0201.18 Terug
Vooruit 0201.20

Rub: 0201.19

Date: Wed, 23 Jan 2002 12:47:09 +0100
From: P.J. Verkruijsse <piet.verkruijsse@hum.uva.nl>
Subject: Rub: 0201.19: Hora est! Promotie M. de Vries op di 5 februari 2002 te Amsterdam; promotie J. Waszink op vr 22 februari 2002 te Amsterdam

Hora est!

Dinsdag 5 februari 2002, 14.00 uur, Aula Universiteit van Amsterdam, Singel 411.
Mark de Vries: "The Syntax of Relativization".
Promotor: prof. dr. W.G. Klooster; copromotor: dr. J.B. den Besten.
De complexiteit van de relatiefconstructie is interessant vanuit een syntactisch, semantisch en typologisch oogpunt. Deze studie handelt voornamelijk over de grammatica van betrekkelijke bijzinnen, maar ook de typologie komt uitgebreid aan bod, alsook de consequenties van typologische variatie en patronen voor de syntactische theorievorming.

In het eerste deel van dit boek wordt een keur aan (generatieve) syntactische analyses systematisch geëvalueerd aan de hand van bekende en minder bekende eigenschappen van de relatiefconstructie. De auteur pleit voor de zogenaamde promotie-theorie en verschaft op basis hiervan een gedetailleerde uitwerking van de syntaxis van de belangrijkste types relatiefzinnen in de wereld. Bovendien worden de verschillende soorten relatieve elementen zoals betrekkelijke voornaamwoorden besproken.

Het tweede deel van dit boek behandelt drie grammaticale verschijnselen met een algemenere strekking vanuit het perspectief van relativisatie. Deze zijn appositie, extrapositie en possessie. De belangrijkste conclusies zijn dat i) specificerende co-ordinatie het centrale concept is achter zowel appositie als extrapositie; ii) een uitbreidende betrekkelijke bijzin in feite een onechte vrije relatiefzin is die in appositie staat tot het antecedent; en iii) de perifrastische genitief de syntactische basis is voor alle possessieve constructies.

Dit proefschrift is van belang voor iedereen die zich met de relatiefconstructie bezighoudt, alsook voor een algemeen syntactisch georiënteerd publiek.


Vrijdag 22 februari 2002, 10.00 uur precies, Aula Universiteit van Amsterdam, Singel 411.
Jan Waszink: "Justus Lipsius, Politica. Edition, translation and introduction".
Promotor: prof. dr. C. Heesakkers.

Samenvatting

De politieke theorie in Justus Lipsius' Politicorum sive civilis doctrinae libri sex (1589), kortweg Politica, is een beschrijving van en een pleidooi voor een vorstengezag dat een onbelemmerd en realistisch gebruik van macht combineert met een doordringende morele inspiratie, om zo de belangen van de onderdanen veilig te kunnen stellen zonder enerzijds onthand te worden door beperkingen gesteld door de wet of de godsdienst, of anderzijds te vervallen in wetteloosheid en tirannie. De ratio en iustitia van het gezag van een vorst zitten voor Lipsius uitsluitend in de mate waarin het de belangen van de onderdanen dient, dat wil zeggen in de feitelijke vrede, orde en veiligheid die het brengt. Voor Lipsius vertegenwoordigen deze belangen een hogere moraal in zichzelf, waarvoor specifieke vereisten van rechtvaardigheid of moraal soms opzij gezet moeten worden: misleiding en bedrog kunnen voor hem instrumenten van goed bestuur zijn.

Het werk is aldus een poging om de verhouding tussen 'moraal' en 'realisme' (of Virtus en Prudentia) te herdefiniëren. Lipsius levert kritiek op de traditionele Christelijk-Ciceroniaanse politieke moraal, die hij als naïef en ineffectief beschouwt. Zijn belangrijkste vernieuwing ligt in zijn poging een moreel geïnspireerde raison d'état te scheppen, oftewel in zijn poging om de bovengenoemde posities, die in het toenmalige politieke en morele debat zeer vaak als elkaar uitsluitende tegenpolen optreden, te verenigen, en in hun combinatie dienstbaar te maken voor het algemeen belang. Hij presenteert deze toepassing van raison d'état als de enige manier om de vita civilis te bereiken, daarmee aangevend dat naar zijn mening een morele grootheid gelijkwaardig aan die van de Ciceroniaanse politieke moraal bereikt kan (en moet) worden met behulp van raison d'état-instrumenten. Het gebruik van raison d'état-instrumenten is dus niet slechts een recht van de vorst, of iets dat in de praktijk onvermijdelijk is, maar in bepaalde gevallen zelfs een morele plicht van de vorst.

Het beeld van de vorst bij zijn onderdanen, zijn maiestas en auctoritas, is hierdoor van cruciaal belang. Aangezien de onderdanen weten dat raison d'état-handelwijzen door de vorst worden toegepast, dienen zij een volledig vertrouwen te hebben in zijn morele inspiratie en zijn prudentia (best vertaald als staatsmanschap), en zich te onthouden van bemoeienis met of verzet tegen zijn regering. Op deze manier wordt de behoefte aan moreel aanvechtbare daden van de vorst geminimaliseerd. Lipsius pleit voor onderschikking van de godsdienst aan de politiek, om de politiek te bevrijden van eisen van de kant van de godsdienst die de orde en de stabiliteit van het rijk kunnen bedreigen. Lipsius' samenkoppeling van virtus en prudentia moet door dit alles een nieuwe, zuiver seculiere politieke moraal voortbrengen.

De Politica bestaat uit zes boeken, en kan worden onderverdeeld in een moralistisch en een realistisch gedeelte. In de eerste drie boeken verschaft Lipsius zichzelf een traditioneel moreel ethos, dat hem een basis van geloofwaardigheid geeft van waaruit hij in de laatste drie boeken die moraal kan gaan herdefiniëren. In boek 1 en 2 bespreekt hij virtus in het algemeen en de deugden van de vorst. De bespreking van prudentia begint in boek 3; in dit boek bespreekt Lipsius de raadgevers van de vorst en de juiste manier om hen te raadplegen. Boek 4 is het belangrijkste boek van de Politica en bevat de bespreking van prudentia civilis. De cruciale onderwerpen komen hier aan de orde: religieuze politiek (Lipsius verdedigt gedwongen eenheid van godsdienst terwille van de rust in de staat, maar ook, althans in de eerste versie van de Politica, vrijheid van geweten); het gebruik van macht; maiestas en auctoritas en hun tegendelen, en de mogelijkheden en onmogelijkheden van het gebruik van misleiding en bedrog door de vorst. Boek 5 is een meer 'technisch' handboek over het opbouwen van een leger. Boek 6 keert terug naar de politieke discussie en bespreekt hoe een vorst moet omgaan met burgeroorlog of de dreiging daarvan en een aantal daaraan verwante kwesties.

In Lipsius' opvatting was de oude Christelijk-Ciceroniaanse en constitutionele politieke moraal (zoals die in zijn tijd ook in de Nederlanden werd aangehangen en die de opstand tegen vorst en regering mede had doen ontstaan) een bedreiging voor een effectief bestuur, en Lipsius wilde deze bron van onvrede, verzet en chaos wegnemen. In afwijking van de politieke discussies in de pamfletten of de (weinige) andere politieke teksten uit de periode, gaat hij niet in op de thema's vrijheid, het recht op verzet, constitutioneel recht, of theocratisch bestuur. Hij plaatst zich hierdoor opzettelijk buiten de contemporaine politieke discussie in de Nederlanden: zijn doel was die discussie om te buigen in een zoektocht naar een sterk centraal gezag dat in staat zou zijn orde te brengen in de nieuw ontstane staat en veiligheid en stabiliteit te garanderen. Deze roep om een effectief, overheersend centraal gezag gebruikt ook ideeën geformuleerd door de Politiques in Frankrijk, die de regering bevrijd wilden zien van zijn verplichtingen aan de Kerk. Lipsius lijkt aldus een monarchie te willen schetsen die, in tegenstelling tot de Franse monarchie van zijn tijd, wel in staat zou zijn de burgeroorlog te stoppen en de chaos in de staat te overwinnen.

Deze opvatting moet geplaatst worden tegen de achtergrond van de bezwaren die toen vanuit Machiavellisch en Taciteïsch gedachtengoed werden ingebracht tegen de heersende politieke moraal als uitgedrukt in de vorstenspiegel-literatuur en de regels en gewoonten van de constitutionele monarchieën. Net als de geestverwanten van Machiavelli wijst Lipsius deze laatste politieke moraal af, als zijnde naïef en ineffectief (en dus gevaarlijk) temidden van de crises en de door hem acuut gevoelde chaos van de periode. Tegelijkertijd keert Lipsius zich echter ook af van het 'sceptische' gebruik van Tacitus zoals te vinden bij de Franse en Italiaanse Tacitisten van de periode. De politieke analyses van Tacitus waren voor hem eerder aanzetten voor een uitweg uit de getroebleerde omstandigheden dan voor een vergoelijking van manipulatief en excessief machtsgebruik. Hij wees de a-morele kanten van de Machiavellistische benadering van het regeren af, en in zijn poging om een moreel gefundeerde raison d'état te scheppen, moet Lipsius beschouwd worden als een genuanceerd Machiavellist of een genuanceerd anti-Machiavellist.

Deze visie op de politiek, met zijn gebrek aan religieus 'commitment', zijn anti-Ciceronianisme, anti-constitutionalisme en zijn voorzichtige verdediging van Machiavelli en raison d'état-bestuur was in Lipsius' tijd echter nog zeer controversieel, en kon niet vrij en openlijk verkondigd worden. Lipsius had rekening te houden met ernstige bezwaren van de kant van aanhangers van de constitutionele monarchie, Monarchomachen, de opstandelingen in de Nederlanden, strenge Katholieken en strenge Protestanten zowel als verdedigers van vrijheid van godsdienst; de termen ratio status en arcana imperii worden dan ook vermeden, hoewel Lipsius wel openlijk, doch voorzichtig, een lans tracht te breken voor Machiavelli. Na de publicatie van De Constantia in 1584 had hij al kennis gemaakt met de weerstand die filosofische theorieën met implicaties op het morele en religieuze vlak konden oproepen. Hij had voor de Politica dus een effectieve retorische vorm nodig, wilde hij niet alleen vermijden als Machiavellist en atheïst gebrandmerkt te worden, maar bovendien zijn gehoor van zijn ideeën overtuigen.

De Politica vertoont een invloed van (Neo-)Stoïsch gedachtengoed, en (Neo-)Stoïsche elementen kunnen worden onderscheiden in Lipsius' opvatting van raison d'état, maar het werk is niet overwegend Neostoïsch van aard in de zin van de restauratie van de gedachtenwereld van de Romeinse Stoa. De belangrijkste inspiratie voor de Politica komt van Tacitus en de Machiavelli van Il Principe. Deze auteurs leverden Lipsius de kern van zijn visie op macht en moraal, die verder werd aangevuld door het opnemen dan wel weerspreken van ideeën afkomstig van vooral Sallustius, Seneca, Guiccardini, Bodin en de Christelijk-Ciceroniaanse moraal. Hoewel Lipsius in de tekst naar Aristoteles verwijst als een belangrijke bron, spelen Aristoteles' morele en politieke theorieën in feite geen vooraanstaande rol in de Politica.

De Politica moest een breed en hoogopgeleid publiek bereiken. Lipsius probeerde daarom het werk een literaire en inspirerende, en misschien zelfs modieuze vorm te geven, die tevens de ontvangst van zijn controversiële politieke theorie makkelijker zou moeten maken. Hij beschrijft deze vorm zowel als Cento ('lappendeken') als als een zogenaamd gemeenplaatsenboek, de systematische verzamelingen van citeerbare frasen en passages die lezers in deze tijd vaak aanlegden bij hun lectuur van de klassieken. Het onderwerp Monarchie is in de Politica op de wijze van een gemeenplaatsenboek onderverdeeld in rubrieken, die elk hun eigen hoofdstuk hebben gekregen. De kopjes van de hoofdstukken kunnen gezien worden als de loci communes of rubrieken van een gemeenplaatsenboek, waaronder de relevante citaten verzameld zijn. De tekst in deze hoofdstukken is opgebouwd uit citaten, sententiae, uit Latijnse, Griekse en (in mindere mate) Patristische auteurs uit de Oudheid, die tot een geheel worden gemaakt door verbindende zinnen en definities van Lipsius. Deze vorm was bij uitstek geschikt voor een tractaat waarvan de hoofdlijnen waren ontleend aan de 'sententious historian' Tacitus. In deze discontinue schrijftrant zijn beknopte vorm en suggestieve ('onthullende') inhoud nauw aan elkaar verbonden aspecten van een en dezelfde stijl, en deze combinatie was bij uitstek geschikt om Lipsius' paradox van 'deugdzame misleiding' en manipulatie op de lezer over te brengen.

Voor de lezer heeft de gemeenplaatsenboek-vorm twee belangrijke effecten. Ten eerste de mogelijkheid om het werk op twee verschillende manieren te lezen, namelijk ofwel als een verzameling politieke maximen zonder overkoepelende auteursintentie, ofwel als een politiek tractaat mèt een coherente argumentatie. Op deze laatste manier gelezen stelt de Politica de lezer voor problemen van interpretatie, want een gemeenplaatsenboek bevat normaal gesproken geen auteursintentie.

Wanneer de Politica wordt gelezen als een tractaat met auteursintentie (hetgeen naar de mening van de huidige bezorger de belangrijkste leeswijze is), moet de lezer relatief -in vergelijking met een gewoon tractaat- veel eigen interpretatie-werk doen om Lipsius' betoog tot zich te nemen. De lezer moet bijvoorbeeld eigen beslissingen nemen over welke aspecten en elementen uit de oorspronkelijke contexten van de citaten hij in zijn lezing van de Politica wil opnemen en welke niet. Als gevolg hiervan heeft de lezer ook een relatief grote vrijheid van interpretatie, terwijl de tekst, als werk van politieke theorie, een tractaat met een begrensde en samenhangende auteursintentie blijft. Als 'pseudo'-gemeenplaatsenboek suggereert de tekst dus een grote vrijheid van interpretatie, terwijl het werk in feite geen ware (niet van tevoren uitgedachte) collectie sententiae is, maar een verzameling citaten die zijn geselecteerd in overeenstemming met de bedoelingen van de auteur, en gepresenteerd worden in een volgorde die die bedoelingen dient.

Tevens geven de open ruimtes tussen de sententiae het werk een zekere gelijkenis met een dialoog. Deze 'dialectische' kant van de Politica verhoogt de suggestie van vrijheid van interpretatie. De lezer kan zichzelf als het ware in gesprek voelen met de grote geleerde Lipsius, en kan op simpele wijze zijn lezing van het werk verrijken door uitbreidende of contrasterende elementen uit de omgevingen van de citaten, of uit andere teksten, erbij te halen, alsof hij in discussie was met een dialoogpartner. De bronverwijzingen die Lipsius erbij geeft, stellen de lezer in staat direct naar de oorspronkelijke contexten van de citaten terug te gaan, hoewel blijkt dat Lipsius niet verwachtte dat zijn lezers dit systematisch zouden doen. Door, in het voorwoord, de lezer uit te nodigen materiaal uit eigen lezing toe te voegen impliceert Lipsius ook dat de portée van zijn werk in overeenstemming is met de hoofdlijnen van het politieke denken uit de Oudheid. Met deze middelen zet Lipsius de arbeid die de lezer in het verleden zelf heeft verricht bij het lezen van de klassieke literatuur, voor zijn eigen betoog aan het werk.

Op deze wijze maakt de tekst de lezer medeverantwoordelijk voor zijn conclusies. In de werkelijkheid is er immers maar een klein verschil tussen "Ja, die passage ken ik" en "Ja, dat klopt". De vorm van het werk is met andere woorden een poging om de lezer uit eigen beweging de conclusies van de Politica te doen onderschrijven, of op zijn minst serieus in overweging te laten nemen. De Politica moet dus, als deze hypothese klopt, de lezer laten concluderen dat Lipsius' raison d'état-monarchie de beste staatsvorm is, terwijl deze conclusie hem voorkomt als zijnde van hemzelf, in plaats van vooral afkomstig van Lipsius. Op deze manier hoopte Lipsius bij te dragen aan een positievere waardering van de toepassing van raison d'état-overwegingen bij het regeren.

De spontane instemming was min of meer noodzakelijk voor het succes van de door Lipsius gepropageerde staatsvorm, want zonder de bereidheid van de onderdanen om zich zonder verzet aan het gezag van de vorst te onderwerpen was dit succes niet mogelijk, en voor deze bereidheid was het nodig dat de onderdanen overtuigd waren van de noodzaak van het politieke systeem in kwestie. Om zijn politieke theorie geaccepteerd te krijgen, past Lipsius op zijn gebied precies het soort manipulatie toe die hij wil dat de vorst op het gebied van regeren toepast: een zekere mate van misleiding met een hoger doel, namelijk de instemming van de lezer, respectievelijk de onderdaan, te krijgen met de voorgestelde politieke theorie, respectievelijk het gevoerde bestuur. Deze overtuigingsstrategie verklaart de complexe en ongewone vorm van het werk.

De Politica werd na verschijnen door velen geprezen, hoewel tevens het controversiële potentieel ervan spoedig werd bevestigd door de reacties van het Vaticaan, Dirck Volkertszoon Coornhert en sommige van Lipsius' correspondenten. Het werk werd op Sixtus V's Index van verboden boeken geplaatst, en Lipsius vervaardigde in de jaren 1593-5 een nieuwe versie door een aantal bezwaarlijke passages aan te passen. Zijn belangrijkste richtsnoer bij deze aanpassing moet de Censura door Laelius Peregrinus, consultor van de Sancta Congregatio Indicis (SCI) in Rome zijn geweest, nu bewaard in de archieven in de Sant'Uffizio in Rome, en een serie aanvullende opmerkingen door Roberto Bellarmino en Francesco Benci, bewaard als onderdeel van Lipsius' correspondentie. Bestudering van deze stukken laat zien dat Lipsius zoveel mogelijk van de oorspronkelijke versie heeft proberen te behouden. In reactie op aanwijzingen van de SCI paste hij zijn principiële verdediging van vrijheid van geweten aan tot een zeer terughoudende aanbeveling van gewetensdwang, maar alleen als die echt uitvoerbaar is, maar handhaafde, in weerwil van de instructies van de SCI, zijn verdediging van Machiavelli en raison d'état, hoewel hij wel zijn meest expliciete uitspraken in deze richting wat meer heeft gemaskeerd.

Wat betreft de vraag of Lipsius een politiek en religieus opportunist was of een principiële irenist die boven de conflicten en partijschappen uitsteeg, kan geconcludeerd worden dat hij met zijn poging een bijdrage ten goede te leveren aan de door hem als algemene crisistoestand gevoelde situatie beslist moed heeft vertoond, maar dat hij anderzijds niet wilde dat deze poging hem zijn eigen veiligheid, gemoedsrust of carrière zou kosten. Het was zeker een daad van morele moed om in de gegeven omstandigheden, en in weerwil van de instructies van het Vaticaan, te trachten een lans te breken voor Machiavelli en het raison d'état-denken, en zijn initiële verdediging van vrijheid van geweten kwam voort uit hoge intellectuele principes. Onder druk van het Vaticaan wisselde Lipsius deze laatste verdediging echter in voor een theorie die veel meer in overeenstemming was met het standpunt van het Vaticaan.

De geëxpurgeerde versie van de Politica, die vanaf 1596 werd gedrukt en de basis is van de huidige editie, kreeg de goedkeuring van de Leuvense censor Cuykius, waarbij het Vaticaan deze goedkeuring impliciet accepteerde door het werk niet op de volgende uitgave van de Index te plaatsen. Wanneer men het geheel overziet, kan het echter makkelijk verbazing wekken dat de Politica inderdaad van de Index verdween; inderdaad riep het werk nieuwe vragen op binnen de SCI in 1601 en 1611, en verscheen het op de Spaanse Indices van 1612 en 1667. Kardinaal Bellarmino verdedigde de Politica toen binnen de SCI met kracht tegen een nieuwe, sterk afkeurende censura door de consultor Petilius. Het 'proces' van de Politica bij de SCI was aldus onsystematisch en inconsistent, en werd ook beïnvloed door interne leerveschillen binnen de kerk. De Politica is waarschijnlijk met deze kerkelijke debatten verbonden via de omgeving van gematigd-Erasmiaanse Jezuïeten waarin Lipsius zich in de jaren 1560 in Leuven bewoog.

Summary in English

The political theory presented in Justus Lipsius' Politicorum sive civilis doctrinae libri sex (1589) is a call for a monarch who combines a realistic and unhampered use of power with a pervasive moral inspiration, thus securing the interests of his subjects (safety, peace, and order) without either being disarmed by the demands of law or religion, or misguided by his own power into becoming a tyrant. For Lipsius, the ratio and iustitia of the prince's rule reside in the way it serves utility, i.e. the interests of the subjects, understood as the actual peace, order, safety and morality it brings. For him the interests of the people as a whole present a higher moral cause in itself, for which particular demands of justice or morality must sometimes be set aside: fraud and deception may be part of good government.

The work thus constitutes an attempt to redefine the relationship in politics between the two opposite poles of morality and realism (or Virtus and Prudentia). Lipsius criticises the traditional Christian-Ciceronian political morality as naive and ineffective. His main innovation lies in the creation of a morally guided reason of state, i.e. in the joining together in the service of the common good of these until then mutually exclusive positions in the moral and political debate. Lipsius presents this application of reason of state as the only way to achieve the vita civilis, thus indicating that a moral greatness equal to that attained by old 'Ciceronian' approach to government can, and must, be achieved with the help of reason of state-instruments. Thus the application of reason of state is not merely a 'right' of a prince, or something unavoidable in reality, but in certain cases an actual moral duty.

Consequently the prince's public image, his maiestas and auctoritas, is of pivotal importance to the community: being aware that reason of state-instruments are being applied, the subjects must still trust in their prince's virtuous inspiration and his prudentia (best translated as statesmanship) and refrain from interfering with or resisting the government: in this way, the very need for less laudable measures is minimised. Lipsius advocates the submission of religion to politics in order to free politics from the demands of religion, which may threaten the order and stability of the realm; his joining together of Virtus and Prudentia must produce a new secular morality of politics.

The Politica consists of six books, which can be subdivided into a 'moral' and a 'realistic' half. In the first three books Lipsius carves out for himself a traditional moral ethos which provides him with a basis of acceptability and credibility from which, in the last three books, he can proceed to reshape that traditional morality. In books 1 and 2 he discusses virtue in general and the virtues of the prince. The discussion of Prudentia starts in book 3: in this book Lipsius discusses the prince's counsellors and the right way to consult them. Book 4 is the most important part of the Politica, the discussion of prudentia civilis. Crucial topics are discussed here: religious policy (Lipsius advocates enforced unity of religion for the sake of peace and order in the state, but also, at least in the first version of the Politica, defends freedom of conscience), potentia, maiestas and auctoritas and their opposites, and the use of fraud and deceit by the prince. Book 5 is a more technical 'handbook' on how to build up a standing army, included to give substance to Lipsius' call for a standing army. Book 6 returns to the more 'political' argument and discusses the prince's actions when faced with a threat of civil war and some related aspects.

In Lipsius' perception the Ciceronian constitutional morality adhered to in the Netherlands (which had contributed to resistance against the prince and government by the States) was a threat to effective general government, and he wished to eliminate this source of disagreement, resistance and disorder. The Leiden professor does not address the topics of liberty, resistance and constitutional law, or even theocratic rule, thus deliberately placing himself apart from contemporary Dutch political debates: his aim was to redirect the discussion towards a search for strong central rule capable of organising the country and securing safety and stability. Lipsius puts the emphasis on government rather than on liberty. This call for effectively dominant central government also applies ideas formulated by Politiques in France who wanted to free politics from its obligations to religion. It seems that Lipsius tries to sketch a monarchy which, unlike the French monarchy at the time, would be capable of overcoming strife and disorder.

This theory must thus be set against the background of the then-topical Machiavellian and Tacitist challenges to the prevailing political morality as expressed in the mirrors-for-princes literature and the rules and customs of the constitutional monarchies. Lipsius dismisses the latter political mentality as naive and ineffective (and therefore dangerous) among the dilemmas and troubled circumstances of the period which he perceived as very acute. At the same time, however, he turned away from the 'sceptical' use of Tacitus as found with the contemporary French and Italian Tacitists: in Tacitus' works Lipsius perceived a guide towards an escape from the chaos rather than an extenuation of manipulative or excessive use of power by princes. He dismisses the a-moral potential of the 'Machiavellian' approach to ruling: in his attempt to formulate a morally founded reason of state, Lipsius should be considered a moderate Machiavellian or a moderate anti-Machiavellian.

However, at the time this vision of politics, with its religious detachment, its anti-Ciceronianism, anti-constitutionalism and its cautious defence of Machiavellian ideas and reason of state was highly controversial, and could not be put forward candidly. Lipsius had to count on objections from constitutional monarchists, monarchomachs, the revolutionaries in the Netherlands, strict Catholics as well as strict Calvinists and defenders of religious freedom, and mentioning of the terms like arcana imperii and ratio status is avoided (though Lipsius does cautiously try to break a lance for Machiavelli). After the publication of De Constantia in 1584, Lipsius had already experienced some of the opposition philosophical theories bearing on moral issues might provoke. Therefore Lipsius needed an effective rhetorical format if he was to not only escape being stigmatised as a Machiavellian atheist, but even to convince his audience of his ideas.

The Politica shows an influence of (Neo)stoic ideas, and (Neo)stoic ideas can be recognised to play role in Lipsius conception of reason of state, but the work is not predominantly (Neo)stoic in nature in the sense of the restoration of the Roman Stoa. It draws its main inspiration from Tacitus and the Machiavelli of Il Principe: for Lipsius these authors were the central axis of a vision of power and morality which was supplemented and further differentiated through the respective endorsement or dismissal of ideas from, most importantly, Sallust, Seneca, Guiccardini, Bodin, and the Christian-Ciceronian complex. He is very critical of some of Cicero's key doctrines. Though Lipsius points at Aristotle as an important model, Aristotle's ethics and politics do not in fact play a significant role in the work.

The Politica was meant to attract a large well-educated reading public. Lipsius tried to give his work a literary and stimulating, perhaps even fashionable format, which would also serve as an instrument to facilitate the acceptance of his controversial political theory. Lipsius describes the format both as a Cento ("patchwork"), and as a so-called Commonplace-book (a systematic collection of passages and quotations taken from personal reading). After the manner of the commonplace-book, the subject of monarchy is subdivided into topics, each of which has been given its own chapter. The chapter headings, which define the topic of the chapter, can be seen as the loci communes or heads of a commonplace-book, under which the quotations to the topic are brought together. The text in the chapters consists of quotations, sententiae, from classical Latin and Greek and (a few) patristic authors. Lipsius connects and makes these sententiae into a whole by connecting phrases, sentences and definitions. This format was especially suitable for a treatise drawing extensively on the "sententious historian" Tacitus. In this 'discontinuous' mode of writing, short, pithy form and suggestive ("revealing") content are inseparable aspects of the same 'style', and this combination was pre-eminently suitable to convey Lipsius' paradox of 'virtuous deception' and manipulation to the reader.

For the reader, the commonplace-book format has two main effects: first, it offers him the possibility to read the work in two different ways: either as a collection of political maxims without authorial intention, or as a political treatise containing a coherent argument. When read in this way, the commonplace-book format poses problems of interpretation, for a collection of commonplaces does not normally contain an authorial intention.

When the Politica is read as a treatise with an authorial intention (which, in the opinion of the present editor, is the main way to read the work), the reader must do relatively much interpretative work for himself, making, for example, his own decisions as to which meanings from the original contexts of the quotations he is supposed to include in his reading and which not. As a result, the reader possesses a relatively great freedom of interpretation. At the same time, however, the Politica, as a work in political theory, does contain a coherent, limited argument. As a 'pseudo'- commonplace book, the text suggests a great freedom of interpretation, while in reality, the work is of course not a true 'random' (unplanned) collection of citations, but a carefully selected collection of those citations which fit in with the purposes of the author, presented in an order which serves those purposes.

Also, the open spaces between the sententiae in some ways cause the work to resemble a dialogue. This 'dialectical' aspect of the work contributes to a suggestion of freedom of interpretation for the reader. The reader could feel himself to be in discussion with the scholar Lipsius, and can easily supply and enrich his own reading of the work by adducing notions from the original contexts of the citations or other, similar or contrasting, citations, as if he were responding to the argument of a dialogue-partner. The source-references enable the reader to refer to the original contexts --though it appears Lipsius did not expect his readers to actually and systematically turn to the original contexts. By inviting the reader to add material from his own reading in the preliminary matter, Lipsius also implies that the political thought of the Politica is representative of and in harmony with that of the classics in general. Lipsius thus puts to work for his own argument the work done in the past by the reader on reading the classics by referring to their shared knowledge of classical literature.

Thus, the text makes the reader share in the responsibility for its conclusions: in reality there is only a small difference between "Yes, I know that passage" and "Yes, that's correct". In other words, the format of the Politica is an attempt to make the audience of their own accord agree with, or at least seriously consider, Lipsius' controversial doctrine of government. The Politica, if this is true, should lead the reader to conclude that reason of state-monarchy is the best form of government, while this seems to be his own (and not in the first place Lipsius') conclusion. Lipsius thus helped open the way for a positive appreciation of reason of state as an 'instrument' of government.

This 'spontaneous' assent was more or less necessary for the success of the proposed form of government itself, for it requires the willingness of the subjects to submit to the prince's authority without opposition or resistance, and this requires their being convinced of the necessity of the political system in question. In order to have this theory of 'virtuous deception' accepted, Lipsius, as prince of scholars, in his field applies precisely the kind of manipulation he wants the prince to apply in the field of ruling: a certain level of deception with a higher aim, i.e. to secure the audience's/the subjects' assent with the political theory/the policies in question. This persuasive strategy may explain the choice for the complex and unusual format of the work.

The Politica was praised by many, although its controversial nature was soon confirmed as well by the reactions from the Vatican, Dirck Coornhert and some of Lipsius' correspondents. The work was put on the Index Librorum Prohibitorum of Sixtus V of 1590, and in 1593-5 Lipsius prepared a new edition by correcting objectionable passages. The main directive for this correction must have been a censura by Laelius Peregrinus, consultor of the Sancta Congregatio Indicis (SCI) in Rome, and a set of additional notes by Francesco Benci and Roberto Bellarmino. Study of these documents shows that Lipsius tried to preserve as much of the original text as possible. In reaction to the SCI's instructions, he exchanged his principled defence of freedom of conscience for a reluctant recommendation of constraint of consciences, but only if actually feasible, and followed the SCI's instruction with respect to a series of minor points, but in defiance of the SCI's instructions, he in fact fully maintained his defence of Machiavelli and Reason of State, though he somewhat more masked his most explicit statements.

With respect to the question whether Lipsius was a spineless sycophant in religious matters, or a high-principled irenecist rising above the conflict, we conclude that he did show courage in order to have an influence for the good on the general situation, but did not want this to go at the expense of his own safety, career, or peace of mind. It was an act of moral courage indeed, given the mentality of the period, and in defiance of the Vatican's demands, to try and break a lance for Machiavelli and reason-of-state government, and the initial defence of the principle of freedom of conscience departed from high intellectual principle; however, under pressure of the same Vatican, he exchanged most of the latter for a doctrine much more obedient to the Vatican's wishes.

The expurgated version of the Politica, which was printed from 1596 onwards and which formed the basis of the present edition, obtained the approval of the Louvain censor Cuykius, while Rome implicitly accepted this approval by not putting the work on the Index again. On the whole, however, it may be found surprising that the Politica indeed disappeared from the Index, and the work indeed provoked new criticisms within the SCI in 1601 and 1610-11, and appears on the Spanish indexes of 1612 and 1667. Cardinal Roberto Bellarmino fiercely defended the work within the SCI against the new censura of the consultor Petilius. Thus, the 'process' of the Politica by the SCI was unsystematic and inconsistent, and also reflects doctrinal differences within the Church. The Politica is probably connected with these debates within the Catholic Church through the humanist and moderately Erasmian Jesuit circles in Louvain in which Lipsius moved in the 1560s.


[Dit nummer][Hora est!][Agenda]