| 0104.18 |
|
|
|
0104.a |
| Vorig Miniatuurtje |
|
|
|
Volgend Miniatuurtje |
|
Col: 0104.19
Date: Mon, 09 Apr 2001 14:01:57 +0200
Linguïstisch Miniatuurtje LXXVIII: Taalkundige recordsOok wie nooit geneusd heeft in boeken als de Opperlandse Taal- en Letterkunde van Battus, kent wel een of twee van die voorbeelden van zinnen met een aantal malen hetzelfde woord achter elkaar, zoals 'Wat was was eer was was was?' of 'Als achter vliegen vliegen vliegen, vliegen vliegen vliegen achterna'. Zulke zinnen zien er op het eerste gezicht nogal spectaculair uit, maar ze laten altijd een wat onbevredigende indruk achter.Het eerste wat al snel gaat storen aan zulke zinnen is natuurlijk hun geforceerde karakter. Nooit zul je ze in een dagelijkse conversatie aantreffen. Ze zijn gezocht. Maar dat is niet alles. Want hoe bijzonder zijn die zinnen eigenlijk? Als je goed kijkt, dan gaat het steeds om één homoniempje per zin. Het woord 'was' is een werkwoord of een zelfstandig naamwoord, en bij het woord 'vliegen' precies hetzelfde. Is het nou zo knap om een paar kale nomina en werkwoorden achter elkaar te krijgen? Taalkundig stellen die zogenaamde records maar bitter weinig voor. Nu rijst natuurlijk onmiddellijk de vraag: kan het dan beter? Zijn er zinnen te vinden of te construeren waarin een drie- of meervoudig homoniem van een woord voorkomt? Inderdaad, daar lijkt het wel op. Onlangs kwam ik er, zo maar in het wild, een tegen. Het ging om de zin 'Hoe had je het gehad willen hebben?'. In die zin staat drie keer het woord 'hebben'. Weliswaar steeds in een andere vorm, maar we hebben het hier over het taalkundige woord, niet om de verschijningsvorm. Dat is eigenlijk best een interessante zin. Die drie vormen van 'hebben', zijn dat wel verschillende woordsoorten? Het is nog niet zo gemakkelijk om dat aan te tonen. En die constructie blijkt een paar raadselachtige kenmerken te hebben. Laten we eens een poging tot ontleding wagen. We beginnen met de zin in zijn eenvoudigste vorm: 'jij hebt iets zus en zo'. Het werkwoord 'hebben' kan een onderwerp verbinden met een minizin bestaande uit een lijdend voorwerp en een bepaling van gesteldheid. Iets is zus-en-zo, en jij hebt dat. In een vorig miniatuurtje heb ik dat wel eens een koppelwerkwoordachtig gebruik van 'hebben' genoemd. Laat ik dat hier dan ook doen. 'Hebben' als koppelwerkwoord. Bij die constructie kun je twee dingen doen. Je kunt een hulpwerkwoord van modaliteit toevoegen: 'jij wil iets zus-en-zo hebben', of je kunt er een voltooide tijd van maken: 'jij hebt iets zus-en-zo gehad'. In dat laatste geval is 'hebt' hulpwerkwoord van tijd en 'gehad' koppelwerkwoord. Allebei kan natuurlijk ook. Dan krijg je: 'jij wil iets zus-en-zo hebben gehad' of '... gehad hebben'. De laatste variant lijkt me beter, maar de eerste is zeker niet onmogelijk. Nou komt het: alleen wanneer je een hulpwerkwoord van modaliteit hebt toegevoegd, kun je de zin nog nader aanvullen met een hulpwerkwoord 'had': 'jij had iets zus-en-zo willen hebben gehad', of liever '... gehad willen hebben'. Wat is dat 'had' voor een werkwoord? Je zou zeggen: dat is een hulpwerkwoord van tijd bij 'willen', aldus implicerend dat je eerst een hulpwerkwoord van tijd bij 'hebben' toevoegt, dan het hulpwerkwoord van modaliteit erbij doet, en ten slotte dat weer in de voltooide tijd zet. Maar dat is dan toch wel problematisch, want in feite is 'had' de enige vorm die toegestaan is. Een vorm als 'heb' is bijvoorbeeld onmogelijk: 'jij hebt iets zus-en-zo willen hebben gehad' is glashard ongrammaticaal. Als 'had' een gewoon hulpwerkwoord van tijd is, waarom kan dat dan niet in de tegenwoordige tijd staan? Bovendien geeft toevoeging van 'had' de zin een onmiskenbare irrealisbetekenis. Wat voor woordsoort je ook aan 'had' zou willen toekennen, het lijkt in elk geval zeker dat het geen gewoon hulpwerkwoord van tijd is. Maar daarmee hebben we dan ons record gevestigd. Onze zin bevat 'hebben' in drie verschillende woordsoorten: koppelwerkwoord, hulpwerkwoord van tijd en speciaal hulpwerkwoord. Wat dat dan voor hulpwerkwoord zou moeten zijn, daar kom ik niet helemaal uit, maar voor het record is het van ondergeschikt belang. Eigenlijk zou je bij zo'n mooie observatie in het wild moeten stoppen. Maar als je erover na gaat denken, kun je redelijk eenvoudig andere records construeren. Zo is het woordje 'dat' een van de meest woordsoortambigue vormen in het Nederlands. Het kan onderschikkend voegwoord zijn ('dat het regent'), betrekkelijk voornaamwoord ('het meisje dat ik ken'), en zelfstandig of bijvoeglijk gebruikt aanwijzend voornaamwoord (respectievelijk 'dat weet ik' en 'dat meisje ken ik'). In het wild komen tweevoudige ambiguïteiten vaak voor: 'ik dacht dat dat meisje mij kende'. Maar drievoudig is tamelijk gemakkelijk: 'ik dacht dat dat dat meisje verbaasde'. En viervoudig kan ook wel: 'ik kuste het meisje dat dat dat dat bestuur ergerde, niet gezien had'. Maar nou zijn we weer op het punt gekomen dat de absolute records je altijd met een kater laten zitten. De spontane observaties, die hiermee tot tweede plaatsen gedegradeerd zijn, blijven mooier. Peter-Arno Coppen
|