0104.33 Terug
Vooruit 0104.b
Vorig Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgend Miniatuurtje

Col: 0104.34

Date: Fri, 20 Apr 2001 12:49:12 +0200
From: P.A. Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 0104.34: Linguïstisch Miniatuurtje LXXIX: Linguïstische Romantici

Linguïstisch Miniatuurtje LXXIX: Linguïstische Romantici

De taalwetenschap kent vele disciplines, maar hun beoefenaren komen in één opzicht overeen: ze zien iets in de taalverschijnselen dat anderen niet waarnemen. De syntacticus ziet allerlei onzichtbare afleidingen in de zinnen die mensen produceren, en de hedendaagse fonoloog is in staat om achter elk klankverschijnsel een veldslag van elkaar beconcurrerende beperkingen te schetsen waar de uiteindelijke uitspraak als een glorieuze winnaar uit tevoorschijn komt. De pragmaticus reconstrueert de verborgen agenda in onze dialogen, en de psycholinguïst speculeert over de ongrijpbare mechanismen die ten grondslag liggen aan onze taalverwerking.

Zo bezien is iedere taalwetenschapper in zijn hart een romanticus. Zelfs de kwantitatieve linguïst, die de statistische eigenschappen van de taalverschijnselen zelf bestudeert, is nog gefascineerd door de regelmatigheden in de chaos. Alleen de overtuiging dat er achter de kale verschijnselen iets minder banaals schuilt dat onze aandacht verdient, houdt de taalwetenschapper op de been.

Een mooi voorbeeld hiervan mocht ik afgelopen zaterdag ervaren toen ik op de radio een discussieprogramma hoorde over de noodzaak tot hervormingen in de landbouw naar aanleiding van de MKZ-crisis. Op een gegeven moment produceerde een kamerlid van Groen Links de volgende uiting: 'De mogelijkheden tot hervorming worden steeds [...] voorbij laten gaan'. Nou transcribeer ik tussen het woord 'steeds' en 'voorbij' een pauze, maar dat is ongetwijfeld overdreven. Voor een leek zal er nauwelijks een hapering waarneembaar zijn geweest. Het moet de taalkundige romanticus in mij zijn geweest die hier een micropauze meende waar te nemen waarin het kamerlid zich realiseerde dat de zin die zij begon, niet voortgezet kon worden met een constructie 'voorbij laten gaan'.

Misschien moet je ook wel een computerlinguïst zijn, of althans ooit een recursief computerprogramma hebben geschreven, om je een voorstelling te kunnen maken van de vertwijfelde razernij waarmee een computationeel systeem op zo'n moment andere beslissingsmomenten uit zijn geheugen probeert op te diepen en na te rekenen. En de diepe onmacht die blijkt uit het ten einde raad dan maar uiten van een ongrammaticale zin, wie anders dan een doorgewinterd linguïst zou die kunnen schetsen?

Maar is het natuurlijk een prachtig voorbeeld, waar linguïsten uit velerlei disciplines van zullen smullen. De syntacticus zal zich afvragen wat een succesvol vervolg van die zin op het gewraakte moment in de weg staat. En de psycholinguïst moet zich het hoofd breken over wat dit voorbeeld ons kan leren over het taalproductiemechanisme.

Hoewel ik geen psycholinguïst ben, raak ik door die laatste vraagstelling wel enigszins gefascineerd. Wat vertelt ons die hapering eigenlijk? Op het moment dat de politica stopt na het woord 'steeds', is er iets in haar systeem dat zich realiseert dat zij geen lijdende vorm kan maken van de constructie 'voorbij laten gaan'. Dat is wel noodzakelijk, omdat ze ergens in de zin het hulpwerkwoord 'worden' heeft gebruikt.

Hieruit kunnen we een aantal conclusies trekken, die overigens in de psycholinguïstiek al lang bekend zijn, dus opzienbarend is het allemaal niet echt, het betreft alleen een mooi voorbeeld. Het meest in het oog springt de vaststelling dat de taaluiting "on the fly" wordt geconstrueerd. We weten blijkbaar niet hoe een zin moet aflopen als we al halverwege zijn. Ons productiesysteem bestaat in elk geval uit een generatortje dat de zin maakt, en een soort taaldouane die controleert of de uiting door mag. In dit geval signaleert de douane een onmogelijkheid (passief van 'voorbij laten gaan'), stuurt 'm terug voor een alternatief, en wordt dan ook nog eens overruled door een hoger belang ("Het moet af!") die de constructie alsnog laat passeren. Dat zijn dus minstens drie systemen.

Maar er is meer. Blijkbaar is de lexicale keuze voor de constructie 'voorbij laten gaan' al gemaakt vóórdat de beslissing is genomen om de zin in de lijdende vorm te zetten. Als die keuze later gemaakt zou zijn, had de beperking dat 'voorbij laten gaan' geen lijdende vorm heeft, al tot een andere woordkeus moeten dwingen. In feite had die keuze best pas op het moment van de pauze gemaakt kunnen worden. De zin had kunnen vervolgen met 'onbenut gelaten' of 'ongebruikt gelaten', of desnoods 'veronachtzaamd' of 'genegeerd'. Allemaal ruwweg dezelfde semantische inhoud, dus als op het punt van de pauze alleen de betekenis van de uiting vast zou hebben gestaan, en niet de feitelijke woordkeus, had het allemaal nog best goed kunnen komen.

Als de beslissing over de lexicale invulling niet genomen is terwijl de syntactische vorm (de lijdende vorm) vast stond, is dan de syntactische vorm gekozen toen de lexicale invulling al bekend was? Ook dat lijkt vreemd, want dan had de lijdende vorm niet mogen worden gekozen omdat woordkeuze 'voorbij laten gaan' dat niet toestaat.

De enige conclusie kan zijn dat woordkeus en syntactische vormgeving onafhankelijk van elkaar geopereerd hebben en pas op het moment van de micropauze tot een conflict hebben geleid. In dit geval gaven beide systemen niet toe. De syntaxis had alleen op zijn schreden terug kunnen keren door een herstelconstructie: de zin opnieuw beginnen. En de lexicale invulling had zoals net al geconstateerd best nog andere keuzes kunnen maken. Deze wedstrijd kende echter een zeldzame remise, met als resultaat dat het vervolg van de zin eigenlijk niet past op het begin.

Ondertussen realiseer ik me natuurlijk best dat deze hele beschouwing staat of valt met de realiteit van die waargenomen micropauze. Maar zelfs als die niet fysiek gemeten kan worden: was het dan misschien MIJN hapering die ik daar waarnam? En hoe reëel is die waarneming dan?

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]