|
Col: 0003.31
Date: Tue, 14 Mar 2000 10:31:28 +0100
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 0003.31: Linguïstisch Miniatuurtje LXVII: Een
reconstructie
Linguïstisch Miniatuurtje LXVII:
Een reconstructie
Normaal gesproken doe ik geen verzoekjes, maar voor Marc van Oostendorp
maak ik graag een uitzondering. Marc had de uitzending over Luceberts
'kleine revolutie' gemist*, want
we hadden het PDC-signaal niet meegezonden. Bovendien bleek het
videobestand met het verhaal van Martine Ruiter door een storing bij de
Amsterdamse listserver verloren gegaan, en tot overmaat van ramp bleek
er niemand te hebben gekeken omdat het de eerste vrijdag na invoering
van de zomertijd in 2005 was.
Enfin, ook Martine bleek onbereikbaar voor commentaar: zij zit op het
NASA-onderzoeksproject naar domeinbeperkingen binnen de ringen van
Saturnus en raast daartoe de eerste paar jaren ingevroren door de
interplanetaire ruimte. We zijn dus aangewezen op een reconstructie van
haar verhaal. Maar die is niet zo onmogelijk als zij lijkt.
Zoals de programmagids al aankondigde zou Martine het gaan hebben over
de syntaxis van het gedicht 'ik draai een kleine revolutie af' van
Lucebert. Daarmee past haar verhaal in de inmiddels gemeengoed geworden
neo-constructuralistische benadering van de poëzie, waarin
betekeniselementen, laat staan mystieke en culturele connotaties voor
het begrijpen van het gedicht onbelangrijk worden geacht. De dichter
mag een boodschap hebben wat hij wil, ons gaat het om de taalkundige
boodschap.
Om te beginnen citeren we even het gedicht (Martine heeft ongetwijfeld
de door de dichter zelf voorgelezen versie laten horen, die al in het
jaar 2000 op het internet beschikbaar was*:
ik draai een kleine revolutie af
ik draai een kleine mooie revolutie af
ik ben niet langer van land
ik ben weer water
ik draag schuimende koppen op mijn hoofd
ik draag schietende schimmen in mijn hoofd
op mijn rug rust een zeemeermin
op mijn rug rust de wind
de wind en de zeemeermin zingen
de schuimende koppen ruisen
de schietende schimmen vallen
ik draai een kleine mooie ritselende
revolutie af
en ik val en ik ruis en ik zing
Wat kan Martine hier nu als taalkundige over opgemerkt hebben?
Uiteraard zal ze het niet hebben gehad over Luceberts oppervlakkige
gegoochel met de begrippen 'afdraaien' en de letterlijke betekenis van
'revolutie'. De kinderen zijn immers allang naar bed, en we zijn met
taalkundigen onder mekaar.
Nee, Martine heeft ongetwijfeld gewezen op de syntactische structuur
van de versregels. Elke versregel is een volzin met een eenvoudige
structuur. Ga je die volzin ontleden, en vervang je de zinnen door de
syntactische benoeming, dan krijg je:
onderwerp/persoonsvorm/lijdend
voorwerp/werkwoordelijke rest
onderwerp/persoonsvorm/lijdend
voorwerp/werkwoordelijke rest
onderwerp/persoonsvorm/naamwoordelijk deel
onderwerp/persoonsvorm/naamwoordelijk deel
onderwerp/persoonsvorm/lijdend
voorwerp/bijwoordelijke-bepaling
onderwerp/persoonsvorm/lijdend
voorwerp/bijwoordelijke-bepaling
bijwoordelijke
bepaling/persoonsvorm/onderwerp
bijwoordelijke
bepaling/persoonsvorm/onderwerp
onderwerp/persoonsvorm
onderwerp/persoonsvorm
onderwerp/persoonsvorm
onderwerp/persoonsvorm/lijdend
voorwerp/werkwoordelijke rest
onderwerp/persoonsvorm/onderwerp/persoonsvorm/onderwerp/persoonsvorm
Ik wil wedden dat Martine hier de term 'syntactisch rijm' voor heeft
gebruikt. De versregels rijmen op elkaar, maar dan in syntactische zin.
Het rijmschema is a-a-b-b-c-c-d-d-e-e-e-(wit)-a-e, waarbij de laatste
regel een drievoudig syntactisch binnenrijm bevat (e-e-e).
Het gedicht is zo te zien opgebouwd uit twee strofen, een van 11 en een
van 2 regels. Dat is een curieuze verdeling. Als je echter naar het
syntactische rijmschema kijkt, dan zie je een duidelijke breuk na regel
8 van de eerste strofe. Aanvankelijk kabbelt het rijmschema in een
rustig aa-bb-ritme voort, maar in regel 9 wordt het opeens e-e-e. Zo'n
wending na regel 8 moet bij de geoefende poëzielezer
reminiscenties oproepen aan de zogeheten 'volta' uit het klassieke
sonnet. Het probleem hierbij lijkt dat het gedicht maar 13 regels telt
en geen 14, zoals het hoort in een sonnet. Maar hier komt de taalkunde
ons te hulp.
De generatieve taalkunde uit de laatste decennia van de vorige eeuw
heeft ons geleerd dat een syntactische structuur niet beperkt blijft
tot zichtbare (of hoorbare) taalelementen. Integendeel, een syntactisch
bouwsel bestaat vaak voor een groot deel uit abstracte ('lege')
elementen. We kunnen daarom veilig aannemen dat wat zich aan ons
voordoet als een witregel na regel 11 in werkelijkheid een syntactische
structuur is die geheel uit lege elementen bestaat. Met andere woorden:
de witregel is geen witregel, maar een versregel.
Daarmee wordt het raadsel van de structuur van dit gedicht opgelost:
het betreft hier een klassiek sonnet, met volta na regel 8, en
syntactisch rijmschema. Welke structuur de lege regel 12 moet hebben is
een lastig probleem dat schreeuwt om promotie-onderzoek, maar daar kom
ik straks op terug.
Er zit veel syntactisch klein grut in dit gedicht; als
neo-constructuraliste zal Martine de neiging niet hebben kunnen
weerstaan om te wijzen op de woordvolgorde 'kleine mooie revolutie',
die vooruitwijst naar de 'mooie kleine rode houten doosjes' van de
taalkundige Van der Lubbe. 'Kleine mooie' doorbreekt het basispatroon
en lijkt weer voorbeeld van een typische Lucebert-omzetting.
Ook de stijlbreuk in regel 7 is opmerkelijk: de rechte woordvolgorde
wordt verlaten, en er verschijnt een rijmpaar met topicalisatie van een
bijwoordelijke bepaling 'op mijn rug'. Waarom is dit? Welnu, dat kunnen
we zien als we de bepaling terugplaatsen in de zin. Dan krijgen we: 'De
wind rust op mijn rug' en 'Er rust een zeemeermin op mijn rug'.
Het indefiniete subject 'een zeemeermin' vereist het existentiele 'er',
in de context van een introductie (en dat is natuurlijk wat de dichter
voor ogen heeft). De syntactische rijmdwang forceert topicalisatie van
de bijwoordelijke bepaling, waardoor immers het existentiele 'er'
gedeleerd wordt. Dit gegeven is een ondersteuning voor de stelling dat
het gedicht syntactisch rijm kent.
Het meest opmerkelijk in dit gedicht is echter de keuze van de
werkwoorden: 'afdraaien, zijn, dragen, rusten, zingen, ruisen, vallen'.
Geen twee van deze werkwoorden behoren tot dezelfde syntactische
klasse. Naast het koppelwerkwoord ('zijn') zien we drie transitiva
('afdraaien', 'zingen', 'dragen') en drie intransitiva ('rusten',
'ruisen', 'vallen'), die in meerdere opzichten elkaars tegenhangers
zijn: de transitiva duiden alle een bewuste, door wil gestuurde (
'volitionele') actie aan. De corresponderende intransitiva hebben een
passieve betekenis en zijn non-volitioneel: tegenover 'afdraaien' staat
'rusten', tegenover 'zingen' 'ruisen' en tegenover 'dragen' staat
'vallen'. Ook syntactisch is deze tegenstelling te onderbouwen:
'vallen' is duidelijk 'ergatief', het mist een onderliggend subject.
'Ruisen' is een soort 'weather-verb': in de syntactische analyse van de
zin 'de wind ruist' is 'de wind'geen handelende persoon. Datzelfde zien
we bij 'rusten': ook daar is de handelende persoon tot een
niet-handelende persoon geworden.
Maar ook binnen hun klassen zijn de werkwoorden verschillend:
'afdraaien' en 'rusten' hebben betrekking op fysiek handelen; 'ruisen'
en 'zingen' op communiceren, en 'dragen' en 'vallen' op de
plaatsbepaling. De keuze van de werkwoorden is klaarblijkelijk bepaald
vanuit een zorgvuldig opgezet schema.
Maar er is meer. Met name na de wending, als de
onderwerp-persoonsvormstructuur dominant is geworden, zien we een
eigenaardige afhankelijkheid tussen het onderwerp uit de ene regel en
het werkwoord uit de volgende regel. De zeemeermin en de wind zingen en
de 'schuimende koppen' ruisen. Maar de wind is net als de zee een
natuurverschijnsel en correspondeert natuurlijk ook met het 'ruisen'.
De 'schietende schimmen' vallen, maar dat was nou precies waar je bij
de 'schuimende koppen' al aan dacht! Op die manier worden de
opeenvolgende zinnen met elkaar vervlochten, aldus suggererend dat het
een het ander oproept en als vanzelf daarin overgaat.
Zo levert de syntactische analyse uiteindelijk de verklaring voor de
betekenis van dit gedicht, omdat de dichter vrijwel uitsluitend
syntactische middelen gebruikt om zijn bedoelingen tot uitdrukking te
brengen: in de eerste 8 regels zet hij zichzelf, of liever, de
syntactische machine die hij is, neer: hij is de 'taalzee'. De tandem
'taal' en 'zee' wordt gedurende de hele metafoor volgehouden. De zee is
geen land, maar water. De zin is geen statisch geheel, maar vloeit. De
zee zowel als de zin manifesteren zich ('op mijn hoofd') met
'schuimende koppen' (de golven en de woorden), maar onderliggend ('in
mijn hoofd') heb je 'schietende schimmen' (de vissen en de zich
verplaatsende zinsdelen). Beide worden begeleid ('op mijn rug') door
onstoffelijke bijverschijnselen uit de werkelijkheid (de
luchtverplaatsing van wind en klank), en de para-werkelijkheid (de
zeemeerminnen en de universele grammatica).
Na de wending wordt de werking van de taalzee uitgebeeld als een
zichzelf afdraaiend verschijnsel (de al eerder genoemde letterlijke
'revolutie'). Dit wordt aardig ondersteund in de door de dichter zelf
voorgelezen tekst. Door vertraging en versnelling van het leestempo
suggereert hij een driekwartsmaat, die op zijn beurt weer de gedachte
aan rotatie oproept. Maar ook hier blijft de tandem 'taal' en 'zee'
intact. De branding van de zee, maar ook de productie van de taal wordt
gevormd door verschijnselen die elkaar onwillekeurig oproepen, in
elkaar overgaan en weer naar elkaar terugkeren: 'zingen', 'ruisen' en
'vallen' wordt, na een kleine pauze waarin iets gebeurt waar we geen
werkwoord voor hebben, het omgekeerde: 'vallen', 'ruisen' en 'zingen'.
De witregel markeert dus het 'even niets', dat we dan ook het beste
kunnen weergeven met een syntactische structuur bestaande uit het lege
onderwerp en de lege persoonsvorm. Dus rijmt de witregel op de vorige
drie regels. Met deze vingerwijzing voor het eerder gesuggereerde
promotie-onderzoek zal Martine de uitzending besloten hebben.
Peter-Arno Coppen
|