0103.24 Terug
Vooruit 0103.b
Vorig Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgend Miniatuurtje

Col: 0103.25

Date: Wed, 07 Mar 2001 16:42:51 +0100
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 0103.25: Linguïstisch Miniatuurtje LXXVII: Door de verkeerde bril

Linguïstisch Miniatuurtje LXXVII: Door de verkeerde bril

Ik draag al jaren een bril. Daardoor ben ik in staat de wereld enigszins scherp waar te nemen. Zet ik mijn bril af, dan verworden de voorwerpen om mij heen tot slechts vage contouren van hun origineel. Dat is een heel normaal verschijnsel, dat mijn wereldbeeld niet schokkend beïnvloedt. Ik zal het bijvoorbeeld niet in mijn hoofd halen om te verkondigen dat de wereld om mij heen steeds vager wordt naarmate ik een sterkere bril nodig heb.

Laatst zag ik in een populairwetenschappelijke televisieuitzending een verklaring voor dit verschijnsel. Het schijnt dat onze visuele interpretatie veel beperkter is dan je op het eerste gezicht zou denken. Het is bijvoorbeeld niet zo, dat wij voortdurend bezig zijn met het opbouwen van een volledig visueel beeld uit de prikkels die wij op ons netvlies krijgen. Dat zou allemaal veel te bewerkelijk zijn. Nee, wat we doen is dit: we bouwen een consistent mentaal beeld op van de werkelijkheid, en toetsen daar onze visuele prikkels slechts marginaal aan. Zolang die prikkels niet strijdig zijn met ons beeld is er niets aan de hand. Visuele waarneming is alleen controleren of je fantasie klopt. Kijken doe je met je ogen dicht.

Waarom verklaart dit dat ik in staat ben om te veronderstellen dat de wereld hetzelfde blijft terwijl mijn ogen veranderen? Omdat het scherpe beeld al in mijn brein opgeslagen zit. Zelfs zonder bril weet ik dat de wereld scherper is dan ik haar waarneem. Daardoor kan ik accepteren dat een bril corrigeert voor mijn gebrekkige gezichtsvermogen.

Overigens is die verklaring geen voldoende voorwaarde voor een juiste visie op dit verschijnsel. Ik vermoed dat je mensen met een verminderend gezichtsvermogen best kunt aanpraten dat de wereld verandert in plaats van hun ogen. Misschien moeilijk, omdat we nu eenmaal uitgaan van de onveranderlijkheid van de materie (illusionisten maken gebruik van dit verwachtingspatroon), maar niet onmogelijk. Het is toch vanzelfsprekend dat de wereld van nu anders is dan die van twintig jaar geleden? Waarom zou je deze wereld dan net zo scherp kunnen zien als de oude? Omdat je waarnemingsvermogen toegesneden is op de wereld van je jeugd is het logisch dat je de wereld van nu minder scherp ziet. Het feit dat we dit bijna een stupide redenering vinden, toont aan hoe goed onze opvoeding in deze geweest is.

Het ligt voor de hand om te veronderstellen dat de interpretatie van taal van dezelfde principes uitgaat als visuele interpretatie: we bouwen een semantische wereld op voor de conversatie die we voeren (het discussiedomein), en wat we horen toetsen we marginaal aan dat beeld. Ons taalvermogen stelt ons in staat om de binnenkomende prikkels te analyseren tot toetsingscriteria voor onze semantische wereld. Dat gaat prima, zolang dat taalvermogen toegesneden is op de taal die om ons heen gesproken wordt.

Veel mensen ervaren dat hun taalvermogen in de loop der jaren de betekenisonderscheidingen in de taal minder scherp waarneemt. Woorden en uitdrukkingen passen niet meer zo helder op het mentale wereldbeeld dan ze vroeger leken te doen. Deze mensen klagen over vager wordende betekenissen en gemakzuchtig en slordig taalgebruik. Daaruit blijkt dat men ervan uitgaat dat de veranderende taal de oorzaak is van de vage waarneming. Maar is het niet eerder ons groeiende onvermogen om de taal scherp waar te nemen dan dat de taal zelf vager wordt?

Zelfs doorgewinterde taalwetenschappers kunnen zich niet aan die indruk onttrekken dat de vaagheid een kenmerk van de taal zelf is. Zo stelde Ton van der Wouden in een interview met de NRC, dat modale partikels vaak een "vervaging" van de betekenis van de zin tot gevolg hebben. Ik vind dat een onbegrijpelijke uitspraak. Zeg je 'Kom hier', dan gebied je iemand om naar je toe te komen. Ik begrijp niet wat daar zo helder aan is, maar vooruit. Voeg je nu een modaal partikel toe ('Kom maar hier'), dan wordt het ineens "vaag". Waarom in vredesnaam? Door dat 'maar' verschuif je de betekenis naar een aansporing, bijvoorbeeld doordat je het naar je toe komen als een aantrekkelijk alternatief voor het tegendeel voorspiegelt. Ik zal de eerste zijn om toe te geven dat ik die betekenis niet precies kan omschrijven, maar ik ben bereid om dat toe te schrijven aan mijn taalkundige onvermogen in plaats van dat ik de taal zelf de schuld geef.

Er is een overeenkomst tussen de klagende taalgebruiker en de taalkundige die vaagheid tot een betekeniskenmerk bestempelt. Beiden beschouwen de taaluiting als een zelfstandigheid die onafhankelijk is van een interpretatie. Maar het is juist die interpretatie, dat wil zeggen: de confrontatie met een wereldbeeld, die de scherpte van de betekenis bepaalt. Een heldere betekenis is een betekenis waarvan de gevolgen voor je mentale model duidelijk zijn.

De taal verandert, van die vaststelling zal niemand schrikken. Maar de taal kan alleen veranderen als de taalvermogens van onze medetaalgebruikers anders worden. Dat moet echter weer betekenen dat onze eigen taalvermogens verder weg komen te liggen van het gemiddelde. Ze verschuiven van het brandpunt van de taal in de richting van een perifere positie. Het gevolg is dat we taalkundig gezien steeds minder scherp waarnemen.

Dit verminderde taalkundige waarnemingsvermogen is geen ramp. We toetsen immers onze interpretaties slechts marginaal aan een al in volle scherpte opgebouwd wereldbeeld. Helaas bestaan er geen taalbrillen of gehoorapparaten die onze waarneming kunnen corrigeren. We zijn dus aangewezen op ons eigen vermogen tot rationalisering.

Wie bij zichzelf constateert (er zijn ook al geen taalopticiens) dat hij de talige wereld niet scherp kan waarnemen -en wie nadenkt over betekenis komt al vrij snel tot die conclusie- heeft de natuurlijke neiging om de veranderende taal de schuld te geven van dit onvermogen. Tegenover de onveranderlijkheid van de materie staat immers de veranderlijkheid van de taal. Verandert de materie in onze waarneming van vorm, dan is onze standaardverklaring dat ons gezichtsvermogen vermindert. Verandert daarentegen de taal in onze waarneming van vorm, dan ligt dat ineens aan de veranderde taal zelf.

Zo bezien is het klagen over vervaging en verloedering van taal een gemakzuchtig verschijnsel: je vertrouwt kritiekloos op je standaardverklaringen voor een verandering in je waarneming, en denkt niet verder na. Evenzeer is het beroep op het predikaat "vaag" onder taalkundigen twijfelachtig. In het beste geval betekent het "we kunnen de betekenis niet scherper omschrijven". Maar in dat geval is er misschien wel alleen een andere bril nodig.

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]