|
Col: 0009.14
Date: Mon, 04 Sep 2000 14:56:40 +0200
From: Willem Kuiper <willem.kuiper@hum.uva.nl>
Subject: Col: 0009.14: Column Willem Kuiper, no. 51: De doofpot van
Jacob
Column Willem Kuiper, no. 51:
De doofpot van Jacob
Of Jacob van Maerlant bij zijn leven al bekend stond om zijn
waarheidslievendheid, weten wij niet, maar zeker lijkt dat hij die faam
in de loop van de veertiende eeuw krijgt. Voorop in de rij roemers gaat
de Brabantse clerc-auteur Jan van Boendale (Ter Vuren 1279-Antwerpen ca.
1350). Uit de manier waarop Jan - die de laatste dertig jaar van zijn
leven secretaris van de wereldstad Antwerpen was - naar Jacob verwijst,
leid ik af dat hij hem niet persoonlijk gekend heeft. Jan kende Jacob
enkel uit zijn werk, en dan met name uit Jacobs vertaling van de
Historia Scolastica van Comestor en het Speculum Historiale
van broeder Vincent. Naar deze twee meesterwerken verwijst hij in
respectievelijk Der Leken Spiegel, boek II, kapittel 84 en de
Brabantsche Yeesten, boek I, regel 25. Geen woord over het
'literaire' werk van Jacob.
In het derde boek van Der Leken
spiegel schreef Jan twee kapittels die wat mij betreft verplichte kost
zijn voor iedereen die Middeleeuwen op het menu heeft staan: Vander
lettren ende vander clerghien (125) en het fameuze Hoe dichtren
dichten selen ende wat si hanteren selen (126). In het laatste
kapittel verleent Jan aan Jacob de eretitel "vader der dietscher dichtren
algader" (r. 119-120), en even verderop deelt hij expliciet mee:
| 291 |
|
¶ Noyt men oec en ondervant |
| |
|
Dat Jacob van Merlant |
| |
|
Loghene dichte of voert brochte, |
| |
|
Hoe nauwe datment ondersochte! |
Lezend in Der Leken Spiegel raakt men er snel van overtuigd dat Jan
van Boendale het met de waarheid niet minder nauw neemt dan zijn grote
voorbeeld Jacob van Maerlant. Zo spreekt Jan in niet mis te verstane
woorden zijn banvloek uit over Karel ende Elegast:
| 133 |
|
Men leest dat Karle voer stelen... |
| |
|
Ic segdu al sonder helen, |
| |
|
Dat Karle noyt en stal! |
En over de omstandigheden waaronder Karel verwekt werd:
| 136 |
|
Selke maken oec ghescal |
| |
|
Dat hi Carle hiet die man |
| |
|
Om datten sijn vader wan |
| |
|
Op enen waghen an een dienstwijf |
Wie bekend is met de wereld van de Legenda Aurea weet dat in de
naam van een schepsel het wezen verborgen is. Middeleeuwers waren gek op
etymologie, en Brabanders als Jan van Boendale maakten er veelvuldig
gebruik van. Zo werd Antwerpen herleid tot 'hand werpen', waarbij Brabo
de werper was van de hand van de reus die aan de Schelde van elke passant
als tol diens hand opeiste. Aerschot heet zo omdat Julius Caesar daar een
'aer' (arend) uit de lucht schoot. Zo doorredenerend is het niet
onaannemelijk te veronderstellen dat iemand Karel heet omdat hij op een
kar geconcipieerd werd. Maar omdat het ditmaal om de Grote koning Karel
gaat, is deze duiding ketterij. Karel was immers de vrucht van een wettig
en kerkelijk huwelijk!
| 140 |
|
God die gheve hem onlanc lijf |
| |
|
Die dese loghene dachte, |
| |
|
Ende ierst in plaetsen brachte, |
| |
|
Want Puppijn sijn vader was, |
| |
|
Een heilech man, sijt seker das, |
| 145 |
|
Ende wan Karlen ane sine vrouwe, |
| |
|
Diere hi ghegheven hadde trouwe |
| |
|
Mids der heilegher kerken raet. |
| |
|
Sijn moeder hiet ver Bertraet, |
| |
|
Ende was dochter, wi lesent dus, |
| 150 |
|
Eens keysers hiet Eracleus. |
Maar enkele regels verderop blijkt dat Jan in beginsel wel degelijk
accepteert dat iemand Karel genoemd wordt omdat hij op een kar verwekt
werd, maar dan gaat het om Karels opa, Karel Hamer, waarvan algemeen
bekend was dat hij een buitenechtelijk kind was:
| |
|
¶ Sijn oudervader, wildijt weten, |
| |
|
Was Karle Marteel gheheten, |
| |
|
Ende was in overspele ghewonnen, |
| |
|
Maer wi niet gheweten en connen |
| 155 |
|
Weder op karre oft op waghen. |
| |
|
In hoerets noyt boeke ghewaghen... |
Deze passage is wat mij betreft - onbedoeld, want Jan is bloedserieus -
de meest hilarische uit de hele Middelnederlandse literatuur, en het
levende bewijs dat ook waarheidsaanbidders als Jan van Boendale er twee
maten op na hielden.
| 291 |
|
¶ Noyt men oec en ondervant |
| |
|
Dat Jacob van Merlant |
| |
|
Loghene dichte of voert brochte, |
| |
|
Hoe nauwe datment ondersochte! |
Nu is Jacob zelf de eerste om toe te geven dat hij in het begin van zijn
carrière onwaarheden verkondigde, maar ook toen hij tot inkeer
gekomen was, hield hij zich niet aan de waarheid, de gehele waarheid en
niets anders dan de waarheid. Dat zou ook volstrekt ongebruikelijkheid
geweest zijn voor de tijd waarin hij leefde. Waarheid was immers een
middel, geen doel.
In zijn Vierde Partie van de Spiegel Historiael vertelt Jacob op
basis van het Speculum Historiale van broeder Vincent het
ontroerende verhaal na van het exemplarische vriendenpaar Amijs en Amelis.
Het verhaal zoals dat gedurende de Middeleeuwen de ronde deed, is van
Italiaanse komaf, maar de werkelijke oorsprong zal nog verder weg liggen.
Het gaat over de zoon van een graaf en de zoon van een ridder, die op
dezelfde dag geboren zijn en daarom als twee druppels water op elkaar
lijken. Dat was normaal gedurende de Middeleeuwen, denk maar aan Floris
en Blancefloer. De zoon van de ridder wordt Amicus genoemd, Amijs in het
Middelnederlands, wat vriend betekent. De zoon van de graaf heet Amelius
(Amelis in het Middelnederlands), wat 'de betere' betekent. Sprekende
namen: de 'betere' is in rang namelijk hoger dan de 'vriend'.
Om een lang verhaal kort te maken,
beiden komen na nogal wat meegemaakt te hebben aan het hof van Karel de
Grote en worden daar bedacht met twee hoge functies. Amijs wordt tresorier
en Amelis drussaat. Karels liefde voor beiden vervult anderen met grote
jaloezie. Als Amijs toestemming gekregen heeft om na twee jaar afwezigheid
zijn vrouw te bezoeken, geeft hij de achterblijvende Amelis het dringende
advies op zijn hoede te zijn voor zowel Karels dochter Belicente als de
verradelijke hofmaarschalk Harderic. Wijze woorden, maar aan dovemansoren
gericht. Amijs is bij wijze van spreken nog niet uit zicht of Amelis neemt
Karels dochter - met haar volledige instemming - te grazen, en daarbij
gaat het er zo luidruchtig aan toe dat de op het vinkentouw zittende
Harderic hen betrapt.
Zo staat het niet in exact in Jacobs
Speculum, maar van dit verhaal doen meerdere versies de ronde, die
alle een eigen voorstelling van zaken geven, waarin het gedrag van Amelis
vergoeilijkt wordt. Zeker lijkt dat broeder Vincent op de hoogte is met
andere volkstalige versies. Hij situeert het verhaal namelijk niet in
Italië, maar in Frankrijk. Berico werd naar 's lands gelegenheid
verfranst tot Berry en Averna tot Auvergne. Ook speelde het
oorspronkelijker verhaal zich niet af aan het hof van Karel de Grote, maar
aan dat van een naamloze krijgsheer. Omdat Amijs en Amelis hun leven als
heiligen eindigen, zijn ze de wereld van de eveneens als heilige
eindigende Karel de Grote ingeschreven.
Natuurlijk ontkent Amelis in alle toonaarden dat hij Karels dochter
onteerd heeft, en biedt hij aan dit in een tweegevecht annex Godsoordeel
te bewijzen. Moeder en dochter kiezen partij voor de aangeklaagde Amelis
en staan met hun leven borg voor Amelis' vertrek naar Amijs. Die is
natuurlijk woedend, maar vriend genoeg om hem te helpen. In de gedaante
van Amelis begeeft hij zich naar het hof en in het krijt, zweert daar naar
waarheid dat hij Karels dochter met geen vinger aangeraakt heeft, en maakt
de verrader Harderic letterlijk een kop kleiner. De opgeluchte vorst wil
nu niets liever dan dat er een huwelijk gesloten wordt tussen de
succesvolle uitdager en zijn dochter. Wat hem betreft kan dat huwelijk
dezelfde dag nog gesloten worden en kan die nacht de bruid beslapen
worden. Een grote zorg minder!
Maar niet voor Amijs... Die is namelijk
gehuwd, en als hij straks - en ik heb uit de literatuur begrepen dat zo
iets in het bijzijn van getuigen gebeurde - de bruid beslapen moet, pleegt
hij bigamie. En mocht hij zelf al niet op die gedachte gekomen zijn, dan
is er nog een engel Gods die hem dit in een visioen meedeelt, en hem als
straf voor het negeren van het gebod binnen twee jaar lepra garandeert.
Amijs moet er niet aan denken dat hij een melaatse zal worden, en ook
begrijpt hij heel goed dat hij in de ogen van de Heer zwaar zondigt als
hij Karels dochter beslaapt, maar ... God is pas echt belangrijk als je
dood gaat. Zolang je leeft, heb je met mensen te maken. En aangezien de
mens een wolf is voor zijn medemens, zijn wereldlijke eer en reputatie
belangrijker dan de zonde der bigamie, en kan Frank de Boer een
voorbeeld nemen aan de manier waarop Amijs zich van zijn taak kwijt.
Broeder Vincent, voor wie - of voor de destinaris koning Lodewijk de
Heilige - deze episode uit het leven van de latere heiligen ook een
tikkeltje te wild was, laat de boodschap van de engel achterwege, en
expliciteert de bigamie niet, maar uit de context blijkt wel degelijk dat
hij het gebeuren bekend veronderstelt. Hij vervolgt zijn relaas namelijk
met 'Amicum vero cum uxore sua manentem percussit Deus morbo lepre', wat
zoveel betekent als: Toen Amijs weer bij zijn eigen vrouw woonde, sloeg
(strafte) God hem met de ziekte lepra.
Jacob echter grijpt in. Hij stelt Amijs
in de gelegenheid terug te keren naar zijn huis, daar Amelis het goede
nieuws te brengen, wederom van rol te wisselen, en pas de volgende dag het
huwelijk te laten voltrekken (kap. 78):
| |
|
Amelis keerde vro ende blide |
| |
|
Ende trouwede naden stride |
| 65 |
|
Belicente, ende voer mede |
| |
|
Wonen in sijn selves stede. |
Maar nu heeft God geen reden meer om Amijs met lepra te slaan, en dus
vervolgt Jacob (kap. 79) heel neutraal met:
| |
|
Na desen dinghen so ghevel |
| |
|
Dat Amijs wart an sijn vel |
| |
|
Altemale lasers al |
| |
|
Ende waer so hi wesen sal |
| 5 |
|
So moetmen heffen ende draghen. |
'Het gebeurde dat Amijs melaats werd en niet meer kon lopen.' Misschien
werd de lezer/luisteraar geacht aan de arme Job denken, die zijn welvaart
en welzijn veranderen zag in armoede en ongeluk?
Vanaf nu kan Jacob het verhaal
voortzetten alsof er niets gebeurd is. Amijs vreest door zijn eigen vrouw
vermoord te worden - die haat jegens hem had opgevat omdat pseudo-Amijs
haar de bijslaap weigerde door in bed een zwaard tussen hen beiden in te
leggen (Amelis had zijn lesje geleerd...), en laat zich naar Amelis
brengen. Daar wordt hij herkend aan de identieke drinkbeker die zij beiden
als cadeau van paus Deusdedit bij hun doop ontvingen en in huis opgenomen.
Dan verschijnt de engel Raphael aan Amijs en deelt hem mee dat hij kan
genezen als zijn lichaam bestreken wordt met het bloed van Amelis'
tweelingzonen. Met tranen in de ogen en een brok in zijn keel onthoofdt
Amelis zijn driejarige kinderen en doet wat de engel gezegd heeft: Amijs
geneest ter plekke. Als Amelis later terugkeert naar de slaapkamer van
zijn kinderen om hen te begraven, vindt hij hen spelend in bed, met een
cirkelvormig rood lidteken rond de hals...
Eind goed al goed. Amijs genezen, Amelis
zijn kinderen terug, en - dankzij Jacob - Karel de Grote behoed voor een
blamage.
Literatuuropgave:
- Amijs ende Amelis. Een middeleeuwse vriendschapssage, naar de
berijming van Jacob van Maerlant tezamen met zijn Latijnse bron uitgegeven
door J.J. Mak. Zwolle 1954.
- Georges Duby, Medieval marriage. Two models from twelfth-century
France. Baltimore etc. 1978.
- Georges Duby, Le chevalier, la femme et le prêtre. Le
marriage dans la France féodale. Paris 1981.
- Willem Kuiper, O.K. Simpson, Neder-L column nr. 20
[9510.12]
- Jean Leclercq, Le mariage vu par les moines au XIIe
siècle. Paris 1983.
- W.M. Verbaal, 'Amijs & Amelis', in: W.P. Gerritsen & A.G.
van Melle (red.), Van Aiol tot de Zwaanridder. Personages uit de
middeleeuwse verhaalkunst en hun voortleven in literatuur, theater en
beeldende kunst. Nijmegen [SUN] 19982.
|