0102.16 Terug
Vooruit 0102.a
Vorig Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgend Miniatuurtje

Col: 0102.17

Date: Mon, 15 Jan 2001 14:10:18 +0100
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 0102.17: Linguïstisch Miniatuurtje LXXV: Nog niet uitgegeten?

Linguïstisch Miniatuurtje LXXV: Nog niet uitgegeten?

In het vorige miniatuurtje besprak ik de bijzondere eigenschappen van de algemene constructie 'Zijn jullie uitgegeten?'. Ik heb laten zien dat de eenvoudige analyse van deze zin als werkwoordelijk gezegde met intransitief werkwoord onjuist is. Het zogenaamde werkwoord 'uitgegeten' bestaat alleen in de vorm van een voltooid deelwoord, het hulpwerkwoord 'zijn' is onverklaarbaar, en de testen wijzen uit dat deze zin niet in de voltooide tijd staat.

We zijn dus gedwongen om het werkwoord 'zijn' te zien als een koppelwerkwoord, en 'uitgegeten' als het predicaatsnomen. Dat zou je een adjectief kunnen noemen, of een werkwoord, dat doet er niet zoveel toe, maar het is in elk geval geen werkwoordelijke constructie tussen 'zijn' en 'uitgegeten'.

Daar zou tegenin gebracht kunnen worden dat het woord 'uitgegeten' heel goed achteraan de zin kan verschijnen in bijzinnen of in hoofdzinnen met meer werkwoorden. Je kunt net zo goed zeggen 'Ik wacht wel tot jullie uitgegeten zijn' als 'Ik wacht wel tot jullie zijn uitgegeten'. Dit zou erop moeten wijzen dat 'uitgegeten' wel degelijk een werkwoord is. Toch is deze test nogal twijfelachtig. Het is bekend dat ondubbelzinnige adjectieven die eruit zien als werkwoorden, gemakkelijk in die positie terecht kunnen komen ('Het bleek dat zij met een groot gevoel voor humor waren behept'), zonder dat er meteen sprake is van een werkwoordelijke constructie.

'Uitgegeten' als predicaatsnomen dus. Maar dat is dan toch weer bijzonder. Er zijn natuurlijk wel adjectieven die van een werkwoord afgeleid zijn, en die alleen als predicaatsnomen kunnen worden gebruikt ('behept', 'geleden'), maar dat zijn allemaal incidentele gevallen. En die staan allemaal in het woordenboek. Wat we hier hebben is een productief proces, op basis waarvan ontelbare nieuwe werkwoorden in hun voltooide vorm met 'uit' kunnen worden geprefigeerd. Zegt iemand: 'Ik ga de hele middag telemarketeren', dan kun je aan het einde van de dag vragen 'Zo, ben je eindelijk uitgetelemarketeerd?'. Die kunnen niet allemaal in het woordenboek.

Toch kunnen niet alle werkwoorden worden geprefigeerd met 'uit'. Om te beginnen moet het intransitiva betreffen, of althans werkwoorden die niet verplicht transitief zijn. Zo kan 'eten' wel, maar 'verorberen' niet ('Ben je uitverorberd?'). 'Treuren' kan wel, 'haten' niet. Vervolgens is prefigering met 'uit' onmogelijk bij werkwoorden die al een prefix hebben. Wel 'Ben je uitgewerkt?', maar niet 'Ben je uitovergewerkt?'. Ook kun je 'uit' niet toevoegen bij reflexieven: 'Ben je je uitgeschaamd?'. En niet bij ergatieven. De zin 'Ben je uitgestorven?' kan wel, maar niet in de betekenis die wij hier op het oog hebben. En ten slotte kan 'uit' niet gebruikt worden in combinatie met een small clause. Wel 'Ben je uitgeschilderd?' maar niet 'Ben je wit uitgeschilderd?'.

Bij het opschrijven van deze criteria kreeg ik een deja vu: al deze factoren heb ik al eens opgesomd, in een analyse van de 'Werk-ze'-constructie. Die was ook alleen mogelijk in de gevallen die ik hier schets. Bovendien was er in dat geval sprake van een 'habitueel aspect': je kun die constructie niet gebruiken bij toevallige of eenmalige gebeurtenissen. De uiting 'Spring ze' kon alleen in de context van 'habitueel springen' gebruikt worden.

Iets soortgelijks zien we bij deze constructie: 'Ben je uitgesprongen?' is een vraag die alleen gebruikt kan worden tegen iemand die gedurende een bepaalde tijd een aantal sprongen gemaakt heeft. Ik moet eerlijk zeggen dat ik in dit geval toch neig naar een normaal duratief aspect bij een terminatief werkwoord. Het is bekend dat een duurbepaling geplaatst bij een werkwoord dat een kortdurende gebeurtenis aanduidt, als vanzelf een frequentatiefinterpretatie oplevert.

De observatie dat prefigering met 'uit' niet kan bij werkwoorden die een small clause hebben, leidt onontkoombaar tot de gedachte dat 'uit' zelf een small clause moet zijn. De volgende vraag is dan: wat is het subject van die small clause?

Als 'uit' het predicaat van een small clause is, dan moet het de voltooidheidsbetekenis dragen. Het onderwerp is dan datgene wat voltooid is. In de zin 'Ik ben uitgegeten' wordt uitgezegd dat het eten zelf voltooid is. Je zou dus zeggen dat 'eten' (of eigenlijk 'gegeten') het subject van de small clause moet zijn. Dat lijkt me echter problematisch. Waarom is het dan een voltooid deelwoord? En kan dat wel, een werkwoord het subject van zijn eigen resultaatbepaling?

Daarnaast is er vaak nog een tweede constructie met geprefigeerd werkwoord: de constructie met 'laten': 'Laat ze maar eerst even uiteten', die de ANS ook signaleert. Van Dale's woordenboek neemt een (nogal fors) aantal van deze gevallen op als lemma, en benoemt ze als werkwoord, met de betekenis "ten einde ...". Zo is 'uitdenken' volgens Van Dale "ten einde denken", en het voorbeeld is 'Zijn ze nog niet uitgedacht?'. Prima voorbeeld, zou ik zeggen, maar opname als lemma impliceert dat we ook moeten kunnen zeggen 'ik denk eerst even uit en dan ga ik slapen'. Dat lijkt me onzin.

Curieus is overigens wel dat Van Dale een aantal voorbeeldzinnen geeft met het werkwoord 'hebben': 'Het had uitgebuid', en 'De storm had uitgewoed'. Zeker in dat laatste geval zou ik denken dat het tegenwoordig 'zijn' moet zijn, maar het illustreert wel de werkwoordelijke oorsprong.

Dit alles leidt me tot de volgende analyse: 'uit' is het predicaat van een small clause met een loos onderwerp ('het is ten einde'). Die small clause wordt ingezet als een resultaatbepaling bij een werkwoord, maar die constructie komt alleen genominaliseerd voor. Bij 'laten' wordt het een predicaat bij het object (naar analogie van 'laat hem maar boos' krijg je dan 'laat hem maar [[0 uit] eten]') en bij een koppelwerkwoord wordt het predicaatsnomen. Die koppelwerkwoordconstructie is ontstaan uit een voltooide tijd, die vanwege het telische aspect hulpwerkwoord 'zijn' kreeg, dat is geherinterpreteerd als koppelwerkwoord.

En hiermee is dan het bijzondere toch weer algemeen geworden.

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]