0105.17 Terug
Vooruit 0105.19

Rub: 0105.18

Date: Wed, 16 May 2001 23:01:46 +0200
From: P.J. Verkruijsse <piet.verkruijsse@hum.uva.nl>
Subject: Rub: 0105.18: Hora est! Promoties K. Korevaart op wo 30 mei 2001 te Leiden, M. de Vries op wo 6 juni 2001 te Amsterdam, P. de Hommel-Steenbakkers op wo 13 juni 2001 te Nijmegen

Hora est!

Woensdag 30 mei 2001, 16.15 uur, Academiegebouw Universiteit Leiden, Rapenburg 73.
Mevrouw Korrie Korevaart: Ziften en zemelknoopen.
Promotores: prof. dr. A.G.H. Anbeek van der Meijden en prof. dr. J. Hemels.

(Noot van de redactie op 30 juni 2001: de samenvatting van het proefschrift van mevr. Korevaart is te vinden in Neder-L 0106.21)


Woensdag 6 juni 2001, 12.00 uur, Aula Universiteit van Amsterdam.
Mevrouw Marleen de Vries: Beschaven! Letterkundige genootschappen in Nederland 1750-1800. Nijmegen, Vantilt, 2001.
Promotores: prof. dr. W. van den Berg, prof. dr. A.J. Hanou.
Referenten: prof. dr. N.C.F. van Sas (UvA), prof. dr. J.J. Kloek (UU), prof. dr. A.W.F.M. van de Sande (UL), dr. A.N. Paasman (UvA) en dr. G.J. Vis (UvA).

Beschaven! Samenvatting door Marleen de Vries.

Inleiding
Tussen 1750 en 1800 telde Nederland minstens zestig letterkundige genootschappen, onder te verdelen in beschouwende, taal- en dichtgenootschappen. Bijna alle verenigingen waren strak georganiseerd en hielden er uitgebreide wetten en statuten op na. Hun doel was verbetering van het niveau van de Nederlandse literatuur. Uitgangspunt van deze studie is dat in de genootschappen niet zozeer werd getheoretiseerd over literatuur, als wel geïdealiseerd. Literatuur groeide uit tot een middel in de strijd naar een betere, verlichte samenle- ving.

Hoofdstuk I: Idealen
Vandaar dat de genootschappen er vooral idealen op nahielden. Ze streefden naar een nieuw soort poëzie, die én maatschappelijk nuttig én 'vaderlands' én vooral beschavend moest zijn. Als aan die voorwaarden werd voldaan, zouden zowel dichtkunst als maatschappij vooruit gaan. Minder onbaatzuchtige motieven waren er ook. Veel leden hoopten via een lidmaatschap van een letterkundig genootschap op onsterfelijke roem, of op zijn minst, handige contacten. Hoe het ook zij, er ontstond een constructief literair klimaat. De genootschappen publiceerden veel: poëzie en theoretische verhandelingen. Dat laatste was vernieuwend. Literaire traktaten in de Nederlandse taal waren tot dan toe een zeldzaamheid. Bij dit alles bleef de bewondering voor klassieke literatuur groot. De sfeer in de genootschappen kan het best worden getypeerd als 'burgerlijkhumanistisch'.

Hoofdstuk II: Dichterlijke principes
Men begon bij het begin: de Nederlandse taal. Een standaard- spelling en grammatica bestonden nog niet. De taalgenootschappen uit de jaren 1760 probeerden beide te verwezenlijken. Zij richtten het allereerste literaire tijdschrift van Nederland op: Tael- en dichtkundige Bydragen (1758-1762). Uit hun gelederen ontstond in 1766 ook het eerste landelijke literaire genootschap, de nog altijd bestaande 'Maatschappij der Nederlandse letterkunde'. Dit genootschap poogde een groot woordenboek der Nederlandse taal samen te stellen. Het project strandde wegens te weinig animo, maar inmiddels was de status van de Nederlandse taal dermate gestegen, dat de dichtgenootschappen, die vanaf 1772 op grote schaal ontstonden, de taal konden laten voor wat zij was. Zij gingen over tot actie, schreven prijsvragen uit over breed maatschappelijke kwesties en publiceerden veel poëzie. In het kader van het beschavingsideaal was dat vooral zedenkundige en religieuze poëzie. Gelegenheidsgedichten werden verboden. Om inhoud ging het, om maatschappelijk relevante bijdragen; niet om virtuoze rijm- en schrijftechnieken. Vondel was het grote voorbeeld. Zijn poëzie ademde rebellie, strijdvaardigheid en engagement; precies datgene wat de achttiende-eeuwse genootschappers nastreefden.

Hoofdstuk III: Religie
Genootschappelijke wetten bepaalden dat alle leden christelijk moesten zijn. Religieuze gedichten waren veruit het populairst. Daarbij ging het om een vrijzinnig, heterodox soort religieuze poëzie, die geheel en al in dienst stond van het beschavingsideaal. Godsdienst en bijbel werden niet omwille van de dogmatiek beoefend, maar uitsluitend vanwege de bijbelse zedenleer. Niet het paradijs was het doel, maar een beter aards bestaan. Deugdzaamheid, al dan niet christelijk geïnspireerd, kon het vaderland redden. Predikanten speelden een belangrijke rol in deze gezelschappen. Zij waren ervan overtuigd dat poëzie het beste middel was om mensen te beïnvloeden, omdat poëzie regelrecht doordrong tot het hart. En wat was geloven anders dan voelen? Veel religieuze gedichten lopen over van emoties. Zowel qua inhoud als stijl was deze poëzie een verzet tegen de Frans-classicistische doctrine, die religieuze onderwerpen op het toneel verbood en een rationeler soort poëzie propageerde.

Hoofdstuk IV: Politiek en vaderlandsliefde
Het beschavingsideaal leidde in de patriottentijd onvermijdelijk tot politieke stellingname. Maakten de genootschappen veiligheidshalve eerst op verhulde wijze propaganda, allengs werd de toon duidelijker en radicaler. Via gedichten over vaderland en vrijheid in het algemeen, via verering van vaderlandse helden tijdens de Opstand, maar ook door middel van identificatie met buitenlandse vrijheidsstrijders, zoals Pascal Paoli, of slachtoffers van religieuze intolerantie, zoals Jean Calas, maakten de genootschappers hun standpunten duidelijk. Besloten genootschappen als 'Concordia et libertate' en 'Felix meritis' ontwikkelden zich in stilte tot patriottenclubs. Tussen 1780 en 1787 werden er opvallend veel nieuwe dichtgenootschappen opgericht. Het waren zowel mantelorganisaties als literaire clubs. Uit die periode stamt een groep 'protestdichters' waartoe Pieter Vreede, Johannes Lublink de Jonge, Brender à Brandis, Petronella Moens en Adriana van Overstraten behoorden. Later in de eeuw waren het jonge genootschapsdichters als Helmers, Tollens en Loots die deze verzetstraditie voortzetten. De genootschappen waren intussen democratischer georganiseerd dan de buitenwereld. Hun wetten waren open en duidelijk. Bij een meerderheid van stemmen werd een voorstel aangenomen. Dissenters, arbeiders en vrouwen waren in dichtgenootschappen welkom. Hun mening werd er serieus genomen. In 1795 verruilde een aanzienlijk gedeelte van de genootschapsbevolking de literaire loopbaan voor een politieke.

Conclusies
De productiviteit van genootschapsdichters was geheel en al het resultaat van het beschavingsideaal en niet van een ongebreidelde rijm- en schaafdrift, zoals in het verleden is beweerd. Vooral het feit dat de genootschappen zich als nieuw communicatiemedium presenteerden, verklaart hun succes. In een tijdsbestek van vijftig jaar slaagden zij erin een nieuwe, nationale, cultuurtaal te creëren, hoewel dat woord nog niet in zwang was. Die cultuurtaal was weliswaar in spelling niet gestandaardiseerd, maar haar idioom was dat wel. Door te schrijven en te spreken over zedenkunde, religie en vaderland ontstond een 'eenheidsthematiek' en ontwikkelden de genootschappen zich tot platformen voor publieke en politieke discussies.


Woensdag 13 juni 2001, 13.30 uur, Aula Katholieke Universiteit Nijmegen.
Mw. drs. P.H.J. de Hommel-Steenbakkers: Een openbaring: Parijs, Bibliothèque nationale, Ms. néerlandais 3. Nijmegen, Nijmegen University Press, 2001.
Promotores: prof. dr. A.M. Koldeweij, prof. dr. P.W.M. Wackers (UU).

De fascinatie met de Apocalyps van Johannes heeft door de eeuwen heen veel kunstwerken voortgebracht, waaronder een groot aantal geïllumineerde Apocalypshandschriften. Het handschrift néerlandais 3, de Apocalyps in Dietsche, dat wordt bewaard in de Bibliothèque nationale te Parijs maakt deel uit van die traditie. Voor zover bekend is er geen tweede volledig bewaard. Het proefschrift van mw. drs. de Hommel-Steenbakkers handelt over dit handschrift néerlandais 3. Voor de eerste maal is het als eenheid bestudeerd, dus zowel de tekst als de bladgrote afbeeldingen zijn onderzocht Deze interdisciplinaire aanpak maakt duidelijk wat de oorzaak is geweest van de onjuiste volgorde van een aantal hoofdstukken, stelt de West-Vlaamse origine van de vertaling ter discussie, plaatst het handschrift in de Middelnederlandse Apocalypstraditie en legt ten aanzien van de miniaturen een niet te ontkennen verband met de verluchte Anglo-Normandische Apocalypshandschriften.
Mw. drs. de Hommel-Steenbakkers (Udenhout ) behaalde in 1994 haar doctoraal Mediaevistiek (cum laude). Zij is medeauteur van Tolken Strafzaken Vreemdelingenzaken (Arnhem 1988) en van Nederlandse Rechtsbegrippen vertaald (Den Haag 1992 en 1998). E-mail: de.hommel@wxs.nl


[Dit nummer][Agenda]