0007.10 Terug
Vooruit 0007.12
Vorig Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgend Miniatuurtje

Col: 0007.11

Date: Sat, 08 Jul 2000 11:25:18 +0200
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 0007.11: Linguïstisch Miniatuurtje LXVIII: Als iemand deze fout maakt dan is diegene een ezel

Linguïstisch Miniatuurtje LXVIII:
Als iemand deze fout maakt dan is diegene een ezel

Heeft u ook wel eens dat gevoel dat er ergens iets niet klopt, maar u kunt er niet precies de vinger op leggen? De feiten lijken zich voor u op te stapelen, u kunt niet langer om de onontkoombare conclusie heen, maar een eigenwijs stemmetje in uw achterhoofd blijft vervelende vragen stellen. Een bekend therapeutisch advies is dan: schrijf het eens op, misschien gaat het dan vanzelf weg. Welnu:

Iemand wijst mij op een passage in de krant, waarin het woord 'diegene' wordt gebruikt als een terugwijzend voornaamwoord (zoals in de titel van dit miniatuurtje). Dat is opvallend, want 'diegene' staat te boek als een bepalingaankondigend voornaamwoord, dat alleen met een nabepaling mag worden gebruikt. Foutje? Taalverandering?

Misschien ben ik wel wat te liberaal van taalvermogen, maar ik vind eigenlijk zo'n terugwijzend 'diegene' helemaal niet zo gek klinken. Blijkbaar zijn er meer mensen die zo denken, want het terugwijzend 'diegene' blijkt bij een snelle inspectie van het grote corpus van internetdocumenten veelvuldig voor te komen. Taalverandering dan maar?

De naslagwerken spreken dit al snel tegen: 'diegene' kan volgens ANS en WNT alleen maar gebruikt worden als bepalingaankondigend voornaamwoord, met daaropvolgende bepaling (de ANS spreekt ten onrechte alleen over bijzinnen, maar predicatieve PPs 'met het meeste geld' of 'daar rechts op de foto' blijken in de vakliteratuur al gesignaleerd).

Toch heeft in februari 2000 de Utrechtse linguïst Minne de Boer al een lezing over dit onderwerp op de TIN-dag gepresenteerd. Dat is interessant. De Boer citeert een signalement van het terugwijzend gebruik van 'diegene/degene' door Van den Toorn uit 1997, en meldt een eerste mondelinge attestatie uit 1970 en een schriftelijke uit 1985. De laatste is pikant: het betreft een Nederlandse Grammatica voor Anderstaligen, dus zelfs een werk waarin de norm centraal staat. De auteurs melden het "zelfstandige" gebruik van 'diegene/degene' met PP ('Wil degene met de hond de zaal verlaten?'), maar ook gevallen als 'Er is iemand met een hond in de zaal. Wil diegene de zaal verlaten?'.

Goed. Taalverandering dus. De Boer argumenteert dat de "poldervrouwen" (jonge succesvolle vrouwen die ten grondslag liggen aan Jan Stroops Poldernederlands) ook deze taalverandering op hun geweten hebben: vrijwel alle attestaties zijn op deze bevolkingsgroep terug te voeren. Ook een artikel van Marlies Philippa in Onze Taal uit 1992 spreekt al over "tienermeisjes" die het terugwijzende 'diegene' graag gebruiken.

Nou ben ik zelf geen tienermeisje en ik ga niet dagelijks met ze om, maar ik wil natuurlijk best geloven dat ook mijn taalgevoel door hen is beïnvloed. Toch zou ik dan verwacht hebben dat het afwijkende gebruik van 'diegene' bij eerste waarneming voor mij vreemd is geweest. Ik heb mijn taal voor 1970 verworven en de verandering moet zich dus in mijn bestaande taalgevoel ingewerkt hebben. Maar ik kan me dat absoluut niet herinneren. Naar mijn inschatting zou ik een constructie zoals de genoemde onmiddellijk acceptabel hebben gevonden. Ik ben dan ook zeer verbaasd om te horen dat ze voor 1970 niet voorgekomen is.

Mijn verwarring kan verschillende verklaringen hebben die mijn geestelijke vermogens in een bedenkelijk licht zetten, maar er is er tenminste één die dat niet doet. Dat is deze: het terugwijzende gebruik van 'diegene' in de bovenstaande constructie is helemaal niet zo sterk verschillend van het bepalingaankondigende gebruik als op het eerste gezicht lijkt. Zo'n uitspraak vraagt om een nadere analyse.

Uit de voorbeelden die in de lezing van De Boer genoemd staan, en de zinnen die ik zelf op het internet vind, blijkt een eigenaardige restrictie op het gewraakte gebruik van 'diegene': het moet een tekstueel antecedent hebben, maar dat antecedent mag best in een bijzin, of zelfs in een vorige zin zitten. De Boer spreekt in dit verband over "tekstuele deixis". In sommige gevallen staat het antecedent niet letterlijk in de tekst, maar kan het vanuit de tekst gereconstrueerd worden, zoals Kirsten Romijn dat in haar dissertatie beschrijft voor het pronomen 'het'.

Als ik het goed zie, is het antecedent ook altijd op de een of andere manier gekwantificeerd: een eigennaam als 'Jan' is onmogelijk. Het is altijd 'iemand' of een andere existentieel gekwantificeerde expressie. Bovendien zit het vaak in een conditionele constructie verscholen. Vergelijkt u de zin 'Als Jan iemand tegenkomt begint diegene meteen te lachen' maar eens met 'Als iemand Jan tegenkomt begint diegene meteen te lachen'. 'Diegene' kan voor mijn gevoel absoluut niet 'Jan' zijn, hetgeen wel het geval is als je het vervangt door 'deze' of 'hij'. Als dit gebruik van 'diegene' dan geen Nederlands is, waarom heb ik daar dan zo'n scherpe intuïties over? De Boer spreekt hier overigens van een "generiek" antecedent, maar daar kom ik beneden nog op terug. Hier merk ik op dat we opeens op bekend terrein zijn: een anafoor die van buiten de scope van een existentieel gekwantificeerde expressie daar toch naar verwijst: dat is een "ezel-anafoor"!

Wat, zo zult u wellicht vragen, is een ezel-anafoor? Dat is een in de formele semantiek veelbesproken verschijnsel, dat voor het eerst geïllustreerd is in de zin 'Als Pedro een ezel heeft, dan slaat hij hem'. Het probleem is, dat 'hem' onder de interpretatie dat het verwijst naar 'een ezel', beschouwd moet worden als een variabele die gebonden wordt door de existentiële kwantor die in 'een' opgesloten zit. Maar deze binding kan in de klassieke formele logica niet gerealiseerd worden, tenzij de variabele in de scope van de kwantor zit. Dat betekent weer dat je een weergave zou moeten hebben als 'Er is een ezel zodanig dat als Pedro hem bezit, hij hem slaat'. Maar deze weergave geeft niet de betekenis van de zin weer. Dichter in de buurt komt de weergave 'Voor elke ezel geldt dat als Pedro hem bezit, hij hem slaat', want dat laat ten eerste de mogelijkheid open dat Pedro helemaal geen ezels heeft, en ten tweede dat Pedro elke ezel slaat die hij bezit. Verschillende voorstellen voor de semantische beschrijving van ezelanaforen staan echter nog steeds ter discussie.

Karakteristiek aan de ezelzinnen is niet alleen de formele problematiek, maar ook een ambiguïteit tussen een universele en existentiële lezing van de kwantor. De zin 'Als Pedro een ezel heeft slaat hij hem' kan inderdaad gelezen worden als een uitspraak dat Pedro elke ezel slaat die zijn eigendom is, maar ook als de uitspraak dat Pedro in voorkomende gevallen de ene ezel slaat die hij bezit. De context bevoordeelt of benadeelt vaak een van de lezingen. De zin 'Als iemand een creditcard heeft betaalt hij daar vaak mee' kan moeilijk in de universele lezing begrepen worden (betalen met alle creditcards die je hebt), en in de zin 'Als je een fout vindt moet je hem aanstrepen' is de universele lezing juist de meest waarschijnlijke (alle fouten aanstrepen).

Vanuit deze karakteristiek kunnen de voorbeelden met terugwijzend 'diegene' gemakkelijk geïdentificeerd worden als ezelzinnen: 'Als iemand hier parkeert krijgt diegene een boete' is universeel, en 'Als iemand de schat vindt is diegene meteen wereldberoemd' is existentieel (of meer precies: definiet). Vanuit de universele lezing is De Boers opvatting te verklaren dat het antecedent van 'diegene' "generiek" moet zijn. De natuurlijke omzetting van een existentiële kwantor in een conditionele zin is de universele kwantor over de hoofdzin.

Maar hoe zit het dan met de "correcte" gevallen? Ook hier vinden we de typische "ezel-eigenschappen": 'Degene die hier parkeert krijgt een boete' is een -ik denk overigens gemarkeerde- zin met een universele lezing, en 'Degene die de schat vindt is meteen wereldberoemd' is existentieel en ongemarkeerd.

Dat betekent dat het kenmerkende aan 'diegene' niet zozeer het bepalingaankondigende karakter is, maar het "ezelkarakter": 'diegene' is in alle gevallen een ezelanafoor, of beter: het is een ezelanafoor in alle gevallen waar deze in voor kan komen. Dat kan een expliciet conditionele bijzin met 'als' zijn of een tekstuele conditionaliteit, maar ook de bepalingaankondigende constructie, volgens mij omdat de bijvoeglijke bijzin (of de bepalende PP) een conditionele semantiek heeft. Dat laatste is misschien niet zo voor de hand liggend, maar toch vrij eenvoudig te beredeneren: de bijvoeglijke bepaling heeft het karakter van een doorsnede van twee verzamelingen: een 'man met een baard' is de doorsnede van mannen en baarddragenden. Als nu die eerste verzameling gekwantificeerd is ('iedereen of iemand met een baard'), dan is de doorsnede tegelijk de deelverzameling. Maar dat is precies de semantiek van conditionaliteit.

Daarmee is natuurlijk niet alles opgelost. Het is bijvoorbeeld de vraag hoe dit zo gekomen is. Uit het Middelnederlands is het geheel zelfstandige gebruik van 'diegene' ('dieghone') bekend, dus zonder tekstueel antecedent. Wanneer is 'diegene' dan een ezelanafoor geworden? En daarmee samenhangend: waarom is 'diegene' toen niet meteen een ezelanafoor in alle constructies geworden? Waarom is 'diegene' dan aanvankelijk beperkt tot de bepalingaankondigende constructie? IS dat dus eigenlijk wel zo? Is er wel sprake van recente taalverandering?

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]