Caesar | ||||
| Ende *Augustus die edele man | 'keizer' Augustus | |||||
| Ende alle die keisere van Rome, | ||||||
| Dat es ghelijc enen drome | ||||||
| Daer men nomet desen here. | ||||||
| 1210 | Bedi hebben sijs cranke ere, | |||||
| Die bouke makeden van *Arture | koning Artur | |||||
| Van *Partonopeuse, van *Sornagure, | Parthonopeus van Bloys (2x) | |||||
| Si en hadden des mans daet ghescreven | ||||||
| Ende groten prijs ghegheven. | ||||||
| 1215 | Hadde hi ghelevet, dats mijn waen, | |||||
| Also langhe, alse dede *Octaviaen, | keizer Octavianus | |||||
| Hi hadde den duvel uter hellen, | ||||||
| Lucifere ende sine ghesellen | ||||||
| Entien fellen *Modicac | opperduivel | |||||
| 1220 | Ghedaen so groten onghemac, | |||||
| Dat si souden hebben gheneghen | ||||||
| Alexandere, dien jonghen deghen. | ||||||
| Ware sulc een coninc te Parijs, | ||||||
| Hi soude bejaghen groten prijs; | ||||||
| 1225 | Al heidenesse soude hi dwinghen, | |||||
| Men soude van siere doghet singhen | ||||||
| Al van daer die sonne up staet, | ||||||
| Tote daer soe weder neder gaet. | ||||||
| Ware ooc die hertoghe van Brabant | ||||||
| 1230 | Sulc een riddere becant | |||||
| Dien roveren te *Rippelmonde | Rupelmonde | |||||
| Soude dunken grote sonde, | ||||||
| Tol te nemene met ghewelt | ||||||
| Den ghenen die varen up die *Scelt. | de Schelde | |||||
| 1235 | Die vijfte bouc geet hier uut. | |||||
| God gheve haer also menich saluut | ||||||
| Alse woort in dien bouke staen, | ||||||
| Die mi dit te Dietsce dede anvaen. |
Met 'die coninc' te Parijs in regel 1223 wordt Louis IX (1215-1270;
koning van 1236-1270) bedoeld, later toegenaamd 'de Heilige'. En niet
zo maar. De man leefde als een monnik en heeft er alles aan gedaan het
koninkrijk Jeruzalem op aarde te vestigen; met onverdiend weinig
succes.
Minder duidelijk is de wens dat de
hertog van Brabant 'becant' (r. 1230) zou zijn met een ridder van het
kaliber Alexander. Dan zou het gedaan zijn met de 'roveren te
Rippelmonde', die 'met ghewelt' tol innen van 'den ghenen die varen up
die Scelt'.
Traditioneel gaat men ervan uit dat
hiermee gedoeld wordt op Heinric III (1231-1261; hertog van 1248-1261)
toegenaamd de Zachtmoedige. Toen hij stierf, was zijn oudste zoon en
beoogd opvolger Heinric IV, toegenaamd de Krankzinnige (1251-1349;
hertog van 1261-1267) te jong en te gek om de feitelijke macht uit te
oefenen. Zijn moeder, Aleida van Bourgondië trad op als regentes,
bijgestaan door een staatsraad onder voorzitterschap van de Mechelse
heer Wouter Berthout. In 1267 werd de lijder definitief op een zijspoor
gezet door zijn ambitieuze jongere broer Jan I (1252-1294; hertog van
1267-1291). Vandaar ook de traditionele terminus ante quem 1261. Dat
die door Jacob bedoelde hertog Jan I zou kunnen zijn, wordt door
niemand serieus overwogen.
Zoals ik in 'Een lyoen rampant, van kelen root' [Neder-L 9911.32]
vertelde, wordt Alexanders Geesten traditioneel toegeschreven
aan een Hollandse opdrachtgeefster: Machtilde van Brabant of Aleida van
Holland. Machtilde, dochter van Heinric I van Brabant, stierf in 1267,
haar geboortejaar kennen wij niet. Wel weten wij dat zij zich in 1214
verloofde met de toen 14 jaar oude Florens IV; normaal gesproken zal
zij dan hooguit 11 jaar geweest zijn. Aleida was een volle nicht van
Heinric III. Hij heeft haar na de dood van Roomskoning Willem in het
Westfriese wak, met raad en daad terzijde gestaan, en was medevoogd van
de jonge Florens V.
Toen Willem onverwacht en plotseling
stierf, maakte gravin Margareta van Vlaanderen aanstalten Zeeland ten
westen van de Schelde - waarvan zij leenvrouwe was en de graaf van
Holland leenman - wat strikter aan zich te binden. Heinric is toen
samen met graaf Otto II van Gelre (1215-1271; graaf van 1229-1271) en
bovengenoemde Louis als bemiddelaar opgetreden, waarmee het conflict
gesust werd. Als je de historici mag geloven moest Heinric III toezien
op het nakomen van de gemaakte afspraken. Die afspraken gingen terug op
eerder gemaakte afspraken, een verdrag uit 1167/1168 waarin met de mond
beleden werd dat de Hollanders en Zeeuwen de Vlaamse schippers geen tol
in rekening zullen brengen op voorwaarde dat de Vlamingen ook geen tol
zouden heffen. De praktijk zal anders geweest zijn.
In het verdrag van 1256 werd als
extra bepaling toegevoegd dat als de ene partij zich niet aan de
afspraken hield de andere partij de geleden schade mocht verhalen op de
wederpartij. Nog tijdens Willems leven wordt er een klacht ingediend
bij Margareta, waarin staat dat drie homines (mannen, geen
schippers of kooplui!) uit Reimerswaal en twee uit Haarlem in
Rupelmonde gevangen zitten: nescimus utrum fuit intra treugas vel extra
- maar wij weten niet of dat in strijd of in overeenstemming met de
wapenstilstand is.
Volgens de traditie en Maerlants
Wereld is dit het bewijs dat Jacob het over Heinric III van Brabant
en over deze 'Hennies' had.
In mijn vorig stukje heb ik uiteengezet dat ik de gelijkenis van het
schild van Alexander de Grote met dat van de graven van Holland niet in
verhouding vind staan tot de overeenkomst met het schild van Roelant,
de tragische held uit de legendarische slag te Roncesvalles, Karel de
Grote's neef en beste strijder. Dat betekent dat een Hollands mecenaat
naar mijn mening geen opgelegd pandoer is. Ook ben ik niet overtuigd
(dat is wetenschappelijk jargon voor: ik geloof er geen snars van) door
de eclectische duiding van het acrostichon: Aleida. Vooralsnog houd ik
het op Gheile - wie zij ook is - en zoek ik de oplossing van de
problemen rond Rupelmonde in het Brabantse.
De afgelopen maanden heb ik mij
scheel gezocht naar Gheiles, en heb er ook de nodigen gevonden, maar er
zat er niet een tussen, die zich als mogelijke kandidate opdrong. Wel
viel mij op dat Gheile een typisch Westvlaamse c.q. Brugse naam lijkt.
Niet dat er buiten Brugge en directe omgeving geen Gheiles gevonden
kunnen worden, maar alle Gheiles uit het Corpus Gysseling I -
alle Middelnederlandse oorkonden tot en met AD 1300 - komen wel uit die
regio; maar misschien is de overlevering niet representatief. Bedenken
wij hierbij dat Jacob - los van waar in West-Vlaanderen zijn wieg stond
- zijn schooljaren vrijwel zeker in Brugge heeft doorgebracht, dan is
de combinatie Brugge-Gheile meer voor de hand liggend dan de Aleidea ex
machina-oplossing.
Maar hoe zit het met die vier laatste
letters HIDA, hebben die ook wat te betekenen of zijn ze betekenisloos?
Zo (West-)Vlaams als de naam Gheile lijkt, zo Brabants is de naam Ida
(Latijn) en Ide (volkstaal). Het is een bekende heiligennaam: Ide van
Nijvele, Ide van Leewe, Ide van Leuven, en de meest bekende, Ide de
moeder van Godevaert van Bouilloen. Is het echt (te) ver gezocht in
HIDA de Westvlaamse spelling van de Latijnse vorm Ida hinein te
interpreteren?
Het is me de afgelopen maanden helaas niet gelukt die Rupelmonde
kwestie boven het Schelde-water te krijgen. Ook in onuitgegeven
Brabantsche kronieken kon ik hierover geen woord vinden. Wat ik wel te
weten ben gekomen is dat de waterburcht te Rupelmonde exclusief bezit
was van de grafelijke overheid, vergelijkbaar met de dwangburchten van
Florens V. Geen heerlijkheid, maar een puur militair steunpunt annex
gevangenis. Wie ruzie met Rupelmonde had, had ruzie met de graaf/gravin
van Vlaanderen.
De ruzie waar Jacob het over had,
ging niet over het wederrechtelijk gevangen houden van: tres
homines de Reimarsval apud Rupelmonde, en twee uit Haarlem, maar over
het wederrechtelijk tol heffen. En zoals het er staat, is niet
Aleida de gedupeerde persoon, maar de hertog van Brabant! Kennelijk is
die hertog niet in staat dat rovershol eigenhandig met de grond gelijk
te maken, en kan hij een Alexander goed gebruiken...
Maar wat wist Jacob nou van de
situatie ter plaatse? Voor iemand uit Brugge was Rupelmonde brand
buiten zijn wijk. Brugge had zijn eigen waterweg, het Zwin, en was
volledig op Engeland georiënteerd. Als men van Brugge naar
Antwerpen wilde varen ging dat via een andere weg. Rupelmonde was een
tolbarrière voor alle schippers die over de Schelde voeren, en
dat zullen in eerste instantie de Schelde-steden geweest zijn. En dat
waren Vlaamse steden... Vermoedelijk kan er niets over Rupelmonde
gevonden worden, omdat het niet om een gebeurtenis maar om een toestand
gaat. Want behalve een Vlaamse rivier was de Schelde ook een Brabantse
rivier, en zoiets schreeuwt om moeilijkheden. Volgens de Brabantse
kronieken was de Schelde Brabants tot waar de hand van de tol heffende
reus van Antwerpen - vandaar ook de naam: Hantwerpen - door stamvader
Brabo in het Schelde-water werd geworpen.
Kortom, kan het zijn dat Jacobs
uitval niets anders dan selectieve verontwaardiging is om een
potentiële opdrachtgever te vleien, en deel uitmaakt van de
sollicitatiebrief die Alexanders Geesten is? Ik houd dat heel
wel voor mogelijk. Kijk maar naar hoe hij in zijn Spiegel
Historiael tegen de Friezen te keer gaat - naar ik vermoed om
Florens te behagen - en hij in Scolastica een onnodig
anti-joodse toon aanslaat, terwijl hij in Alexanders Geesten een
heel ander geluid laat horen!
Dat we een Brabantse connectie serieus moeten nemen, wordt mijns
inziens bevestigd door een passage over een typisch Brabants onderwerp
uit die tijd: vaderlandsliefde. Waar Vlaanderen intern sterk verdeeld
was, hield Brabant - dat ook tweetalig was en ook met opstandige
'gemeenten' geconfronteerd werd - zichzelf systematisch in de eigen
kroniekschrijving naast een Trojaans verleden en een familieband met
Karel de Grote, een spiegel van harmonie, vrede en vaderlandsliefde
voor.
In dit verband wordt de volgende
passage tegen het einde van het eerste boek van Alexanders
Geesten extra betekenisvol (ik geef de tekst zoals hij is
overgeleverd in het enig bewaard gebleven Münchense handschrift -
niet volgens de hyperkritische editie van Franck waaruit normaliter
geciteerd wordt):
| O Wi here God, hoe macht sijn, | ||||||
| Dat elken minsche int herte sijn | ||||||
| Soe soete dunct sijns selves lant? | ||||||
| Die Brabantson prijst Brabant, | ||||||
| 1085 | Ende die Fransois Vrankerike, | |||||
| Die Duytsce dat *keyserrike, | het Heilige Roomse Rijk | |||||
| Die Bartone prisen *Bartanien, | Engeland | |||||
| Die Tsampadise *Tsampanien. | Champagne | |||||
| Also mint die vogel dwout | ||||||
| 1090 | Daer hi in hevet groet gewout. | |||||
| Al dademene in een warme *mute, | rustverblijf voor (jacht)vogels | |||||
| Mach hi, hi vleget ute. | ||||||
| Dus prijset elkerlijc sijn lant. | ||||||
| Maer seide, dat hi noit en vant | ||||||
| 1095 | Also groet lant alse *Brurambacht. | Brugs ambacht? | ||||
| Ic waens hem daer bi heeft gedacht, | ||||||
| Om dat hiere in was geboren. | ||||||
| Beidi prijst hijt te voren. |
Waarom staat hier niet dat de Hollanders van Holland houden, de Zeeuwen van Zeeland of de Henegouwers van Henegouwen? Waarom begint deze litanie met Brabant?! En waarom wél Engeland (niet Bretagne!) (Noord-)Frankrijk, Champagne en Duitsland? Dat zijn allemaal buurlanden als je vanuit Vlaanderen denkt. Het blote feit dat het graafschap Holland-Zeeland hier ongenoemd blijft, is het levende bewijs dat Jacob absoluut niet aan het waterland aan de overkant van het Zwin dacht toen hij deze regels schreef.
Zoals gezegd was het hertogdom Brabant net als het graafschap
Vlaanderen tweetalig. Tot en met Heinric III was de voertaal aan het
hof vooral Frans, maar met zijn zoon en opvolger Jan I wordt dat
gaandeweg Diets. Dat die overgang niet zonder gevolgen was, kunnen wij
afleiden uit de biografie van de gentleman-menestreel Adenet (kleine
Adam) le Roi, een tijdgenoot van Jacob. Adenet was in dienst van
Heinric III - Henri voor hem - maar na diens dood zocht en vond hij
emplooi aan het Franstalige hof van Gui de Flandres. Wij kennen hem
vooral als auteur van Berte au Grand Pies, het chanson de geste
over de moeder van Karel de Grote, in het Middelnederlands vertaald als
Beerte metten breeden voeten. Typisch Brabantse stof.
Voor de jonge para-academicus Jacob
met zijn uitgesproken afkeer van de leugenachtige Franse literauur was
er geen plaats aan het hof van Gwijde van Vlaanderen, en dus moest hij
ergens anders onder dak zien te komen. Mij zou het niet verbazen als
Jacob zijn Alexanders Geesten (ook) bedoeld had voor het
Brabants hertogelijk hof.
Deze Brabantse vrijage spoort met een
andere roman van Jacob: de Historie van Troyen - exemplarisch
Brabantse materie - een vertaling van Benoît de Saint-Maures
Roman de Troyes (ca. 1150-60), die hij lardeerde met teksten van
de auctores Statius en Virgilius en werk van de ons verder onbekende
Brabantse dichter Segher Dien Got Gaf. Waarom heeft deze lijvige en
uiterst leesbare roman geen opdrachtgever, maar wel een opsomming van
wat de auteur inmiddels al geschreven had?
Misschien vergis ik mij vreselijk, maar als u het mij vraagt droeg de
jonge Jacob zijn Alexanders Geesten in eerste instantie op aan
een Brugse vrouw, Gheile geheten, die hem gesponsord had, maar was zijn
roman daarnaast een sollicitatie naar een aanstelling aan het Brabantse
hof, waar anders dan in Vlaanderen wél ruimte en belangstelling
voor Nederlandstalige literatuur was. Helaas voor Jacob had men daar in
Brabant andere zaken aan het hoofd: een troonopvolger die én te
jong én een psychiatrisch geval was. Maar volgens de
conservatieve factie in het hertogdom was hij wel de rechtmatige nieuwe
hertog, en het heeft Jan de nodige moeite gekost in 1267 zijn eigen
gezag te vestigen.
Een hertogdom zonder hertog is een
vogeltje voor de kat. Toen Roomskoning Willem stierf was graaf Otto II
van Gelre er als de kippen bij om de jonge Florens 'een helpende hand'
te bieden. Een land geleid door een vrouwenhand was elke rechtgeaarde
aristocraat een gruwel. Iets dergelijks kan of zal zich ook in Brabant
hebben voorgedaan. Heinrics weduwe Aleida van Bourgondië werd
weliswaar bijgestaan door de zeer competente Mechelse heer Wouter
Berthout, maar dan nog. Zou Jacob de onmachtige Heinric IV een
Alexander hebben toegewenst? En dacht hij hierbij ook aan Wouter
Berthout? Mechelen was Nederlandstalig...
Hoe het ook zij, het heeft er alle
schijn van dat Jacob geheadhunt werd en in Zeeland ging werken.
Daarover een volgende keer.
Willem Kuiper

Bij het opzoeken van namen en rugnummers viel mijn oog op een afbeelding uit een vijftiende-eeuws handschrift van de Brabantsche Yeesten (Brussel, KB hs. IV 685) van de slag bij Woeringen (AD 1288), die door hertog Jan overtuigend gewonnen werd. Op de wapentekenen zie ik een rode leeuw rampant op een veld van goud(?), en opeens herinner ik mij dat in de Brabantse kronieken de leeuwenmoed van Jan meer dan eens geroemd wordt...