|
Col: 0111.24
Date: Thu, 08 Nov 2001 12:03:16 +0100
From: P.A. Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 0111.24: Linguïstisch Miniatuurtje LXXXI: Ik leg
nog één keer uit wat ik bedoel
Linguïstisch Miniatuurtje LXXXI:
Ik leg nog één keer uit wat ik bedoel
Ik dacht even dat in dit academisch jaar de cursus Traditionele
Zinsontleding voorbij zou gaan zonder dat ik er een miniatuurtje
uit zou kunnen halen, maar gelukkig deed het tentamen me nog net op de
valreep een onderwerpje aan de hand. Het ging over het verschil tussen
het vragend en het betrekkelijk voornaamwoord wat, in de zin:
"Het is een uitdaging om aan de geïnteresseerde leek uit te leggen
wat ons vak inhoudt".
Toen ik dat tentamen opstelde, herinnerde ik me wel het miniatuurtje
dat ik in juli 1999 geschreven had over de zin "Er staat niet wat er
staat"
(http://www.neder-l.nl/bulletin/1999/07/990709.html) maar
ik dacht dat de problematiek die ik daar oprakelde, in deze zin
helemaal niet speelde. Ik had beter kunnen weten.
Wat is de woordsoort van wat in de constructie "uitleggen wat je
vak inhoudt"? Mijn idee was: vragend voornaamwoord, want de constructie
betreft een afhankelijke vraag, ruwweg te parafraseren als: "het
antwoord geven op de vraag: wat houdt je vak in?". De andere
mogelijkheid, betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent, zou
moeten leiden tot een parafrase als "datgene uitleggen wat je vak
inhoudt", en die kwam mij onwaarschijnlijk voor, dat wil zeggen: niet
in overeenstemming met de betekenis van de oorspronkelijke zin.
Nou dacht ik hiermee een helder onderscheid te hebben, maar zo'n
intuïtie is natuurlijk maar flinterdun. Vooral als je studenten,
misschien ook wel uit andere oogmerken dan linguïstische
integriteit, met stelligheid beweren dat die tweede parafrase helemaal
niet zo gek is. Waarom zou je dat niet kunnen zeggen, "datgene
uitleggen wat je vak inhoudt?" Tja, waarom niet?
Het helpt niet veel als je in zo'n geval probeert met nog grotere
stelligheid te beweren dat die tweede parafrase écht veel
slechter is dan de eerste, en dat de constructie aan alle kanten eruit
ziet, aanvoelt, en zelfs ruikt als een afhankelijke vraag. Ten eerste
kunnen je studenten tijdens het tentamen geen beroep doen op jouw
taalkundige onderbuikgevoel, maar de didactische uitdaging bestaat ook
niet zozeer in het uitoefenen van autoriteit, maar in het overtuigen
met argumenten. Je moet je gelijk aantonen, niet door de strot duwen.
Het is nog niet eens zo moeilijk om aan te tonen dat de analyse van
wat als vragend voornaamwoord een acceptabele benoeming is. De
parafrase is daarvoor misschien nog wel het slechtste argument. Je kunt
er ook op wijzen dat je gemakkelijk andere vraagzinnen kunt invullen op
de plaats van de bijzin met wat: "uitleggen hoe het zit, waarom
het zo zit, waar iets ligt".
Maar het kan nog sterker. Het Nederlands kent een soort
"vraagwoordpolaire elementen", die indicatief zijn voor vraagwoorden:
uitdrukkingen als "in vredesnaam", "nou eigenlijk", en het
onbeklemtoonde "toch" kunnen alleen maar gebruikt worden bij een
vraagwoord, en dus ook hier: "uitleggen wat je vak in vredesnaam
inhoudt", of "uitleggen wat je vak toch inhoudt". Het toevoegen van
vraagwoordpolaire elementen lijkt de betekenis van de zin niet
noemenswaardig te beïnvloeden.
Misschien dat je met zo'n uitleg al wegkomt, in de zin dat je mensen
ermee kunt overtuigen dat de vraagwoordlezing inderdaad het meest in
overeenstemming is met de bedoeling van de zin. Moeilijker wordt het om
aan te tonen dat de bijzin per se geen bijzin met ingesloten antecedent
kan zijn. Want waarom zou dat niet kunnen? Je kunt toch best "iets"
uitleggen, en dat "iets" omschrijven met "datgene wat je vak inhoudt"?
Tot overmaat van ramp is een betrekkelijke bijzin met ingesloten
antecedent heel wel mogelijk in die positie. Een duidelijk geval is de
zin "Ik heb gedaan wat ik moest doen", die de vraagwoordlezing mist,
maar die zin is uitstekend te transponeren naar het werkwoord
uitleggen: "Ik heb uitgelegd wat ik moest uitleggen". Die zin is
dan wel weer ambigu (met subtiel andere intonatie), omdat bij
uitleggen opeens de vraagwoordlezing weer opduikt, maar de
lezing met ingesloten antecedent is onloochenbaar. Toch houd ik de
indruk dat in de zin "uitleggen wat je vak inhoudt" de lezing met
ingesloten antecedent niet aanwezig is. Maar hoe dat te bewijzen?
Is bij dubbelzinnigheid de intonatie altijd een disambiguerende factor?
In het geval van "Ik heb uitgelegd wat ik moest uitleggen" is de
vraagwoordlezing verbonden aan de intonatie met klemtoon op
uitleggen, terwijl de betrekkelijke lezing de klemtoon op
moest vereist. In geval van "uitleggen wat je vak inhoudt" heb
je wel twee mogelijke intonaties, maar die lijken niet verbonden met
twee betekenissen. In beide intonaties dringt de vraagwoordlezing zich
op, ondersteund door de mogelijkheid van vraagwoordpolaire elementen.
Kun je in geval van een betrekkelijke bijzin met ingesloten antecedent
altijd een antecedent toevoegen? En zo ja, moet dat dan altijd
"dat(gene)" zijn of moet "alles" ook in alle gevallen mogelijk zijn?
Als dat laatste zo is, dan is de onmogelijkheid van "alles uitleggen
wat je vak inhoudt" een mooi argument om die lezing uit te sluiten.
Maar ik twijfel.
Maar hoe zit het eigenlijk met die bijzin, "wat je vak inhoudt"? Heeft
die wel een definiete lezing? Zet hem eens bij werkwoorden die geen
vraagwoordlezing accepteren: "bewonderen wat je vak inhoudt", "haten
wat je vak inhoudt". Kan dat wel? Het lijkt er sterk op dat het
werkwoord inhouden de gedachte aan een vraag noodzakelijk maakt.
Hoe komt dat? Ik denk dat het object van inhouden geen
universeel gequantificeerde woordgroep (alles of de) kan
zijn, omdat de betekenis een noodzakelijke partitionering inhoudt. Die
kun je bevragen, of expliciteren in een partitieve woordgroep ("van
alles") of een opsomming ("Mijn vak houdt in: dit, dat en dit").
Aangezien de betrekkelijke bijzin met ingesloten antecedent alleen
universeel gelezen kan worden, is dat een onmogelijke lezing bij dit
werkwoord.
Peter-Arno Coppen
|