0007.11 Terug
Vooruit 0007.a

Art: 0007.12

Date: Thu, 15 Jun 2000 07:11:59 +0200
From: Jerzy Koch <jkoch@box43.gnet.pl>
Subject: Art: 0007.12: Jerzy Koch. Relaties tussen extramurale en intramurale neerlandistiek in intercultureel perspectief. Een pleidooi voor een nieuwe verstandhouding. Lezing gehouden op het Regionaal Colloquium Neerlandicum in Bratislava in 1999

     
Jerzy Koch
A. Mickiewicz-Universiteit te Poznan
en Universiteit van Wroclaw

Relaties tussen extramurale en intramurale
neerlandistiek in intercultureel perspectief.
Een pleidooi voor een nieuwe verstandhouding.

Lezing gehouden op het Regionaal Colloquium
Neerlandicum in Bratislava in 1999.
 

   

Hoofdthema van dit symposium in Bratislava zijn de interculturele aspecten van de extramurale neerlandistiek. Die interculturele aspecten zouden we hier vanuit een zuiver neerlandistisch (dan wel Nederlands of Vlaams) standpunt kunnen gaan bekijken. We zouden dan allerlei problemen kunnen gaan bespreken die gepaard gaan met de verwerving van de Nederlandse taal (als vreemde taal) en de verwerving van een bepaalde culturele competentie. De vragen die daarbij rijzen, luiden bijv.: zijn wij als extramurale docenten Nederlands met onze kennis en vaardigheden met het materiaal dat ons ter beschikking staat goed genoeg uitgerust om die taak aan te kunnen? En hoe doen we dat? Kunnen we onze studenten sensitief genoeg maken om de interculturele aspecten van het vak niet over het hoofd te zien, maar juist te problematiseren? Worden de huidige studenten wat dat betreft goed geconditioneerd voor hun toekomstige beroepsactiviteit? Welke onderwerpen en welke aanpak bieden potentieel de beste mogelijkheden om de interculturele componenten in het programma te incorporeren?

Ik neem aan - gezien de titels van de referaten - dat de meeste van mijn waarde collega's hun aandacht juist op zulke elementen gaan vestigen en hier waarschijnlijk veel dieper op in zullen gaan. Maar ik zou dat probleem liever anders willen stellen en vragen hoe de interculturele dimensie waarover we het hier willen hebben zich verhoudt tot onze contacten met de Lage Landen. Deze problematiek wordt immers door de thematiek van ons colloquium gedekt, want de interculturele aspecten kan men evenzogoed in verband brengen met de huidige positie van de buitenlandse neerlandistiek tegenover de intramurale neerlandistiek. Hetzelfde betreft eveneens diverse Nederlandse en Vlaamse instanties waarmee wij - in onze hoedanigheid van extramurale docenten - samenwerken of die op hetzelfde terrein van de bevordering van de Nederlandse taal, literatuur en cultuur in het buitenland opereren.

Met andere woorden, ik wil me even bezinnen op onze relatie met de deskundigen uit het Nederlandse taalgebied. Ons treffen hier in Bratislava biedt de gelegenheid bij uitstek om daarover samen van gedachten te wisselen.

Opmerkingen vooraf

Om alle misverstanden uit de weg te ruimen en dubbelzinnigheden te vermijden drie opmerkingen vooraf.

(1) Ik wil bij voorbaat zeggen dat ik me bij de behandeling van dit onderwerp vooral op de negatieve kanten zal concentreren. Mijn bedoeling is niet een volledig of evenwichtig beeld te schetsen van wat was en is. Ik wil ook niet jeremiëren over onbegrip waarop de extramurale neerlandicus in de Lage Landen kan stuiten. Het gaat me eerder om aandacht voor de onderbelichte kanten, zeg maar de schaduwzijden van de neerlandistische contacten. (Alle commentaar hieronder neemt niet weg dat velen van ons goede persoonlijke en zakelijke relaties met verschillende vakgenoten onderhouden onder wie niet zelden coryfeeën van de neerlandistiek in België en Nederland zijn.)

(2) De tweede opmerking kan ik samenvatten met het refrein uit een Nederlands cabaretliedje uit de jaren zeventig: "Namen noemen we niet". Waarom? Omdat het niet om concrete gevallen, personen of instanties gaat, maar om de zaak. En die is de wederzijdse relatie tussen de extramurale en intramurale neerlandistiek.

(3) Ten derde: deze stellingen zijn geformuleerd op basis van mijn eigen ervaringen als ook verschillende gesprekken met collega's die soortgelijke ervaringen te beurt vielen. Natuurlijk wordt de visie op een relatie sterk bepaald door de positie die men in een relatie inneemt. De meesten van ons draaien al jaren in het circuit van de neerlandistiek mee. Wij allemaal waren en zijn daar aanwezig in verschillende hoedanigheden: eerst als studenten en bursalen, later als docenten, organisatoren belast met administratief werk, leden van verenigingen, initiatiefnemers, wetenschappelijke medewerkers, literaire vertalers etc. In al deze functies verzamelen wij uiteenlopende en rijke ondervindingen zowel in de landen waar we werkzaam zijn, als ook in de Lage Landen.

Wat is het probleem?

Onder vele neerlandici die in het buitenland werkzaam zijn, heerst een bepaalde graad van ontevredenheid over de manier waarop extramurale neerlandistiek aan het "thuisfront", d.w.z. in de Lage Landen, behandeld wordt. Sommigen hebben aanmerkingen, anderen zijn zelfs diep teleurgesteld. Opvallend is dat dit ongenoegen niet alleen karakteristiek is voor autochtone docenten maar ook voor de moedertaalsprekers uit Vlaanderen en Nederland die het Nederlands in den vreemde doceren.

De reden tot dit ongenoegen betreft dikwijls:
(1) de manier waarop de contacten verlopen met verschillende instellingen en hun vertegenwoordigers (bijv. universiteiten en diverse overheidsinstanties);
(2) de wederzijdse relatie tussen de intra- en extramurale neerlandistiek als zodanig.

Het probleem draait in beide gevallen rond de houding tegenover het werk dat de neerlandici in het buitenland verrichten, want de relatie tussen de extramurale en intramurale neerlandistiek is eerder een houding dan een verhouding. Onder de synoniemen en betekenisverwante woorden van "verhouding" vond ik "contact" en "verstandhouding". Er zijn veel contacten, maar bij lange na niet alle worden door verstandhouding gekenmerkt.

Een voorbeeld om het probleem aanschouwelijk te maken. De Nederlandse en Vlaamse makelaars in verschillende aspecten van de interculturele benadering geven zelf niet zelden blijk van onvoldoende kennis van zaken. Ze houden zich beroepshalve met de interculturele communicatie bezig en stellen dit voor als verrijking van de traditionele filologische aanpak. Maar passen ze dit werkelijk in de praktijk van de wederzijdse contacten met hun Midden- en Oost-Europese collega's toe? Door bijv. grapjes te maken over het belerende wijsvingertje van de Nederlanders word je van zo'n houding nog niet bevrijd.

Ik denk dat iedere docent Nederlands in deze zaal zijn/haar ervaringen heeft met de vakgenoten uit de Lage Landen die onder de interculturele benadering eerder een volledige aanpassing aan hun normen en waarden verstaan dan een gelijkwaardige wisselwerking van diverse standaarden en criteria. Alweer een bewijs dat weten niet altijd zelf kunnen betekent. Van andere mensen sensibiliteit voor je eigen cultuur vragen, is altijd gemakkelijker dan jezelf ontvankelijker te maken voor wat anders is en vreemd lijkt.

Internationale symposia en congressen zijn een soort visitekaartje van de wederzijdse relatie tussen de intra- en extramurale neerlandistiek. Bij zulke gelegenheden wordt helaas het volgende duidelijk: een deel van de universitaire docenten in de Lage Landen heeft nauwelijks belangstelling voor het (wetenschappelijk en didactisch) werk van de extramurale neerlandici, een ander deel toont hiervoor beleefd aandacht als voor... een curiositeit. Ze vergeten blijkbaar dat de ANS - om maar een voorbeeld te noemen - er heel anders uit zou zien als er geen extramurale neerlandici waren: dankzij hun kritische bijdrage werd de Algemene Nederlandse Spraakkunst vernieuwd en verbeterd.

Verwoording van het probleem

Een aantal jaren geleden - om precies te zijn in 1994 - heb ik in de wandelgangen van het IVN-Colloquium in Antwerpen een informeel gesprek gehad met de redacteur van een vooraanstaand periodiek. Ik poneerde een stelling die men als volgt kort kan samenvatten: de relatie tussen de extramurale en intramurale neerlandistiek is van een buitengewone aard; het is eerder een houding dan een verhouding.

Direct daarna vroeg deze redacteur mij om over het onderwerp van onze conversatie een artikel te schrijven en hij beloofde bij voorbaat publicatie. Dit klonk goed, maar ik schrok: dit was alweer een signaal dat ook volgens enkele andere mensen niet alles pluis was in ons vak. Beleefd maar pertinent bedankte ik en ging niet op de uitnodiging in.

Later dacht ik aan mijn eigen terughoudendheid om het probleem ter discussie te stellen en het feit dat andere docenten dit ook uiterst bedeesd ter sprake brachten. De redenen zijn uiteenlopend; men wil waarschijnlijk het geheel van de zo nodige contacten niet in het gedrang brengen door kritische opmerkingen uit te spreken. Men is dankbaar voor alles wat wordt gedaan en men laat het daarbij. De gemiste kansen voor een betere samenwerking en verdere ontwikkeling worden niet genoemd; de ontgoocheling niet verwoord.
Zelf denk ik dat ik bang was dat het publiek maken van mijn opinie op onbegrip of in het beste geval op desinteresse zou stuiten. Dat gevaar bestaat nog steeds. Maar nu, een aantal jaren later, is de situatie binnen de neerlandistiek dermate anders geworden en is het probleem zelf zover gerijpt dat het bespreekbaar kan worden gemaakt. Daarmee wil ik ook inspelen op de discussies rondom de eenheid van de neerlandistiek die sinds enige tijd in de Lage Landen gaande zijn. (Brems & Elshout: 1998)

Twee neerlandistieken of maar één?

Toen de studie van het Nederlands in een stroomversnelling kwam en het verschijnsel buitenlandse docentschappen Nederlands zich ontwikkelde, ontstond op een gegeven moment de behoefte om de specificiteit van de beoefening van het vak in het buitenland te omschrijven. Zo ontstond de term "extramurale neerlandistiek".

Het probleem bestaat echter hierin dat deze term niet alleen naar de plaats verwees waar het vak werd uitgeoefend, maar soms ook gebezigd werd alsof het de wijze betekende waarop dit gebeurde. En voor velen, jammer genoeg, stond "extramurale neerlandistiek" gelijk aan - om een vergelijking te gebruiken van een collega die ik anoniem wil houden - "cursussen Nederlands voor gastarbeiders die in hun thuislanden moeten blijven".

Of je nu met "extramuraal" de term descriptief gebruikte of een waardeoordeel uitsprak, één ding was zeker: dat met de intensieve groei ín het buitenland ook de term "intramurale neerlandistiek" in omloop moest komen.

De vraag is of deze indeling nog steeds geldig is. Beantwoordt ze aan de huidige situatie? Dekt ze nu niet andere betekenissen dan toen ze werd geïntroduceerd?
Als ik verder beide termen ga hanteren dan doe ik dat niet omdat ik akkoord ga met het impliciete waardeoordeel, en ook niet omdat dit soms zeer praktisch in het gebruik is; ik doe dat opdat we ons het volle betekenisveld van beide begrippen realiseren en ook de consequenties die dit gebruik met zich meebrengt.

Een kleine anekdotische uitweiding. In mijn studietijd - en dat was nog vóór de politieke transformatie in Polen - kregen we colleges "Politieke Economie". Ik was toen al een aantal keren in het Westen geweest en mijn constatering was dat de geponeerde indeling in kapitalistische of socialistische economie foutief was; volgens mij bestonden er slechts een goede en een slechte economie, een economie die functioneerde en een andere die niet werkte.

Zou men dit beeld niet op de neerlandistiek toe kunnen passen en zeggen dat de indeling in "intra-" en "extramurale" neerlandistiek in vele opzichten geen zin heeft, omdat het maar om één neerlandistiek gaat, nl. een die goed werkt? (Eén neerlandistiek sluit hier in geen geval onderlinge verschillen in de aanpak en doelstellingen uit. Het ligt voor de hand dat men een neerlandicus in - zeg maar - Moskou anders moet opleiden dan een in bijv. Münster. En uit de relazen van onze Poolse studenten die uit de Lage Landen terugkeren, concluderen we dat er duidelijke verschillen zijn tussen de neerlandistiek in Groningen, Leiden en Gent.)

Hoe langer ik erover nadenk des te storender ik de beide termen "extra-" en "intramuraal" vind. Is het niet zo dat mét het gebruik hiervan een soort "optisch bedrog" in stand gehouden wordt alsof er twee neerlandistieken zouden zijn? Wordt daarmee niet bedoeld: de eerste en tweede divisie? De wederzijdse relatie doet soms denken aan de postkoloniale situatie van metropool en periferie, alhoewel het woord "muur" in de omschrijving van de positie van een neerlandicus eerder het beeld van de middeleeuwse steden oproept: binnen de stadswal staan huizen van de ambachtslui, buiten de muren wonen de prutsers die vanwege de kwaliteit van hun werk en de prijs die ze hiervoor vragen geen kans maken om in gilde opgenomen te worden. Volgens dit concept zijn alleen de Lage Landen een plaats voor dé neerlandistiek; daar wordt het vak als volwaardige en serieuze discipline bedreven.

"Intramuraal" en "extramuraal" zijn automatisch vrijwel uitgegroeid tot waardeoordelen. Binnen de muren, in het centrum, wordt het echte vak uitgeoefend, buiten de muren een door de aanpassing aan de plaatselijke behoeften verwaterde versie daarvan. Dat is misschien cru gesteld en niet iedereen zal deze opvatting onderschrijven. Maar het blijkt maar al te vaak dat die opvatting bestaat, geen hersenspinsel is. Degenen onder ons die in de Lage Landen hun artikelen in de vakperiodieken publiceren, weten uit eigen ervaring dat je wetenschappelijke bijdrage geweigerd wordt als je onderzoek niet beantwoordt aan de maatstaven van wat momenteel in de Nederlanden als geldig discours beschouwd wordt, als je niet de taal praat van de ene of andere recensent of naar de mond van een redactielid spreekt.

De buitenlandse neerlandici daarentegen - dankzij een andere culturele bagage en dikwijls alternatieve methodologische voorkeuren - kunnen aan het onderzoek een vernieuwende optiek verschaffen. In intellectueel opzicht betekent het outsiderperspectief de kans om dingen te zien niet zoals ze zijn, maar zoals ze tot stand zijn gekomen. De buitenstaander beschouwt de situaties als contingent, niet als onafwendbaar, als resultante van een reeks historische keuzes, als door mensen gevormde maatschappelijke realiteiten, en niet als natuurlijk of door god gegeven en daarom onveranderlijk, permanent, onherroepelijk. (Said 1995:80)

Helaas wordt dit in het Nederlandse taalgebied niet altijd erkend en benut. De extramuralen - zowel taalkundigen als ook letterkundigen - worden wel geaccepteerd als ze aan vergelijkend onderzoek doen. Dat kunnen de intramurale neerlandici niet, daar wagen ze zich niet aan, zodat met betrekking tot deze brakke grond geen claims worden ingediend. Anders is het gesteld als je als buitenlander in de warande van de "serieuze" neerlandistiek wroet en bijv. binnen de literatuurwetenschap en literatuurgeschiedenis aan interpretatieve handelingen begint.

Het is voor de meeste neerlandici in België en Nederland vanzelfsprekend dat ze in een bepaald taalgebied geboren zijn en in de meeste gevallen op dat terrein hun leven doorbrengen. Het Nederlands (zowel taal als literatuur of diverse andere cultuuruitingen waar het met taal verbonden tekensysteem van belang is) is voor hen het belangrijkste werktuig voor de intellectuele activiteit. Het gebruik van de nationale taal staat niet ter discussie, ook omdat er voor de Vlaamse en Nederlandse neerlandicus geen alternatief is.

De extramurale neerlandici tonen vaak geen hogere graad van zelfverzekerdheid in het vak. Geen wonder - de meesten van ons beginnen nu eenmaal hun eerste woorden in het Nederlands uit te spreken als we tussen 18 en 20 jaar oud zijn; dus zijn we - volgens verschillende deskundigen op het gebied van het vreemdetalenonderwijs - bijna te oud voor het aanleren van een vreemde taal. Dit gevoel van onzekerheid wordt later versterkt door de geringe aandacht in de Lage Landen voor onze wetenschappelijke activiteiten. De probleemstelling in het door ons ingestelde onderzoek is dikwijls anders dan in de intramurale neerlandistiek. Niet beter of slechter, niet correcter of incorrecter, maar gewoon anders. Deze alternatieve probleemstelling - als dat überhaupt een constatering waard wordt gevonden - wordt niet zelden afgedaan met de woordjes "niet relevant". Slechts enkelen in de Lage Landen leggen een levendige belangstelling aan de dag voor de verrijking die een andere optiek in de wetenschap met zich meebrengt.

Voor zover ik kan constateren, nemen de germanisten in het Duitse taalgebied en de anglisten in de Angelsaksische wereld vaker notitie van het werk en de prestaties van hun collega's die geen moedertaalsprekers zijn dan de Vlaamse en Nederlandse neerlandici dit doen. Dit zou men intra muros op den duur ook moeten inzien: onze andere "background" is geen tekortkoming of onvolkomenheid.

De extramurale neerlandici kunnen zichzelf moeilijk legitimeren. In hun contreien zijn ze als neerlandici zelfs met één oog koning in het land der blinden; toch worden ze in de praktijk gemarginaliseerd omdat ze in kleine vakgroepen werken. Grotere belangstelling binnen en buiten hun universiteiten wekken ze soms - zoals wij in Wroclaw - bij gelegenheden zoals het staatsbezoek van koningin Beatrix (in 1997) of koning Albert (1999). Het ontstaan van de dochterverenigingen van de IVN in diverse regio's is niet alleen te verklaren door de groeiende behoefte aan samenwerking in regionaal verband of door gebrek aan andere mogelijkheden tot verwoorden van eigen problemen en verdedigen van eigen belangen. Zulke initiatieven zijn ook te begrijpen als een wijze waarop neerlandici onder mekaar aan hun manier van doen en laten een soort legitimering verlenen die ze in de Lage Landen niet altijd krijgen.

Zoals u ziet concentreer ik me vooral op de relatie tussen extra- en intramurale neerlandistiek. Maar de kwestie van de legitimering nodigt uit om even over instanties uit te weiden. Want het zijn niet alleen wetenschappelijke autoriteiten die je al dan niet erkenning geven. Om voor een deskundige door te gaan, moet je door de bevoegde autoriteit bevoegd worden verklaard; zij leert je de juiste taal spreken, onderricht in het citeren van de juiste autoriteiten en het afbakenen van het juiste domein (Said 1995:96-95). De extramurale neerlandicus is soms helemaal overgeleverd aan beleidsdoelen van de instellingen die de logistieke kant van de academische opdracht (het beoefenen van de didactiek en wetenschap) behoren veilig te stellen, maar in wezen zichzelf centraal stellen. Ik doel hier bewust op zowel de Nederlandse en/of Vlaamse instanties, maar ook op instellingen in de landen van herkomst.

De neerlandistiek is aan een nieuwe identiteit toe

U herinnert zich stellig het congres in Leiden 1997 waar de algemene zorg tot uiting kwam dat neerlandistiek geen eenheid meer vormt zoals vroeger het geval was en dat het specialisme te ver gaat. Na afloop was het voor menig deelnemer duidelijk dat de neerlandistiek een identiteitscrisis doormaakt en dat men aan een herdefinitie van de taken en functies van de neerlandicus toe is.

Het Leidse concilium concentreerde zich hoofdzakelijk op de inhoudelijke ontwikkeling in verschillende deeldisciplines. Naast de onmiskenbaar negatieve kanten van groeiende specialisatie wil ik bij deze gelegenheid de uitwassen van het professionalisme vermelden, die overal, dus ook in de Lage Landen, merkbaar zijn. Ik noem dit omdat dit verschijnsel de relatie tot en met de extramurale neerlandici in sterke mate bepaalt.
Deze uitwassen van het professionalisme houden verband met de veranderende positie van de wetenschappers en misschien intellectuelen in het algemeen. Ik bedoel dat wat Edward Said beschrijft als: "dat je je intellectuele werk beschouwt als iets dat je doet voor de kost, van negen tot vijf, met een schuin oog op de klok, en het andere oog gericht op wat als fatsoenlijk, professioneel gedrag wordt beschouwd - niet dwars liggen, niet afdwalen tot buiten de algemeen aanvaarde paradigma's of grenzen, zorgen dat je goed in de markt ligt en bovenal presentabel bent, en dus onomstreden, apolitiek en 'objectief'." (Said 1995:93)

De uitspraken van de auteur van het boek The Last Intellectuals (1987), Russell Jacoby, parafraserend kan men vragen: is de hedendaagse neerlandicus in de Lage Landen niet dikwijls een kamergeleerde met een vast inkomen en een belangrijke positie binnen de maatschappij? Iemand die stellingen produceert die politiek correct zijn, artikelen en boeken vervaardigt die dienen om zijn academische positie te verbeteren en nog zekerder te maken, niet om maatschappelijk relevante veranderingen tot stand te brengen? (zie Said 1995:89)

Het specifieke van de neerlandistiek in het buitenland

Dit zijn zeker problemen die de neerlandistiek teisteren en een basis vormen voor het zoeken naar een nieuwe identiteit. Maar opvallend genoeg betrof de jeremiade over de voorbije eenheid van de neerlandistiek niet de indeling in "intra-" en "extramurale" neerlandistiek.

Tijdens een discussiebijeenkomst in Leiden zat ik samen met twee Zuid-Afrikaanse collega's met wie ik af en toe de discussie becommentarieerde; nadien heb ik nog met de vakgenoten uit de Midden-Europese regio gesproken. En al mijn gesprekspartners vonden dat de verwoorde kwestie wel een specifiek probleem van de professie van de neerlandicus vormt maar uitsluitend in de Lage Landen omdat dit zeker niet hét probleem van de extramurale neerlandistiek is.

Men vond overigens de keuze van de aan dit panel deelnemende partijen niet representatief (louter Nederlanders en Vlamingen met een enkele Amerikaan, die trouwens alles deed om niet als een vijgenblad te fungeren, maar hij was in een onmogelijke positie). Menige extramurale neerlandicus verwonderde zich er later over dat men met het woord "neerlandistiek", dat toen veelvuldig gebruikt werd, bijna uitsluitend de studie in Nederland en Vlaanderen bedoelde, en dit voor het gehoor bestaande uit bijna uitsluitend buitenlandse neerlandici. Was dit een staaltje van de interculturele aanpak?

Natuurlijk zijn wij geïnteresseerd in de binnen-Nederlandse ontwikkeling van het vak, maar dag in dag uit houden andere problemen ons bezig en graag wilden we wat meer bezinning op mogelijke hulp en samenwerking. Ten tweede kan men zich afvragen of de uitgesproken diagnose werkelijk juist was. Want men ziet ook een andere tendens zich aftekenen. Bijv. in het buitenland komt het tot verwetenschappelijking en in de Lage Landen worden diverse componenten van de taalbeheersing in het kader van zakelijk Nederlands of communicatiekunde steeds belangrijker. Op sommige plaatsen groeien dus verschillende deeldisciplines van de neerlandistiek naar elkaar, misschien zelfs in een veel grotere mate dan in het verleden.

De Leidse klachten over de vermeende vervlogen eenheid van de studie Nederlands die steeds meer afbrokkelt en in aparte specialismen uiteenvalt, klonken in onze oren een beetje vals. Juist het extramurale deel - louter vanwege de aard van de studie - behield de innerlijke entiteit waarschijnlijk meer dan het intramurale. De buitenlandse neerlandistiek behoudt nog steeds de oorspronkelijke eenheid van taal, literatuur en cultuur. En is van nature interdisciplinair. Het kan trouwens moeilijk anders, om diverse redenen. Dikwijls worden de docenten als het ware genoodzaakt om verschillende types colleges te geven. Dit is heel lastig maar houdt ons tegelijkertijd in een toestand van waakzaamheid. Ondanks voortschrijdend specialisme kunnen wij ons niet permitteren om een enkele discipline te beoefenen en moeten wij regulier aan de neerlandistische tienkamp deelnemen. Zo'n tienkamp geeft de eenheid van de neerlandistiek weer en verschaft haar atletische sterkte.

De oorzaken zijn simpel: de aantallen (zowel van de studenten als van de docenten) zijn anders dan in het taalgebied zelf; de aard van elke filologische studierichting in het buitenland verschilt van de aanpak die in het taalgebied wordt toegepast.

Om de bijzondere positie van de neerlandistiek bijvoorbeeld in Polen duidelijker te maken, zou je in de Lage Landen een Polonistiek moeten zien te vinden die een volwaardige afstudeerrichting is met enkele tientallen studenten. Maar bij mijn weten maakt de studie van het Pools in Nederland en Vlaanderen altijd deel uit van de Slavistiek - zoals het Nederlands in Polen in de jaren zeventig en tachtig in het kader van de studie van Germaanse talen werd gedoceerd. En de verhouding tussen het aantal sprekers (en dus bijgevolg de grootte van de markt) is twintig miljoen Nederlandssprekenden en twee keer zo veel Poolssprekenden.

Vals klonk ook de diagnose betreffende de ontwikkeling van de neerlandistiek waarbij geen aandacht aan de evolutie in het buitenland werd geschonken. Hoe was het mogelijk dat het de sprekers bij het overzicht van de 200 jaar studie Nederlands gelukt is met geen enkel woord te reppen over de verheugende ontwikkelingen in het buitenland - was dat de interculturele benadering, let wel, voor een gehoor bestaande hoofdzakelijk uit extramurale neerlandici!?

En wat was het meest karakteristieke aspect in de ontwikkeling van de neerlandistiek in de 20ste eeuw, een noviteit die in de tweede helft van deze eeuw de kwantiteit en kwaliteit van de bestudering van het Nederlands veranderde? Ik denk dat dit juist de groei van de neerlandistiek in het buitenland was.

In de jaren negentig kwam het in Midden- en Oost-Europa tot een opmerkelijke verwetenschappelijking in het werk van de bestaande centra voor neerlandistiek. Er werden ook nieuwe docentschappen opgericht en de studie van het Nederlands werd verheven tot hoofdvak en afstudeerrichting.

Over de groei van de neerlandistiek in de regio wil ik niet verder uitweiden. Die is gewoon een feit. Dat we (zoals nu) regelmatig bij elkaar komen en onze eigen vereniging hebben, toont dit overduidelijk aan. Deze ontwikkeling valt eveneens te constateren in andere regio's. Wie meer daarover wil weten verwijs ik naar de officiële stukken van de Nederlandse Taalunie die in haar beleid met het recordtempo van deze nieuwe ontwikkeling aan diverse buitenlandse universiteiten rekening heeft moeten houden.

Nogmaals over de identiteit

Ik heb zojuist over de behoefte aan een nieuwe identiteit bij de intramurale neerlandici gesproken. Dit lijkt me een goed moment om ook te vragen: wie zijn de extramurale neerlandici voor hun intramurale collega's? En zíjn ze collega's, want deze term impliceert een soort partnerschap? Wie zijn wij voor de overheidsinstanties en gewone mensen in de Lage Landen?

Zijn we - om de even bekende als dubieuze term te hanteren - "onbezoldigde ambassadeurs" van de Nederlandse cultuur? Of nog een onderdeel bij de post cultuur van de sowieso al overladen begroting? Het is niet waar dat de extramurale neerlandistiek geld kost. Wat wel geld kost is de promotie van de Nederlandse cultuur in het buitenland. En als dit door de politiek tot een prioriteit gerekend wordt, kan gebruik worden gemaakt van de steunpilaren in het buitenland die de extramurale neerlandici zijn. Een stelletje bizarre mensen die in plaats van in de grote talen de zekerheid van hun broodwinning te zoeken van de gebaande wegen zijn afgedwaald en voor het Nederlands hebben gekozen.

Wat neerlandici in het buitenland nodig hebben

Er worden verschillende talen gedoceerd en op een universitair niveau bestudeerd, zelfs talen die dood zijn of geen status van officiële taal genieten. Hun studie in het buitenland maakt weliswaar geen kans op steun vanuit het taalgebied, maar dit betekent eveneens dat men het filologische vak kan praktiseren zonder contacten met het taalgebied of zonder dat het taalgebied überhaupt bestaat (neem als voorbeeld Latijn of Sanskriet).

In het geval van het Nederlands kennen we eveneens een periode uit het verleden toen geen of nauwelijks contacten met de Nederlanden bestonden. Bijv. de studie Nederlands in de Sovjet-Unie bleef om politieke redenen decennia lang geïsoleerd, zomercursussen voor de Russische studenten, om niet te spreken van beurzen en studieverblijven, werden sterk gereglementeerd en toch wisten ze daar heel redelijke resultaten in de taalverwerving te bereiken. In het algemeen zijn de contacten van de regio met de Lage Landen uit de jaren zestig en zeventig helemaal niet te vergelijken met de huidige. Alles hangt af van de manier waarop een bepaalde taal gedoceerd en bestudeerd wordt, van het doel van de studie of het aangenomen profiel van de afgestudeerden.

Maar wij kunnen gerust stellen dat, gezien de huidige brede aanpak van de studie Nederlands in het buitenland contacten met Vlaanderen en Nederland van groot belang zijn, geen neerlandicus in het buitenland honderd procent selfsupporting is. En omdat er maar één neerlandistiek is, is de verandering van de relatie tussen de neerlandici onder elkaar van onschatbare waarde voor de verdere ontwikkeling binnen het vak.

Met dit optreden wil ik in eerste instantie het probleem bespreekbaar maken en mijn diagnose stellen. Het is niet mijn doel om met kant-en-klare antwoorden te komen. Toch wil ik nog sterk benadrukken dat de laatste ontwikkelingen binnen de intramurale neerlandistiek erop wijzen dat men nu ontvankelijker is voor nieuwe ideeën dan tot voor kort. Ik doel hier zowel op de nieuwe aanpak, bijv. binnen de literatuurwetenschap en literatuurgeschiedenis, waardoor lang gemarginaliseerde verschijnselen tot hun recht beginnen te komen, als ook op de bezinning omtrent de identiteit van de neerlandicus. En gezien de ontwikkelingen binnen de extramurale neerlandistiek in de laatste tien jaar hoop ik dat het mogelijk zal zijn samen een nieuwe verstandhouding uit te werken. De oplossingen moeten gezamenlijk gezocht worden. En gevonden.

Bibliografie:

  • Brems, Hugo & Elshout, Gerard e.a. (red.) 1998. Nederlands 200 jaar later. Handelingen Dertiende Colloquium Neerlandicum, Leiden, 24-30 augustus 1997, Woubrugge: IVN.
  • Jacoby, Russel. 1987. The Last Intellectuals. American Culture in the Age of Academe, New York: Basic Books.
  • Said, Edward W. 1995. Manifestaties van de intellectueel, Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas.


[Dit nummer]