0008.09 Terug
Vooruit 0008.11

Rec: 0008.10

Date: Sun, 13 Aug 2000 13:45:25 +0200
From: Marc van Oostendorp <Marc.van.Oostendorp@Meertens.KNAW.nl>
Subject: Rec: 0008.10: Jo Daan: te vlug en te modern. Bespreking door Marc van Oostendorp van: Jo Daan. Geschiedenis van de dialectgeografie in het Nederlandse taalgebied. Rondom Kloeke en het Dialectbureau. Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen, Amsterdam, 2000.

Jo Daan: te vlug en te modern

Bespreking van: Jo Daan. Geschiedenis van de dialectgeografie in het Nederlandse taalgebied. Rondom Kloeke en het Dialectbureau. Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen, Amsterdam, 2000. Bestelinformatie: #31-(0)20-5510780, of edita@bureau.knaw.nl.
In de jaren dertig bracht Jo Daan enkele maanden in de Wieringermeerpolder door. Zij denkt zelf nu dat deze periode van haar "de dialectoloog gemaakt [heeft] die ik ben geworden": een onderzoeker die zich afzette tegen de gedachte dat een echte geleerde nooit uit zijn studeerkamer kwam en daar ook alleen geschriften bestudeerde, nooit het gesproken woord. In plaats daarvan wilde Daan met de mensen zelf spreken, en hun woorden niet alleen op papier, maar ook op band vastleggen. "De taal kwam hier [in de Wieringermeer] los van het papier en werd een element in het functioneren van mensen."

In haar onlangs verschenen boek "Geschiedenis van de dialectgeografie in het Nederlandse taalgebied. Rondom Kloeke en het Dialectbureau" bespreekt Jo Daan de begintijd van de dialectgeografie in Nederland, vanaf de jaren dertig tot de jaren zestig. Als geschiedsschrijver beschikt ze over dezelfde eigenschap die haar als dialectoloog kenmerkt: iemand met open ogen en oren en grote belangstelling voor en inzicht in het karakter en het functioneren van de mensen met wie ze gewerkt heeft. Haar boek is, vind ik, een psychologisch juweeltje geworden, een bron voor generaties van toekomstige wetenschapshistorici.

Vermetele dwalingen

Een belangrijke rol in het boekje speelt het conflict tussen de geleerden J. van Ginneken en G.G Kloeke, dat begon rond de oprichting van het Dialectenbureau -- de voorloper van het Meertens Instituut. Volgens Daan was dit conflict onder andere te wijten aan een groot verschil in karakter tussen de beide mannen. Aan de ene kant stond Van Ginneken, de man van de grote gebaren, van de wens om de taalkunde te bevruchten met ideeën uit de psychologie, de biologie, de sociologie, en wat-niet-al, maar die daarbij niet schroomde om af en toe wat gegevens uit een onduidelijke bron over te nemen, of zijn bronnen helemaal niet te vermelden. Aan de andere kant was er de veel jongere Kloeke die zich altijd baseerde op nauwgezet eigen veldwerk en die als geleerde en als mens correct en betrouwbaar was.

Toen het Dialectenbureau in 1930 werd opgericht, verwachtte iedereen dat Kloeke de directeur zou worden. Kloeke had in alle opzichten de basis voor het bureau gelegd en was ook wetenschappelijk de geschiktste kandidaat. Toch kreeg hij de baan niet, omdat het rijk geen 10.000 maar slechts 2.500 gulden subsidie ter beschikking stelde. Voor een dergelijk gering bedrag kon men geen 'geleerde van naam' zoals Kloeke aanstellen; in plaats daarvan werd de jonge, minder veeleisende P.J. Meertens aangesteld.

Tot nu toe ging men ervan uit dat de commissie wel 10.000 gulden had aangevraagd, maar dat de overheid eigenhandig op dat bedrag had gekort. Daan onthult echter dat Van Ginneken er voor gezorgd heeft dat er nooit meer dan 2.500 gulden is aangevraagd en dat hij op deze manier Kloeke bewust dwarsgezeten heeft. Kloeke zelf zou haar eind jaren vijftig een briefkaart hebben laten zien waarop de hoogleraar J.H. Kern, die bij de onderhandelingen betrokken was geweest, een en ander in vertrouwen meedeelde. Van Ginneken had trouwens in 1930 in zijn boek De oorzaken der taalverandering ook al een sneer ('vermetele dwalingen en onmethodische willekeur') uitgedeeld naar Kloekes boek De hollandsche expansie.

Een biertje drinken

Volgens Daan is het malicieuze gedrag van Van Ginneken te begrijpen uit 'machtsbegeerte' en het feit dat hij ook wel inzag dat Kloeke een sterker dialectoloog was dan hijzelf. Ze geeft toe dat ze niet kan verklaren hoe het kan dat Van Ginneken verder nauwelijks methodologische invloed heeft gehad op het werk van het dialectenbureau. Inhoudelijk gezien heeft Kloeke achteraf alsnog gewonnen: bij alle taalkundigeatlasprojecten die in ons taalgebied zijn uitgevoerd, hebben de ideeën van Kloeke een belangrijker rol gespeeld dan die van Van Ginneken. Een deel van de verklaring ligt er misschien in dat zelfs Van Ginnekens eigen studenten niet al zijn ideeën even serieus namen. "Enige jaren [na 1935] hoorde ik van enkele studenten over de manier waarop hij met hun hulp materiaal [voor het boek Ras en Taal] verzameld had. Zoals ze het uitdrukten: 'We wisten wat we volgens Van Ginneken moesten vinden en vonden dat'. [...] Enkelen hebben daaraan toegevoegd, dat ze zelfs niet gingen zoeken, maar in plaats daarvan een biertje gingen drinken."

Aardig is dat Daan aan de ene kant vrij duidelijk laat blijken bij wie haar sympathie in deze conflicten lag -- bij Kloeke -- maar dat ze van alle betrokkenen de positieve én de negatieve kanten beschrijft, op een uitermate levendige manier.

Een brutale Amsterdamse meid

Over Van Ginneken zegt Daan bijvoorbeeld nogal wat onaardige dingen -- ze noemt hem bot, onbeschaafd en ijdel en vertelt dat hij haar eens 'een brutale Amsterdamse meid' noemde, "waarmee hij bewees geen notie van Amsterdamse brutaliteit te hebben" -- maar tegelijkertijd wijst ze ook op zijn inzichten, op het feit dat veel van zijn studenten hem een inspirerend docent vonden, en dat hij als jezuïet in het protestante Nederland van de jaren dertig waarschijnlijk veel weerstand ontmoette.

Daans sympathie ligt echter overduidelijk bij Kloeke. Ze wijst er zelfs op dat Kloekes achtergrond en zijn motieven om dialectoloog te worden gedeeltelijk overeenkwamen met de hare. Ik denk dat ze bovendien iets herkende in de manier waarop hij door de veel minder deskundige Van Ginneken en Meertens aan de kant werd gezet. Daar staat dan weer tegenover dat ze niet blind is voor het feit dat Kloeke na de oorlog (tijdens welke hij als gijzelaar in St. Michielsgestel vastzat) nooit meer zo'n sterk en belangrijk werk als De hollandsche expansie heeft voortgebracht.

Op afbetaling

Ook van Meertens tekent Daan een genuanceerd psychologisch portret. Volgens haar wist hij veel minder van het vak dan hij deed voorkomen, en was hij er ook niet echt in geïnteresseerd. Hij had als directeur nauwelijks gezag en leed aan bijna ziekelijke minderwaardigheidsgevoelens. Onmiddellijk na de oorlog had hij graag een keer van Amsterdam naar Middelburg willen teruggaan, maar hij durfde dat niet zolang hij geen goede schoenen had. Hij was bang dat ze in Middelburg zouden zeggen: 'Nou, van die jongen van Meertens is ook niets terechtgekomen.' Daarom heeft hij eerst de hele stad ondersteboven gekeerd om maar aan nieuwe schoenen te komen. Terwijl hij op dat moment echt al een vooraanstaande figuur was. Aan de andere kant prijst ze Meertens herhaaldelijk om zijn inzet, plichtsbetrachting en nauwkeurigheid.

Er zullen vast lezers van dit boekje zijn die het veel meer om Meertens te doen is dan om Kloeke en Van Ginneken. Veel van zulke lezers zullen ook de naam Voskuil in het register opzoeken en dan teleurgesteld zijn omdat er over hem slechts één ding verteld wordt. Maar dat is dan ook voor de liefhebber meteen een fraai verhaal over bandrecorders. Toen het eerste opnameapparaat van de afdeling Dialectologie wat uit te tijd raakte, moest men op zoek naar iets nieuws. "Het werd een Revox die veel beter, maar ook veel zwaarder was en zonder auto niet vervoerbaar was. Ik kocht, op afbetaling, een autootje, want het Dialectenbureau had er geen geld voor. De aanschaf van een bandrecorder door de afdeling Dialect had blijkbaar indruk gemaakt, want toen Voskuil, die niet kon en niet wilde autorijden, ook ging opnemen, kreeg de Volkskunde-afdeling een semi-beroepsrecorder die veel duurder was, maar licht genoeg om te dragen. Het Dialectenbureau mocht die niet lenen".

De tweetalige mens

Toch valt er vooral over de geschiedenis van het vak veel te leren uit dit boek. Bij de recente huldigingen van Daan ter gelegenheid van haar negentigste verjaardag werd herhaalde malen gesuggereerd dat zij degene zou zijn die de sociolinguïstiek van Labov naar Nederland gebracht zou hebben. Daan geeft zowel van het belang van Labov als van dat van haarzelf een veel genuanceerder, en volgens mij ook nauwkeuriger, beeld. Ze wijst bijvoorbeeld volkomen terecht op het vrijwel vergeten proefschrift De tweetalige mens van Nuijtens uit 1962, dat de belangstelling voor dit soort onderzoek preludeerde.

Er zijn ook wel dingen die ik mis in het boek. Alle door Daan beschreven personen zijn mannen. Ik had wel graag iets willen lezen over hoe het was om als vrijwel enige vrouw in die tijd in dat gezelschap te verkeren. En vooral had ik wel graag meer willen lezen over vrouwen als Louise Kaiser, de fonetica van wie Daan nog college heeft gehad, of A.R. Hol, die Daan toch ook goed gekend moet hebben.

Ook over Daans eigen loopbaan kom je uit dit boekje niet heel veel te weten. De dingen die ze over zichzelf vertelt zijn meestal indirect. Ze vertelt wat de door haar beschreven personen over haar zeiden, zoals in het citaat over de Amsterdamse meid van Van Ginneken, of wanneer ze vertelt hoe Meertens over haar schreef "dat ik te vlug en te modern was en dat hij mij daarin moest remmen".

Marc van Oostendorp
Marc.van.Oostendorp@Meertens.KNAW.nl


[Dit nummer]