|
Col: 0009.37
Date: Thu, 28 Sep 2000 09:59:25 +0200
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 0009.37: Linguïstisch Miniatuurtje LXX: Maandag
is het bekend
LINGUÏSTISCH MINIATUURTJE LXX:
Maandag is het bekend
De colleges zijn weer begonnen, en dus ook mijn jaarlijkse herbezinning
op de traditionele zinsontleding. Mooi vak is dat toch. Ik stel me
altijd te weer tegen de populaire opvatting dat een taalkundige de hele
dag niets anders zit te doen dan zinnen te ontleden, maar er zijn dagen
dat me dat bepaald een aanlokkelijk perspectief lijkt. Niet dat ik erop
zit te wachten om steeds maar weer dezelfde voorbeeldzinnetjes te
herkauwen, maar het nadenken vanuit het traditionele beschrijvingskader
levert elk jaar toch wel weer een nieuw inzicht op (en vaak ook een
miniatuurtje).
Als je traditionele zinsontleding doceert, heb je vaak uitlegproblemen.
Veel benoemingskeuzes zijn op wankele basis gestoeld, en zelfs de
gemiddelde eerstejaars student prikt daar moeiteloos doorheen. En wie
dat niet doet, klampt zich onmiddellijk vast aan de tientallen
"proefjes" die in de loop der jaren in de onderwijspraktijk zijn
ontwikkeld om de ontleding van de zin met succes te voltooien. Je
probeert natuurlijk wel uit te leggen dat proefjes pas zin hebben als
je begrijpt hoe ze werken, of vanuit welke gedachte ze zijn ontwikkeld,
maar in deze maatschappij zijn mensen gewend om op knopjes te drukken
van apparaten waarvan ze niet weten hoe ze in elkaar zitten, dus zo'n
zinsontledingsproefje past daar uitstekend bij.
Een van de lastigste benoemingskwesties is het verschil tussen het
naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde, en dan vooral bij een vorm
van het werkwoord 'zijn' in combinatie met een voltooid deelwoord. De
bekende 'Zij zijn getrouwd'-zinnen.
De kwestie is in een paar woorden uitgelegd: is 'Zij zijn getrouwd' een
voorbeeld van een naamwoordelijk of een werkwoordelijk gezegde? Met
andere woorden: is 'zijn' koppelwerkwoord of hulpwerkwoord, en
bijgevolg 'getrouwd' predikaatsnomen of werkwoord?
Ook de proefjes zijn bekend: kun je 'zijn' vervangen door andere
koppelwerkwoorden ('blijken, lijken, blijven'), kun je er 'geworden'
bijzetten, kun je er 'al jaren' bijzetten (duratief aspect, dus een
toestandsaanduiding) of 'vorige week zaterdag' (terminatief aspect, dus
een gebeurtenis), is de bijzinsvolgorde 'dat ze zijn getrouwd' (dus
'getrouwd' is geen predikaatsnomen), of is alleen 'dat ze getrouwd
zijn' mogelijk (dus 'getrouwd' is geen werkwoord)? Stuk voor stuk
proefjes die vanuit een bepaalde gedachte zijn opgesteld, maar ze
blijven lastig toe te passen, omdat ze vaak een beroep doen op een
onduidelijke context. Van het zinnetje 'Zij zijn getrouwd' is in
isolatie niets te zeggen omdat het op twee manieren kan worden gelezen.
De betekenisaspecten waarop de proefjes berusten, zijn in veel
contexten echter moeilijk te herkennen.
Gisteren schoot me een nieuw proefje te binnen, dat ik nog niet uit de
boekjes ken. Nou heb ik zoals gezegd niks met proefjes, maar hier zit
wel een aardige redenering aan vast. Dat maakt het dan toch wel weer
geinig.
Ik weet wel dat er taalkundigen zijn die het hele onderscheid tussen
naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde betwijfelen, maar de twee
constructies blijven natuurlijk verschillen in temporeel opzicht. Er
zijn drie constructies met 'zijn' en een voltooid deelwoord: de
koppelwerkwoordconstructie ('Zij zijn sinds vorig jaar gescheiden'), de
gewone voltooide tijd van een werkwoord dat 'zijn' als hulpwerkwoord
van tijd heeft ('Wij zijn gearriveerd'), en de voltooide tijd van het
passief ('De sommen zijn gemaakt'), waar we dan "voor het gemak" het
voltooid deelwoord 'geworden' bij moeten denken.
Twee van die gevallen zijn werkwoordelijk (de laatste twee), en een is
naamwoordelijk. Maar die werkwoordelijke zijn ook allebei een voltooide
tijd, en die naamwoordelijke is per se tegenwoordige tijd. Als we dus
een waterdichte manier vinden om een tegenwoordige van een voltooide
tijd te onderscheiden, dan hebben we een dito criterium voor de
beslissing werkwoordelijk of naamwoordelijk. En zelfs zonder dat
laatste onderscheid is het temporele verschil "voltooid-niet voltooid"
een wezenlijk verschijnsel.
Maar die manier is er: we kunnen gebruik maken van de temporele
eigenschappen van woordjes als 'zaterdag'. Zo'n tijdsaanduiding als
'zaterdag' is niet gekoppeld aan toekomst of verleden, maar in
combinatie met een verleden tijd ('Ik voetbalde zaterdag') is het zelf
ook verleden tijd, en in combinatie met een tegenwoordige tijd ('Ik
voetbal zaterdag') is het zelf toekomende tijd. En met een voltooide
tijd? In dat geval is het ambigu. 'Ik heb zaterdag al gevoetbald' kan
erop duiden dat je afgelopen zaterdag aan het spelen bent geweest, maar
ook dat de wedstrijd voor aanstaande zaterdag plaats zal hebben.
Maar nu hebben we dus ook een criterium voor detectie van voltooide
tijd in geval van 'zijn' in combinatie met een voltooid deelwoord: zet
er 'zaterdag' bij en kijk wat het betekent. Is er een "afgelopen
zaterdag"-betekenis mogelijk, dan hebben we te maken met een voltooide
tijd, anders is er sprake van tegenwoordige tijd. 'Wij zijn zaterdag 50
jaar getrouwd' kan geen verleden tijd zijn en is dus naamwoordelijk,
terwijl 'Wij zijn zaterdag in de stromende regen getrouwd' alleen maar
verleden tijd kan zijn, en dus werkwoordelijk.
De detectie van een dubbelzinnigheid is misschien problematisch, maar
ook niet nodig: als een verledentijdinterpretatie kan, is daarmee het
werkwoordelijke karakter aangetoond. 'Wij zijn
zaterdag gearriveerd' is voltooid omdat het verleden tijd kan zijn,
evenals 'De sommen zijn zaterdag gemaakt'. Maar 'De uitslagen zijn
zaterdag bekend' kan geen verleden zaterdag zijn en is dus
naamwoordelijk gezegde. Tenzij een voorspellend medium ondervraagd is
door de Spaanse Inquisitie en daarbij de uitslagen heeft losgelaten.
Maar niemand verwacht de Spaanse Inquisitie.
Peter-Arno Coppen
|