|
Col: 0012.38
Date: Thu, 21 Dec 2000 17:24:53 +0100
From: Marc van Oostendorp <marc.van.oostendorp@meertens.knaw.nl>
Subject: Col: 0012.38: Column Marc van Oostendorp: NederNed, no. 37:
Neerlandistische tijdschriften op Internet: 2001
en daarna
NederNed, no. 37: Neerlandistische tijdschriften op Internet: 2001 en daarna
Hoe staat het ervoor met de neerlandistiek op Internet? Het gaat
volgens mij de goede kant op. Een handjevol pioniers klaagt al jaren
dat het allemaal veel te traag gaat, maar langzaam begint er toch schot
in te komen. Er is een heus centrum voor tekstedities, de DBNL, er is
het onvolprezen Neder-L, en er zijn her en der toch al aardig wat
onderzoeksgroepen die op zijn minst minimale informatie geven over hun
eigen werk. Zoals het er nu uitziet is Neder-L over een jaar eindelijk
niet meer het enige neerlandistische tijdschrift op Internet. Als alles
goed gaat, komen er volgend voorjaar minstens drie bladen bij, die zich
exclusief op het Internet richten:
- Neerlandistiek.nl: een wetenschappelijk tijdschrift met langere
wetenschappelijke en gereviewde artikelen onder redactie van vijf
neerlandici (Bregje Holleman, Matthias Hüning, Johan Koppenol,
Marc van Oostendorp, Thomas Vaessens) van verschillende disciplines en
onder technisch beheer van het NIWI.
- Vliegende Bladen: een tijdschrift met zeer korte beschouwingen en
observaties over taalkundige en letterkundige artikelen -- het soort
stukjes dat in de taalkunde 'squibs' genoemd pleegt te worden. Dit
tijdschrift zal vanaf dit voorjaar maandelijks moeten verschijnen,
maakt deel uit van de Digitale Biblotheek van de Nederlandse Letteren
en zal onder redactie staan van onder andere René van Stipriaan.
- Taalschrift: de elektronische versie van het journalistieke
magazine van de Taalunie zal (mogelijk onder een andere naam) ook dit
voorjaar van start gaan. Hierin zullen vooral langere journalistieke
stukken worden gepubliceerd.
De verschillende tijdschriften hebben precies verschillende
doelstellingen. Bij elkaar (en in combinatie met enige bestaande
websites voor het grote publiek, zoals http://www.onzetaal.nl/) kunnen
ze de kern gaan vormen voor een nieuwe informatieinfrastructuur voor
het hele vak -- een infrastructuur die gebaseerd is op het Internet.
Neder-L vormt van deze infrastructuur overigens de spil: het is het
informatieblad, de snelste vorm van informatieverstrekking, die
hopelijk ook steeds meer boeksignalementen en congresbesprekingen zal
plaatsen en die bijvoorbeeld de lezers precies op de hoogte kan stellen
van wat er in de bladen allemaal gebeurt. Een beetje neerlandicus leest
Neder-L en maakt op basis daarvan zijn keuze uit de andere
tijdschriften.
Het is geloof ik ook niet de bedoeling van deze drie nieuwe
initiatieven om te concurreren met de bestaande tijdschriften. De
redacties van al deze tijdschriften zijn nog huiverig voor
Internetpublicatie, maar als ze over deze angst heen zijn, zijn ze van
harte welkom om met hun elektronische zusters te praten. Wij, en
waarschijnlijk ook de andere redacties, zullen ze graag voorzien van
alle technische adviezen om ook elektronisch te gaan publiceren. Ik ben
pas tevreden als Nederlandse Taalkunde, Nederlandse Letterkunde, TNTL,
Madoc, Taal en Tongval, en al die andere bladen ook elektronisch
raadpleegbaar zijn, en als ze allemaal tegelijkertijd kunnen worden
doorzocht in één groot digitaal elektronisch archief.
Zelfs dan zijn we overigens nog niet klaar. De ideale wetenschappelijke
infrastructuur voor het vak ziet er volgens mij veel eerder als volgt
uit. Er is een grote centrale database waar iedereen die dat wil al
zijn artikelen en boeken in een eenvoudige digitale vorm kan aanbieden
(laten we voor het gemak zeggen: Word-bestanden met een minimale
hoeveelheid opmaakcodes). Alle materiaal wordt in die grote database
opgenomen. Er is geen enkele redactionele controle, wat betekent ook
dat alles te vinden is, ook onzin en onbetrouwbare gegevens. Auteurs
kunnen nieuwe versies van hun artikelen maken, maar bij grote revisies
blijft de oude versie ook gearchiveerd.
Een mens kan niet alles lezen, een mens heeft behoefte aan een zeef die
de goede van de minder goede artikels scheidt, en daarom blijven de
tijdschriftredacties ook bestaan. Auteurs bieden hun werk nog steeds
bij die redacties aan, althans, ze maken hen erop attent dat ze een
artikel aan de database hebben toegevoegd. De redacties behandelen zo'n
artikel vervolgens op de manier die hen goeddunkt: ze laten hem
beoordelen door proeflezers, ze stellen wijzigingen voor, enzovoort.
Pas als een artikel de vorm heeft die de redactie van het tijdschrift
bevalt, verleent zo'n redactie haar goedkeuring aan het desbetreffende
record in de database.
Tijdschriften kunnen vervolgens hun eigen webpagina inrichten waarin ze
op gezette tijden lijsten publiceren met door hen goedgekeurde
artikelen. Ze kunnen deze artikelen desgewenst ook op papier afdrukken,
er een kaftje omheen doen, en deze naar hun abonnees sturen. Daarnaast
blijven de artikelen ook in de database staan met een labeltje:
goedgekeurd door de redactie van Nederlandse Letterkunde. Een artikel
kan op deze manier ook door meerdere redacties worden goedgekeurd, en
dus tot meerdere tijdschriften tegelijkertijd behoren.
Vooral voor de lezers van neerlandistische tijdschriften -- en alle
onderzoekers zijn natuurlijk ook lezers -- biedt dit scenario grote
voordelen. Als lezer kun je in de database zoeken op elk willekeurig
onderwerp. Als dat onderwerp heel klein en specialistisch is, of als je
alles over dat onderwerp wilt weten en daarbij het risico durft te
nemen om onbetrouwbare informatie tegen te komen, kun je kiezen binnen
de *hele* database. Wie bang is overspoeld te raken, of alleen de echt
betrouwbare stukken wil zien, kan ervoor kiezen zijn zoekopdracht te
laten filteren door de redactie van TNTL, of Taal en Tongval, of
allebei deze tijdschriften.
Omdat alle informatie in deze database terechtkomt, heeft het weinig
zin om dezelfde onderzoeksresultaten op verschillende manieren op te
schrijven en deze aan verschillende tijdschriften aan te bieden.
Auteurs kunnen en moeten zich er dus toe beperken die resultaten
één keer op te schrijven, maar dan wel zo duidelijk
mogelijk. De hoeveelheid overbodige artikelen kan daarmee hopelijk iets
worden ingedamd.
We zijn nog lang niet zover. De algemene database voor het hele vak is
waarschijnlijk nog ver weg en wordt in deze vorm bijvoorbeeld nog door
de redactie van geen enkel papieren of elektronisch tijdschrift
nagestreefd. Uiteindelijk zou dat volgens mij wel zo moeten. Ik ben
bereid eraan te werken.
Marc van Oostendorp
|