0009.27 Terug
Vooruit 0009.b
Vorig Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgend Miniatuurtje

Col: 0009.28

Date: Tue, 12 Sep 2000 10:48:55 +0200
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 0009.28: Linguïstisch Miniatuurtje LXIX: Hoetie

Linguïstisch Miniatuurtje LXIX:
Hoetie

Van het tegendeel liggen schijnbare tegenvoorbeelden voor het opscheppen, maar het is meestal erg moeilijk om te redeneren over zaken waar je geen verstand van hebt. Zo heb ik bijvoorbeeld in het geheel geen verstand van fonologie, en het lukt me dan ook vrijwel nooit om klankverschijnselen in hun essentie te doorgronden. Toch loop ik zo af en toe tegen een voorbeeldzin aan die mij tot fonologische speculaties dwingt. Dit wordt een lastig miniatuurtje.

Het vervelende is, dat het vaak zo eenvoudig begint. Maar voor je het weet ben je verzand geraakt in een onontwarbare kluwen van redeneringen. Opschrijven helpt wel, maar zelden genoeg. Ik geef een voorbeeld: in het Nederlands is de onderwerpsvorm van het persoonlijk voornaamwoord van de derde persoon enkelvoud altijd 'hij' of 'ie'. De laatste variant komt alleen voor in enclitische vorm: vastgeplakt aan persoonsvorm ('doet-ie') of voegwoord ('omdat-ie'). Die enclitische vorm, is dat een op zichzelf staand woord of een reductie van een ander woord? En in dat laatste geval: is 'ie' dan gereduceerd uit 'die' of uit 'hij'?

Reductie van 'hij' tot 'ie' lijkt me vanuit de fonologie alleen historisch te verdedigen. Er zijn mij uit het hedendaagse Nederlands geen productieve reducties bekend van woorden met 'ij' tot vormen met 'ie' (ik geloof niet dat de uitspraak 'biezonder' voor 'bijzonder' als een tegenvoorbeeld kan gelden, omdat die 'ij' nooit als een diftong uitgesproken wordt). Historisch kunnen 'ij' en 'ie' natuurlijk wel met elkaar in verband gebracht worden, maar onder die verklaring zou het hedendaagse 'ie' een op zichzelf staand woord zijn.

Het woordje 'ie' staat dus op zichzelf, óf het is gereduceerd uit 'die'. Dat laatste zou betekenen dat de stemhebbende dentaal /d/ kan assimileren tot /t/ (bijvoorbeeld bij 'als-tie'), en eventueel wegvallen na een voorafgaande /t/ ('dat-ie') of continuant (/s/, /f/, /x/, /n/): 'of-ie', 'als-ie', 'mag-ie' of 'kan-ie'). Ongeassimileerde vormen als 'hoe-die' ('ik weet niet hoe-die dat gedaan heeft') lijken een extra argument voor deze laatste aanname.

Maar nu blijken er opeens regionale varianten van het Standaardnederlands te bestaan waar men een zin als 'Ik weet niet wie hij bedoelt' gereduceerd uitspreekt als 'Ik weet niet wie-t-ie bedoelt'. Met stemloze dentaal. Ook in zinnen als 'Ik weet hoe-t-ie dat doet' verschijnt onverwacht een intervocale /t/. Deze vormen zijn bekend uit het Zeeuwse, Brabantse en Noord- en Middenlimburgse taalgebied. Waar komt die /t/ ineens vandaan?

De /t/ in 'hoe-t-ie' lijkt niet het gevolg van assimilatie, want de dentaal wordt alleen omgeven door klinkers. Ik denk dat iedere syntacticus met mij de verleiding niet kan weerstaan om een assimilatieverklaring te construeren vanuit een onderliggend voegwoord 'dat' tussen 'hoe' en 'die', ongeveer als volgt: de onderliggende vorm is 'hoe dat die', eerst assimileert /d/ tot /t/ en dan pas valt het voegwoord weg. Natuurlijk uiterst problematisch voor de scheiding tussen syntaxis en fonologie, want het wegvallen van het voegwoord zou geheel binnen de fonologie geregeld moeten worden omdat de assimilatie zeker fonologisch is, maar toch een fascinerende optie.

Onder deze analyse zou 'ie', althans in de regionale variant waar ik het over heb, gereduceerd zijn uit 'die'. Men zou zich af kunnen vragen waarom die assimilatie dan niet plaatsvindt bij het attributieve of gewoon demonstratieve 'die'. Immers, iedereen zal een zin als 'ik weet niet wie die kinderen bedoelen' of 'Ik weet niet wie díe zullen bevallen' met stemhebbende dentaal uitspreken. Dit verschijnsel kunnen we weer wegredeneren vanuit het enclitische karakter van het pronominale 'die': de assimilatie treedt alleen op bij enclise. In feite is daarmee 'ie' toch weer een op zichzelf staand woord geworden, zij het met de onderliggende vorm 'die'.

De aanname van een voegwoord 'dat' tussen 'wie' (of 'hoe') en 'die' is niet zo vreemd: in de syntaxis wordt algemeen aangenomen dat zinnen als 'ik weet niet wie (of) dat hij bedoelt' marginaal acceptabel zijn. Veel minder is dat echter het geval voor constructies met betrekkelijk voornaamwoord 'die'. Een zin als 'Dit zijn de boeken die dat hij gelezen heeft' is in het Standaardnederlands onmogelijk (alhoewel ik op de Vlaamse televisie een constructie als 'de man die dat ik ontmoet heb' wel eens heb waargenomen, ook al lijkt het me geen VRT-Vlaams). In elk geval is de uitspraak 'Dit zijn de boeken die-t-ie gelezen heeft' niet beperkt tot de regio's waar 'die-dat-ie' ook voorkomt.

Er zijn nu volgens mij twee mogelijkheden om de stemloze dentaal te verklaren: ofwel ook tussen betrekkelijk voornaamwoord en 'die' bevindt zich een voegwoord 'dat', dat echter in deze constructie verplicht reduceert tot /t/, ofwel (wellicht alleen in de genoemde regio's) de onderliggende vorm van 'ie' is niet 'die' maar 'tie'. De laatste mogelijkheid lijkt zonder meer de meest absurde.

We zakken nog een eindje verder in de modder weg: behalve achter vraagwoorden of voegwoorden in bijzinsinitiële positie wordt 'ie' achter de persoonsvorm ook vaak gerealiseerd als 'tie': 'Zou-t-ie nog komen?' of 'Toch wou-t-ie nog bellen' (ook vormen als 'kan-tie' en 'viel-tie' zijn in de literatuur genoemd). Let wel, ik heb het hier niet over dialectvormen, maar om regionale uitspraakvarianten van het Standaardnederlands. De aanname van een tussenliggend voegwoord 'dat' is natuurlijk in deze gevallen onmogelijk (alhoewel een slimme generativist misschien nog wel iets met Verb Second kan proberen).

Bij 'zou-tie' en 'wou-tie' zou je nog kunnen denken dat hier de onderliggende vormen van de persoonsvorm in het geding zijn. Dat zou dan iets als 'zoudt' of 'woudt' moeten zijn. In dat geval zou je echter ook verwachten dat zinnen als 'Zou iemand dat gezien hebben?' met tussenliggende /t/ worden uitgesproken. Maar dat komt nou net niet voor. Maar zelfs als deze verklaring steek zou houden, dan vormt ze nog geen oplossing voor gevallen als 'kan-tie' en 'viel-tie'. Welnu: als hier het tussenliggend voegwoord geen verklaring kan zijn, en die /t/ wordt gerealiseerd in dezelfde regio's als de /t/ in 'hoe-t-ie' en 'die-t-ie', waarom zouden we dat voegwoord dan wel moeten gebruiken bij die laatste gevallen?

Het lijkt erop, dat in elk geval dat 'ie' een op zichzelf staand woord is, dat niet wordt gereduceerd uit een ander pronomen. Dan is de onderliggende vorm niet 'ie', maar 'die' of 'tie'. Misschien dat dat juist het regionale verschil is: omdat het woord alleen in enclise voorkomt, en de meeste voegwoorden en derde-persoonsvormen op een /t/ dan wel op een stemloze consonant eindigen, wordt het woord in de meeste gevallen als 'tie' gerealiseerd. De conclusie van de onderliggende vorm 'tie' is dan zó getrokken.

Ik kan er niets aan doen, maar ik vind het toch een gek resultaat. Ongetwijfeld heb ik me ergens in die fonologische redenering vergist en ben ik de verkeerde weg ingeslagen. Maar ik heb geen flauw idee waar. Dat komt natuurlijk omdat ik er geen verstand van heb.

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]