| 0103.13 |
|
|
|
0103.a |
| Vorig Miniatuurtje |
|
|
|
Volgend Miniatuurtje |
|
Col: 0103.14
Date: Mon, 19 Feb 2001 16:38:48 +0100
Linguïstisch Miniatuurtje LXXVI: Altijd jezelf zijn of dat lijkenWaarom lopen mij soms de rillingen over de rug bij het aanhoren van Nederlandstalige popmuziek? Omdat ik het mooi vind? Misschien wel, maar dat geldt natuurlijk evenzeer voor Engelstalige nummers. Omdat ik het versta? Ja hoor eens, ik ben dan wel geen moedertaalspreker van het Engels, maar ik kan toch meestal wel volgen waar zo'n nummer over gaat. Soms kun je gedeelten van de tekst weliswaar niet verstaan, maar verstaan is iets anders dan begrijpen. In een BBC-spelletje als Never mind the buzzcocks blijkt trouwens dat die Engelsen er zelf ook af en toe niets van kunnen maken. Nee, dat is het allemaal niet. Nederlandstalige muziek heeft een meerwaarde voor moedertaalsprekers in die zin, dat behalve hun zin voor harmonie ook hun taalgevoel geprikkeld wordt.Ik heb al eens eerder beweerd dat het succes van liedjes vaak gelegen lijkt in een kleine grammaticale aberratie die je taalgevoel kietelt. Bijvoorbeeld Rob de Nijs met zijn "jaloers bezit", of André Hazes met dat trouwportret van zijn vriend (of eigenlijk zijn eigen trouwportret dat zijn vriend niet gezien had, maar goed, leest u dat zelf maar eens na). Een mooie illustratie van deze stelling is de megahit van Acda en De Munnik uit 1998, Niet of nooit geweest. De titel alleen al past in het lijstje dat de Amerikaanse linguist Geoffrey K. Pullum ooit maakte van titels die geen grammaticale woordgroepen of zinnen vormen (zoals Als op een winternacht een reiziger van Italo Calvino). Maar die titel verwijst ook meteen naar het grammaticale eigenaardigheidje: het refrein van het nummer begint met de zinsnede 'ik ben mezelf niet of al die jaren nooit geweest', en eindigt met de verkorte versie daarvan: 'ik ben mezelf niet of nooit geweest'. Nu zal ik niet zo flauw zijn om te gaan zitten schamperen om "wat daar nou eigenlijk staat". Dat kan me niet eens zoveel schelen. Ik ben mezelf niet, of ik ben mezelf eigenlijk nooit geweest, dat is taalkundig gezien allemaal volstrekt helder. Maar toch is er iets mis met die zin. Ik meen dat in 1998 een NRC-columnist daar al eens iets over gezegd heeft. Deze kwam tot de conclusie dat het hier een geval van ongeoorloofde samentrekking betreft, omdat in het tweede gedeelte het hulpwerkwoord 'ben' is weggelaten, terwijl 'ben' in het eerste gedeelte een koppelwerkwoord is. En je mag bij samentrekking alleen gelijke delen weglaten. Ik moet bekennen dat mijn nekharen bij deze verklaring evenzeer overeind gaan staan als bij de gewraakte tekst zelf. Wat is dat voor een antieke opvatting? Sinds de dissertatie van Anneke Neijt uit 1980 weten we toch dat bij samentrekking niet zozeer de condities op de weggelaten delen van belang zijn, maar juist de eigenschappen van de overblijvende zinsdelen? Als er een verklaring voor de eigenaardigheid van deze samentrekking moet worden gezocht, dan moet die eerder zitten in wat er wél staat dan in wat er weggelaten is. Dat de ongelijkvormigheid van 'ben' in beide delen van de nevenschikking niet de oorzaak kan zijn van het eigenaardigheidje, kun je gemakkelijk aantonen met een zinnetje als 'ik ben boos of althans boos gewéést', dat mijns inziens perfect is. Toch is ook hier 'ik' en 'ben' weggelaten, en 'ben' is ook nu een hulpwerkwoord van tijd, terwijl het overgebleven 'ben' in het eerste deel koppelwerkwoord is. Waarom is deze zin niet even vreemd als die van Acda en De Munnik? Ik moet bekennen dat deze kwestie mij achteraf complexer voorkomt dan op het eerste gezicht. De meest eenvoudige analyse, namelijk dat 'niet of nooit' een nevenschikking van bijwoorden is, faalt op de tussenvoeging 'niet of al die jaren nooit', die de constructie een zinskarakter geeft. In dat geval betekent het weglaten van de persoonsvorm in het tweede deel dat het gaat om een zogeheten 'gappingconstructie'. Zo'n constructie wordt gekenmerkt door de eis dat de overblijvende zinsdelen (dat moeten volledige zinsdelen zijn) een contrast vinden in het eerste gedeelte. Zoals in 'Jan heeft vandaag een fiets voor zijn zoontje gekocht en Piet gisteren een auto voor zijn vrouw gehuurd'. Beetje extreem, maar alle zinsdelen moeten met contrastaccent worden uitgesproken. Er zijn wel een paar kleine bijwoordjes zoals 'weer' of 'daarentegen' die je zonder contrastaccent aan het tweede deel mag toevoegen, maar die laat ik even buiten beschouwing. Terug naar ons geval. Je kunt zeggen 'ik ben boos of boos geweest', maar niet 'ik ben boos of geweest'. Waarom niet? Volgens mij omdat je 'boos' niet kunt contrasteren met 'geweest'. Maar waarom kun je 'boos' wel contrasteren met 'boos geweest'? Dat moet wel bijna zijn omdat je 'boos' kunt analyseren als een grotere woordgroep waar een werkwoordpositie in vervat zit. Het is dus eigenlijk 'ik ben [boos V] of [boos geweest]'. Eventueel kun je in het tweede deel dat 'boos' nog pronominaliseren: 'ik ben boos of dat geweest'. Maar het punt is, dat de overblijvende woordgroep als geheel te contrasteren moet zijn met de woordgroep waar het eerste 'boos' in zit. Dat is één. Maar als we onze zin veranderen tot 'ik ben mezelf niet of dat nooit geweest', wordt hij niet erg veel beter. Hoe komt dat? Volgens mij omdat 'nooit' niet goed contrasteert met 'niet'. In elk geval niet in de intonatie die Acda en De Munnik daaraan geven. In het lied zijn namelijk zowel 'niet' als 'nooit' onbeklemtoond, en dat maakt het onmogelijk om ze te contrasteren. Spreek je 'niet' met contrastaccent uit, dan wordt het al een stuk beter. Maar er is nog iets. De woordvolgorde bij ontkenning en naamwoordelijk gezegde is meestal 'ik ben niet boos of nooit boos geweest' en niet 'ik ben boos niet of boos nooit geweest'. Het naamwoordelijk deel kan niet door negatie worden gescheiden van het werkwoord. Als het naamwoordelijk deel echter een definiete NP is ('de dader', 'mezelf'), dan kan dat opeens wél: 'hij kan niet de dader zijn' en 'hij kan de dader niet zijn' is allebei mogelijk. Dit lijkt op wat in de taalkundige literatuur bekend staat onder de naam Object Shift: een object schuift een plaatsje op naar links. Daardoor echter ontstaat een structuur waarin het naamwoordelijk deel niet meer samen met het werkwoord een woordgroep vormt. Namelijk: 'ik ben mezelf niet [t V]', waarbij t de oorspronkelijke plaats van het naamwoordelijk deel aangeeft, en V de plaats van het werkwoord. Ga je nu contrasteren met 'of mezelf nooit [t geweest]' dan zouden er dus strikt genomen in het eerste deel drie woordgroepen contrastaccent moeten hebben: 'mezelf', 'niet' en '[t V]'. Maar die laatste woordgroep is echter leeg, en lege woordgroepen kun je niet accentueren. We maken het nog leuker: 'nooit' is eigenlijk een combinatie van negatie en tijdsbepaling, nietwaar? Iets als 'altijd niet'. En 'niet' is dan impliciet 'nu niet'. Maar dan kun je aannemen dat de volledige zin eigenlijk is 'ik ben nu niet mezelf V of ik ben altijd niet mezelf geweest'. Het woordje 'mezelf' gaat via Object Shift over 'niet' heen een plaatsje naar links, tot achter 'nu' of 'altijd', en vervolgens gaat 'niet' in het tweede deel naar 'altijd' om samen te smelten tot 'nooit'. In het eerste deel wordt 'nu' weggelaten. Resultaat: 'ik ben [nu] mezelf niet t V of ik ben nooit mezelf t t geweest'. Maar nu kan 'nooit' niet meer contrasteren met 'niet', omdat 'nooit' een combinatie is van twee bepalingen en 'niet' niet! Ik geloof dat ik hiermee de duivel bij de staart heb. De prikkeling van het taalgevoel is verklaard. Maar waarom gebruiken Acda en De Munnik deze samentrekking dan? Ik denk dat de oorsprong ligt in een typische spreektaalconstructie als: 'Ik ben mezelf niet. Nooit geweest ook eigenlijk'. Kijk, dát kan weer wel. In dat geval heb je een zelfstandige ellips, die als een soort 'after thought' in het gesprek kan worden tussengevoegd. Maar dat is dan typisch geen zinsconstructie, en hij is ook niet aan dezelfde condities gebonden. Wat de condities op zo'n ellips dan wel zijn, dat is weer een heel ander verhaal. Dat we ook niet kennen, overigens. Peter-Arno Coppen
|