0011.16 Terug
Vooruit 0011.a
Vorig Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgend Miniatuurtje

Col: 0011.17

Date: Tue, 31 Oct 2000 14:47:03 +0100
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 0011.17: Linguïstisch Miniatuurtje LXXII: Mooi gelegen

Linguïstisch Miniatuurtje LXXII:
Mooi gelegen

Een voltooid deelwoord kan bijna altijd bijvoeglijk gebruikt worden. Alleen de participia van een paar hulpwerkwoorden ('zijn', 'hebben', 'moeten', 'mogen', 'zullen', 'kunnen', 'lijken', 'schijnen' en 'laten') verzetten zich daartegen. Je hebt dus wel een 'gewild artikel', maar geen 'gemoeten artikel'.

Zo'n bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord staat ook bijna altijd bij zijn lijdend voorwerp, en heeft dan een passieve betekenis. Een 'geslagen hond' is een hond die geslagen werd (eigenlijk: is geworden). Werkwoorden als 'arriveren' of 'sterven' lijken een uitzondering.

Toch is de beschrijving van dit verschijnsel niet zo moeilijk: je denkt er altijd het hulpwerkwoord 'zijn' bij. Als het betreffende werkwoord 'zijn' als hulpwerkwoord van tijd accepteert, is de betekenis een gewone voltooide tijd ('een op tijd gearriveerde boot'). Bij werkwoorden die 'hebben' als hulpwerkwoord van tijd krijgen, kan het hulpwerkwoord 'zijn' alleen zó verklaard worden: in het passief wordt het voltooid deelwoord (bijvoorbeeld 'geslagen') vergezeld van het hulpwerkwoord 'worden'. De voltooide tijd daarvan kiest weer het hulpwerkwoord 'zijn' ('is geslagen geworden'). Vervolgens wordt het voltooid deelwoord 'geworden' weggelaten, en je hebt een constructie met 'zijn' en voltooid deelwoord ('de hond is geslagen (geworden)'). Betekenis: passief, en voltooid.

Deze eenvoudige beregeling voldoet niet helemaal. Sommige bewegingswerkwoorden kunnen, indien 'telisch' gebruikt (met een eindpunt aan de beweging) als hulpwerkwoord 'zijn' kiezen ('ik ben de brug over gelopen'). Toch kunnen ze niet bijvoeglijk worden gebruikt zonder passieve betekenis. Je krijgt wel 'de gelopen koers', maar niet 'een de brug over gelopen persoon'. We sluiten dus de bewegingswerkwoorden even uit.

Ook de ergatieven zijn speciaal: 'een verheugd persoon' is niet precies een persoon die verheugd werd, maar eerder een persoon die zich verheugd heeft. Toch zou je daar nog kunnen argumenteren dat het bijvoeglijk gebruikte deelwoord bij het onderliggende object van het werkwoord staat (als je hier verplaatsing van het object naar de subjectpositie aanneemt).

Helaas zijn er dan nog twee problematische gevallen. Wat doe je met 'een mooi gelegen huis', en 'een op de piano gezeten poes'? Het werkwoord 'liggen' kiest 'hebben' ('ik heb de hele middag buiten in de zon gelegen'), en een passief is onmogelijk: 'ik word daar zomaar gelegen'. Maar 'dit huis is mooi gelegen' is een prima zin. Hoe kan dat?

Allereerst dient opgemerkt, dat 'Dit huis is mooi gelegen' geen voltooide tijd is. De test uit miniatuurtje 70 (http://www.neder-l.nl/bulletin/2000/09/000937.html) bewijst dat: hoewel 'dit huis is zaterdag mooi gelegen' een gekke zin is, kan het niet anders betekenen dan dat het huis aanstaande zaterdag mooi gelegen zal zijn. Bijwoorden die verleden tijd forceren zijn onmogelijk ('Dit huis is vroeger mooi gelegen'), terwijl bijwoorden die toekomende tijd forceren de zin duidelijk beter maken ('Dit huis is straks vast mooi gelegen'). Daarmee is aangetoond dat 'zijn' in deze zin geen hulpwerkwoord van tijd, maar een koppelwerkwoord is. Bijgevolg is 'gelegen' een bijvoeglijk naamwoord en geen werkwoord.

Toch is dit alleen maar een verplaatsing van de problematiek. Als 'gelegen' een bijvoeglijk naamwoord is, hoe kan het dan dat het geen passieve betekenis heeft? De oplossing hiervoor moet liggen in de historische grammatica.

Een eerste mogelijkheid tot verklaring zou kunnen zijn, dat het werkwoord 'liggen' in het verleden als hulpwerkwoord van tijd 'zijn' heeft gekozen. In dat geval zou het in dezelfde categorie vallen als 'schrikken' of 'sterven'. Het bijvoeglijk gebruik is versteend, en in de hedendaagse grammatica geldt 'gelegen' als een zuiver adjectief. Helaas zijn daar in de historie geen aanwijzingen voor. 'Liggen' heeft altijd 'hebben' gekozen. Net als 'zitten' trouwens.

Een andere gedachte is, dat de causatieve vorm 'leggen' op de een of andere manier een rol heeft gespeeld. Immers, net als 'liggen' heeft ook 'zitten' zo'n causatieve vorm ('zetten'), en de betekenis van 'een mooi gelegen huis' kan ook ruwweg afgeleid zijn van 'een huis dat ergens mooi is neergelegd'. Aldus zou de oorsprong van 'een mooi gelegen huis' kunnen worden gestipuleerd in de passieve vorm van 'leggen'.

Dit zou een prachtige gedachte zijn, ware het niet dat het werkwoord 'leggen' altijd zwak is geweest, met voltooid deelwoord 'gelegd'. Om deze gedachte te handhaven, zouden we kunnen speculeren dat de taalgebruikers 'liggen' met 'leggen' hebben verward en zo 'gelegen' als voltooid deelwoord van 'leggen' hebben beschouwd. Dat lijkt me niet onmogelijk, maar ik denk dat het net iets subtieler ligt.

De werkwoorden 'liggen' en 'zitten' kun je, behalve in de normale constructie, ook gebruiken met een meewerkend voorwerp: 'dat ligt/zit me niet lekker'. Zo'n constructie met onpersoonlijk onderwerp, en met zijn specifieke betekenis, lijkt heel erg op een constructie met ervaringswerkwoorden als 'storen', 'verheugen', 'amuseren' ('dat stoort mij'). Het werkwoord 'liggen' is daarmee natuurlijk niet ergatief, maar het kan gemakkelijk zo opgevat worden. Zeker als daarbij komt dat de ergatieve variant van werkwoorden als 'storen' ('ik stoor mij aan iets') bij 'liggen' weerspiegeld wordt in zijn causatief: 'ik leg mij in bed'. Verwarring van 'liggen' met 'leggen' is al niet onaannemelijk vanwege de algemene e/i-verwisseling, maar naast de datiefconstructie met 'liggen' is het nog een stukje waarschijnlijker. Het bijvoeglijk gebruik van 'gelegen' vanuit de constructie 'dat bezoekje ligt mij wel' is dan 'het gelegen bezoekje', en vanuit de constructie 'het huis ligt aan de rivier' krijg je 'het aan de rivier gelegen huis'.

Die ergatieve interpretatie van een datiefconstructie zou natuurlijk niet op zichzelf moeten staan. Misschien hebben we er ook iets aan bij de verklaring van het curieuze feit dat het werkwoord 'schrikken' niet 'hebben' maar 'zijn' als hulpwerkwoord van tijd heeft: 'ik ben geschrokken' en 'een geschrokken persoon' is dan afgeleid uit een vermeende datiefconstructie met small clause: 'ik schrik mij een ongeluk'.

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]