0010.14 Terug
Vooruit 0010.a
Vorig Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgend Miniatuurtje

Col: 0010.15

Date: Mon, 02 Oct 2000 12:45:52 +0200
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 0010.15: Linguïstisch Miniatuurtje LXXI: Een behartigenswaardig woord

Linguïstisch Miniatuurtje LXXI:
Een behartigenswaardig woord

Is er ooit een tijd geweest waarin het grote publiek belangstelling had om zich van de uitkomsten op het gebied van de meest verschillende wetenschappen op de hoogte te stellen, dan is dat ontegenzeggelijk de tijd die wij nu beleven. De wetenschappers zijn dan ook niet achtergebleven om aan die belangstelling tegemoet te komen. Het wemelt letterlijk van in de volkstaal geschreven werken, die ten doel hebben de grote menigte van naar kennis dorstende zielen in staat te stellen haar dorst naar hartelust te lessen. Er zijn sterrenkundes voor het volk, natuurkundes voor het volk, ja, een Engelse Lord (Lord Brougham) heeft het zelfs gewaagd zijn volk op een bevattelijke wijze een begrip te geven van de belangrijke rol die de cosinus in de wereld speelt.

Maar hoeveel verschillende wetenschappen men zich ook heeft ingespannen voor een ruimere kring toegankelijk te maken, de kennis van één wetenschap bleef zo goed als geheel tot de vakgenoten beperkt, ofschoon juist deze ene de mens veel meer van nabij betreft dan enig ander vak van kennis hoegenaamd. En die wetenschap is? Het is de wetenschap die zich ten doel stelt de mooiste, de kostbaarste gave van de mens, de gave waardoor hij eigenlijk pas echt mens wordt, de gave waardoor hij zich meer dan door elke andere boven het overige schepselendom verheft, de TAAL in haar oorsprong, in haar aard, in haar geschiedenis, in haar hoogst belangrijke invloed op de ontwikkeling van de menselijke geest na te gaan en bloot te leggen. Waar vindt men hier te lande een boek waarin de wetenschap van de menselijke taal anders dan voor vakgenoten wordt uiteengezet?

En toch, behelzen de woorden van Pope, "The proper study of mankind is man" waarheid, is van al wat er bestaat de mens het meest onze studie waard, dan verdient zeker de taalstudie meer dan enig andere tak van wetenschap de aandacht van ieder rechtschapen mens; want er is niets in de natuur der dingen, waarvan de aandachtige beschouwing meer geschikt is de mens zichzelf te leren doorgronden en hem een helder inzicht in zijn eigen wonderlijke natuur te verschaffen, dan juist de taal.

Doordrongen van deze waarheid, heb ik meer dan eens aan personen van de meest verschillende betrekkingen, door zo bevattelijk mogelijk ingerichte linguïstische miniatuurtjes, belangstelling voor de resultaten door de beoefenaars der taalwetenschap verkregen, pogen in te boezemen. De uitslag van die pogingen heeft mij het bewijs geleverd, dat het niet onmogelijk is om aan een ruimere kring van beschaafde lieden enig denkbeeld te geven van de aard der nieuwere taalbeoefening en van de hoogst belangwekkende en gewichtige feiten die zij heeft aan het licht gebracht.

Aldus heeft zich bij mij de overtuiging gevestigd dat men door het vervaardigen van een werk waarin de belangrijkste uitkomsten, op het gebied van de wetenschappelijke taalstudie bereikt, op een begrijpelijke wijze werden voorgedragen, aan velen een wezenlijke dienst zou bewijzen; niet alleen aan het grote publiek, dat tengevolge van de richting die de hedendaagse beschaving langzamerhand heeft genomen, belangstelling toont om zich met de resultaten uit de verschillende takken van wetenschap althans enigermate bekend te maken, maar ook en vooral aan een meer beperkt publiek, aan een kring van personen, voor wie een dergelijk werk niet enkel een middel zou zijn om zich de voor ieder beschaafd mens onmisbare bekendheid met de vorderingen van een uiterst belangrijke tak van menselijke kennis te verschaffen, maar voor wie het tevens in een bepaalde behoefte zou voorzien, aangezien hun stand in de maatschappij eist dat ze niet onbekend blijven met de aard en de uitkomsten van de nieuwere taalbeschouwing. Omdat? Omdat zij zich van de taak, hun door hun betrekking opgelegd, zonder een dergelijke kennis onmogelijk met die graad van volkomenheid kunnen kwijten die men thans recht heeft te verlangen, en waartoe een helder inzicht in de methode en de resultaten der vergelijkende taalstudie eigenlijk alleen in staat kan stellen. Ik bedoel natuurlijk met deze meer beperkte kring al degenen die zich beroepshalve met het taalonderwijs hebben bezig te houden.

[...]

Ik was eigenlijk van plan om deze tekst dit jaar in te sturen naar de jury van de LOT-prijs voor het beste populariserende stukje over taalwetenschap, maar ik heb het toch maar niet gedaan. Hij is namelijk niet van mezelf. Ik heb hem alleen hier en daar verminkt. De tekst sprak niet over 'personen' en 'vakgenoten', maar over 'mannen van de wetenschap' en 'mannen van het vak'. En natuurlijk niet over 'linguïstische miniatuurtjes' maar over 'voorlezingen'. Dit alles verraadt te duidelijk het historische karakter van het stukje, als de soms geconstrueerde zinnen nu al geen weggevertje waren.

Ik heb dit verhaal bijna letterlijk overgeschreven uit het voorwoord van een boekje getiteld "Taal en Taalstudie", dat vier lezingen bevat van de Amerikaanse linguïst William Dwight Whitney, bewerkt door de Nederlander J. Beckering Vinckers. Van hem is ook het prachtige voorwoord, dat vrijwel ongewijzigd in welk hedendaags populariserend werk over taalwetenschap dan ook kan worden overgenomen. Een schrijnende constatering eigenlijk. Het is geschreven in 1877.

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]