|
Col: 0006.16
Date: Tue, 20 Jun 2000 00:02:43 +0200
From: Willem Kuiper <willem.kuiper@hum.uva.nl>
Subject: Col: 0006.16: Column Willem Kuiper, no. 50: Een Vlaming
op Voorne
Column Willem Kuiper, no. 50:
Een Vlaming op Voorne
We schrijven AD 1261 als Albrecht van Voorne zijn vader Henric van
Voorne opvolgt als burggraaf van Zeeland. Dat weten wij dankzij het
Oorkondeboek Holland en Zeeland, een KNAW-project waarin alle
bewaard gebleven middeleeuwse oorkonden uit het graafschap
Holland/Zeeland zijn uitgegeven. Elke maandag deel ik op het Meertens
Instituut een kamer met de laatste der OHZikanen, en maak van die
gelegenheid dankbaar gebruik de diplomatieke onderbouwing van
Maerlants wereld te toetsen aan een second opinion.
Was Albrecht van Voorne inderdaad
niet veel ouder dan Florens toen hij zijn vader opvolgde? Had hij echt
geen jongere broer(s) of oom(s) van vaderszijde? Wat was de relatie
tussen de burggraaf van Voorne en de heren van Maerlant? Hoe oud was
Henric van Voorne toen hij stierf? Hoe oud werd zijn vader Dirc van
Voorne?
Het is aan deze Albrecht van Voorne
dat Jacob, die zich dan 'de coster van Merlant' noemt, zijn vertaling
in verzen van de proza-Historie van den Grale opdraagt:
| |
|
Desse Historie van den Grale |
| 15 |
|
Dichte ick to eren hern Alabrechte, |
| |
|
Den heer van Vorne, wal myt rechte, |
| |
|
Want hoege lude myt hoger historie |
| |
|
Menichfolden zuken er glorie, |
| |
|
Unde korten dar mede er tijt. |
Onduidelijk is of de Historie vanden Grale door Albrecht
zélf besteld werd, of was er een voogd/voogdes die de bestelling
plaatste en het werk aan Albrecht liet opdragen? Hoe het ook zij, Jacob
heeft die opdracht met onverholen tegenzin aanvaard. Immers, na de
plichtmatige verklaring dat hoge heren er goed aan doen hun tijd te
korten met het luisteren naar hoogtepunten uit de wereldgeschiedenis -
zoals bijvoorbeeld zijn eigen Alexanders Geesten - maakt hij het
Franse origineel dat hij voor heer Albrecht vertaald heeft, met de
grond gelijk:
| 20 |
|
Ick wille dat gij des zeker zijt, |
| |
|
Dat ick de historie vele valsch |
| |
|
Gevonden hebbe in dat Walsch, |
| |
|
Dar ze van Gode, onsen Heren, sprak |
| |
|
Dat ene dat volck van Rome wrack. |
| 25 |
|
Dar umbe merket desse zake: |
| |
|
Eyn dichte Van onses Heren Wrake |
| |
|
Lestmen, dat is wijde bekannt, |
| |
|
Unde makede eyn pape in Vlanderlant, |
| |
|
Dat saget dat boeck in zijn beginne, |
| 30 |
|
Mar ick wene in mynen sinne, |
| |
|
Dat pape dat nicht en dichte, |
| |
|
Want men mochte nicht gescriven lichte, |
| |
|
We vullich dat gelogen zij! |
| |
|
Unde dat zal ick ju proven waer bij |
| 35 |
|
In der historie de komet hijr naer.
|
In de proloog van Jacobs exemplaar staat dus dat er een tekst is die
handelt over hoe 42 jaar later de Romeinse keizers Titus en Vespasianus
de dood van Jezus van Nazareth wreken met de inname en verwoesting van
Jeruzalem. Helaas ontbreekt juist deze passage in het handschrift.
Terzijde,
het enig bewaard gebleven handschrift van de
Historie van den Grale dateert van ca. 1425, is
geschreven in een Nederduitse mengtaal, en is nog altijd
privébezit van een kasteelheer in het plaatsje
Burgsteinfurt nabij Bentheim. In het begin van de
negentiende eeuw leende de toenmalige bezitter het
handschrift uit aan een Veluwse predikant. Het verhaal gaat
dat de man tijdens de lezing van het handschrift naar de
deur geroepen werd, en toen hij terugkwam hadden zijn
kinderen er vier bladen uitgescheurd. De dienaar Gods heeft
toen de uitgescheurde bladen weggegooid en zo het boek weer
teruggegeven... Vanaf dat moment was deze geheimzinnige
codex onbereikbaar voor de vaderlandse wetenschappers, ook
na inschakeling van de ambassade, met als gevolg dat hij in
Jonckbloets Geschiedenis der Middennederlandsche
Dichtkunst als apocrief verworpen wordt: coster Jacob
kon er bij Jonckbloet niet in...
Grappig is dat het nu
uitgerekend de schoonvader van de Tachtigers, Johannes van
Vloten (1818-1883) - de man die met iedereen overhoop lag -
wél lukte om toegang tot het handschrift te krijgen.
In 1880 verscheen zijn hertaalde editie met een minimale
inleiding, maar wel heel veel leedvermaak. Zoals te
verwachten werd Van Vlotens Merlijn in de kritiek
gesloopt: "ein slechtes gedicht, eine schlechte
handschrift, und ein über alles slechter herausgeber"
(Joh. Franck, Anzeiger 1883). Echt beschamend is dat
er 120 jaar later nog altijd geen nieuwe integrale editie
van het Steinfurter handschrift is! |
De Roman du Graal, die Jacob vertaalde, is een ingenieuze
mengeling van evangelisch en apokrief materiaal. Hoofdpersoon is Jozef
van Arimathea, ooit ridder in dienst van de landvoogd Pontius Pylatus,
inmiddels een man in bonis, en heimelijk leerling van Jezus van
Nazareth. Dankzij zijn maatschappelijke status kan hij gaan en staan
waar hij wil. Zo komt hij in het bezit van de Graal, een schaal die
Jezus tijdens het Laatste Avondmaal gebruikte voor het sacrament van de
eucharistie. Cruciaal voor de christelijke contrafactuur van de van
oorsprong Keltische Graal is de transsubstantiatie: brood en wijn
worden lichaam en bloed van Gods zoon. In de tijd dat de Roman du
Graal verschijnt, is dit een geloofswaarheid die zeer tot de
verbeelding spreekt, en legio is het aantal mirakelen, waarin het
bewijs van de transsubstantiatie geleverd wordt.
Mengde Jezus tijdens het Laatste
Avondmaal wijn en water in de Graal, na Zijn dood neemt Jozef van
Arimathea met toestemming van zijn voormalige werkgever Pylatus het
lichaam van het kruis, wast het bloed daarvanaf en bewaart dat in
diezelfde Graal. Daarmee is de cirkel gesloten. Naar ik vermoed moeten
wij ons het geheim van de Graal voorstellen als een metamorfose van het
een in het ander en weer terug: wijn wordt bloed en vice versa.
Wie denkt dat Jacob onder de indruk
is van het Franse proza vergist zich deerlijk. Proza moge ten tijde van
Jacob een uitstraling van betrouwbaarheid en waarachtigheid hebben, het
is en blijft Frans. En blijkbaar heeft Jacob een Evangelarium
bij de hand of misschien wel een Vulgaat, want hij weigert
sommige passages uit zijn bron te vertalen en last daarvoor een
parafrase uit de Evangeliën in. Over zwaar op de hand gesproken.
Geef je een adolescent een vertaalopdracht en dan gaat die jongen een
beetje zitten censureren!
De mening heerst dat Jacob op Voorne de gelukkigste jaren van zijn
leven doorbracht: Jacob beleefde zijn grootste productiviteit te
Maerlant, nou dan zal hij zich daar ook wel het meest op zijn gemak
gevoeld hebben...
Inmiddels ben ik daaraan sterk gaan
twijfelen. Uit de proloog spreekt duidelijk dat Jacob zwaar in zijn
maag zat met de materie. Was hij bang dat hij van heterodoxie
beschuldigd zou kunnen worden? Of wilde hij - clerc - het absoluut
beter weten dan zijn beroemde Franse bron Robrecht van Barioen? Feit is
dat Jacob diens roman in krap 1600 versregels nogal liefdeloos
vertaalde en dan onpersoonlijk verder gaat met:
| |
|
Hijr begint dat Boek van Merlijne, |
| |
|
Unde wo de duvele benyden |
| |
|
Dat God de helle to brack, |
| |
|
Unde syne vrent daer uet verlozede. |
| |
| |
|
Nu hoort gij heren al bij sonder |
| |
|
Van onsen Heren een groet wonder, |
| 1610 |
|
Want na ziner pine unde zine doet |
| |
|
Voer onse Here to der hellen oeck. |
| |
|
Hijr aff spreket dit boeck voert meer. |
Maar voordat Jacob verder gaat, last hij eerst het proces in dat
Mascheroen, de procureur van de duivels, bij God de Vader aanspant tegen
Gods Zoon wegens de zielenroof, een proces waarin het er net zo eerlijk
aan toe gaat als tijdens het toekennen van de gouden appel door Paris
aan de schoonste onder de Griekse godinnen. Maar omdat de uitslag voor
ons mensen gunstig uitvalt, doen we er niet moeilijk over. Dan volgt
hij weer zijn bron tot de kroning van koning Artur en eindigt zijn
vertaling abrupt.
Heel veel jaren later, op Witte
Donderdag van het jaar 1326, wordt het boek door Lodewijc van Velthem
voltooid zonder dat de naam van de opdrachtgever genoemd wordt. Men
vermoedt dat het Albrechts zoon Gheraert van Voorne was. Of die er echt
blij mee was, vraag ik mij af. Ik ken geen eentoniger Middelnederlandse
rijmtekst.
Terug naar Jacobs proloog. Die begint met:
| |
|
Alle de gene de desse tale |
| |
|
Horen willen vanden Grale, |
| |
|
Wannen dat he eirsten quam... |
| |
|
Als ick inden Walsche vernam, |
| 5 |
|
So zal ickt dichten in Duesche woert. |
| |
| [Allen
die dit verhaal over de Graal willen
aanhoren: waar hij oorspronkelijk vandaan kwam.
Zoals ik het in het Frans vond, zal ik in het
Nederlands (na)vertellen] |
Om te vervolgen met:
| 6 |
|
Ick en zalt nicht laten dorch er voert, |
| |
|
De benyden mijn gedichte, |
| |
|
Wante doch alle quade wichte |
| |
|
To der doghet tragen altoes nijt. |
| |
| [Ik zal
het niet laten door "er voert" die mijn werk
benijden. Booswichten hebben nu eenmaal een hekel aan alles
dat goed is.] |
In de topistiek van de proloog is het niet ongebruikelijk af te geven
op collega's om het eigen werk indirect aan te prijzen, bijvoorbeeld
dat ze het verhaal niet goed vertellen, of het belangrijkste vergeten
zijn. Maar hier lijkt Jacob zich te keren tegen 'nijders', de vraag is:
wie zijn dat? Het antwoord ligt besloten in "er voert". Bij mijn weten
heeft nog nooit iemand deze woorden geproblematiseerd, ook het
Middelnederlandsch Woordenboek vermeldt deze vindplaats niet.
Toch kan met behulp van hetzelfde Middelnederlandsch Woordenboek
de betekenis gemakkelijk achterhaald worden als men weet dat Jacob het
woord 'woord' als 'wort' spelde. Het rijmwoord moet dus 'vort' geweest
zijn. Welnu, dit 'vort' is niets anders dan het Engelse 'fart'. Als ik
mij niet vergis zet Jacob zich af tegen de door hem zo gehate
menestrelen: niet gestudeerde, maar wél onderhoudende en
gewaardeerde beroepsvertellers, wier repertoire hij 'hun scheet' noemt.
Vanwaar deze felle uitval? Werd Jacob
gepest? In zijn overige werk betoont Jacob zich nogal preuts. Kan hij
niet aarden? Is Oostvoorne vergeleken met het grote Brugge een
verbanningsoord? Of maakt hij een venijnig grapje?
Tot de schaars bewaard gebleven
vastenavondliteratuur behoort het gedicht De Blauwe Schuit,
ondertekend door "Jacob van Oestvoren". Natuurlijk heeft iemand ooit
geopperd dat deze Jacob van Oestvoren dezelfde is als Jacob van
Maerlant, Maerlant ligt namelijk op Oostvoorne. We laten deze gissing
voor wat hij is. Interessanter is de verklaring die Herman Pleij geeft
in zijn editie van deze tekst: Jacob die van voren hoest. Als deze
duiding correct is, zou het kunnen dat deze grap al ten tijde van onze
Jacob de ronde deed? En dat dát onze Jacob - die net als Van
Vloten met iedereen over hoop lag - toen hij zijn proloog schreef op
het idee van deze uitschijter bracht?
Literatuuropgave:
- Jan ten Brink, Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde.
Amsterdam 1897, p. 92-95.
- Cd-rom Middelnederlands
- W.J.A. Jonckbloet, Geschiedenis der Middennederlandsche
Dichtkunst, dl. 3. Amsterdam 1855, p. 3-163.
- P.J. Meertens, 'Johannes van Vloten', in: Moderne Encyclopedie der
Wereldliteratuur, deel IX. Gent 1977, p. 170-171.
- Frits van Oostrom, Maerlants wereld. Amsterdam 1996.
- Herman Pleij, De Blauwe Schuit. Uitgegeven en van commentaar
voorzien door - . Muiderberg 1979.
- Timothy Sodmann, Jacob van Maerlant, Historie van den Grale und
Boek van Merline. Nach der Steinfurter Handschrift herausgegeben
von - . Köln etc. 1980.
- J. van Vloten, Jacob van Maerlants Merlijn. Naar het eenig
bekende handschrift uitgegeven door - . Leiden 1882.
|