0201.26 Terug
Vooruit 0201.b
Vorig Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgend Miniatuurtje

Col: 0201.27

Date: Tue, 22 Jan 2002 16:55:35 +0100
From: P.A. Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 0201.27: Linguïstisch Miniatuurtje LXXXII: Een leefbaar miniatuurtje

Linguïstisch Miniatuurtje LXXXII:
Een leefbaar miniatuurtje

Ik kan me voorstellen dat er mensen zijn die bij het lezen van de titel van dit miniatuurtje in de veronderstelling verkeren dat ik opeens de negentiende-eeuwse spelling aanhang, dan wel de voortanden kwijt ben. Hoewel onjuist, is deze gedachtegang helemaal niet zo gek. Het woord 'leesbaar' was hier heel wat waarschijnlijker geweest dan 'leefbaar', dat eigenlijk helemaal nergens op slaat. Toch?

We leven in een tijd waarin een partij als 'Leefbaar Nederland' van zich doet spreken, en allerlei 'Leefbaar-X'partijen als paddestoelen uit de grond schieten. Ik denk dat niemand zich realiseert dat 'leefbaar' eigenlijk een heel bijzonder woord in het Nederlands is.

Vrijwel alle woorden op het achtervoegsel '-baar' zijn afgeleid van transitieve werkwoorden, en zijn van toepassing op het lijdend voorwerp van die werkwoorden. Ze voegen daar een modaal betekenisaspect aan toe ('kunnen') en hebben vaak een positieve kleuring ('goed'). Een leesbaar boek is een boek dat je kunt lezen en dat zelfs prettig is om te lezen. Toegepast op een werkwoord V zou je de betekenis van V-baar kunnen omschrijven als 'kan (goed) ge-V-d worden'.

Het lijdt geen twijfel dat dit woordvormingsprocédé in het huidige Nederlands productief is. Je kunt bijna elk transitief werkwoord nemen en er een bijvoeglijk naamwoord op '-baar' van maken. Maar het is ook duidelijk dat niet alle bestaande '-baar'-woorden hiermee verklaard zijn. Onder andere 'leefbaar' is niet gevormd met het transitieve werkwoord 'leven'. Meer precies gezegd: 'leven' is wel transitief ('je leeft je leven'), maar in 'een leefbaar land' is het land niet het lijdend voorwerp van 'leven'.

Nu lijkt het net alsof ik vertel dat ik hier iets nieuws ontdekt heb, maar dat is niet zo. Dit alles is al lang bekend en opgetekend in de woordenboeken en morfologische naslagwerken. Maar niet helemaal correct, zo dunkt mij.

Neem bijvoorbeeld Van Dales Groot Woordenboek. Dat heeft vanaf 1975 de omschrijving 'geschikt om erin of ermee te leven' (o.a. 'leefbare samenleving', 'leefbaar klimaat'), maar in de laatste drukken wordt daarbij aangetekend dat deze betekenis 'mogelijk onder invloed van het Engelse livable' ontstaan is. Tja. Het lijkt me best mogelijk dat de Engelsen hun woord 'livable' eerder zijn gaan gebruiken in deze betekenis, maar in het Engels is dat woord natuurlijk net zo uitzonderlijk als in het Nederlands. De verklaring die je kunt bedenken voor het Engelse gebruik is ongetwijfeld onmiddellijk toe te passen op de Nederlandse situatie, waardoor de omweg van de ontlening zo niet compleet overbodig wordt, dan toch in elk geval geen enkele verklaring biedt voor de woordvorming.

Het WNT geeft onder het lemma '-baar' een aardige schets van de ontwikkeling van dit achtervoegsel. Oorspronkelijk betekent het letterlijk 'dragend' (van het Germaanse 'beran'). Dat is nog te zien in een huidig woord als 'vruchtbaar' (lett. 'vruchtdragend'). Van daaruit ontstaat een veralgemening tot 'met zich meebrengend, aanleiding gevend tot', in woorden als 'dankbaar', 'kostbaar', 'dienstbaar', 'ruchtbaar'. Hier valt de betekenis samen met het Engelse '-able', dat met het Latijnse 'habere' ("hebben") samenhangt. Dan krijg je een ontwikkeling naar 'bestand tegen', met woorden die net zo goed van een zelfstandig naamwoord als van een werkwoord kunnen zijn afgeleid ('reisbaar', 'strijdbaar'). En ten slotte ontstaat de nu productieve betekenis van 'bestand tegen' naar 'kunnende ondergaan'. Het WNT postuleert dat van daaruit weer een nieuwe ontwikkeling valt waar te nemen naar 'kunnende', op basis van werkwoorden met zowel transitief als intransitief gebruik, zoals 'brandbaar'. Dat geeft aanleiding tot 'vloeibaar', 'ontplofbaar', 'vatbaar', 'groeibaar' en: 'leefbaar'. Maar pas op: dat betekent dus hier 'kunnende leven'. Ik betwijfel of deze laatste ontwikkeling juist gezien is.

De morfologische handboeken zoals De Haas en Trommelen signaleren het gebruik van -baar bij intransitieven als 'ontbrandbaar', 'ontplofbaar', 'verkleurbaar', 'leefbaar' en 'werkbaar', en merken eenvoudigweg op dat 'leefbaar' en 'werkbaar' als "onergatieven" (intransitieven met als hulpwerkwoord van tijd 'hebben') "een passieve betekenis hebben". Dat lijkt me deels onjuist ('een werkbaar plan' kan ook omschreven worden als 'een plan dat werkt'), en in elk geval onvolledig: het gaat hier zeker niet om een gewone lijdende vorm, want de betreffende werkwoorden hebben geen lijdend voorwerp. Er is meer aan de hand.

Hoewel we hier te maken hebben met een onproductief procédé, en slechts incidentele gevallen, geloof ik toch dat er een algemener patroon waar te nemen is dat tevens van toepassing is op de normale gevallen. Mijns inziens hebben we te maken met een 'middenconstructie': een constructie waarin een werkwoord intransitief gebruikt wordt met een bepalend woord als 'lekker' of 'goed', en waar het eigenlijke lijdend voorwerp of een bij het werkwoord horende plaats- of instrumentbepaling als onderwerp optreedt. Gevallen als 'dit boek leest lekker', 'dit bed ligt goed' en 'deze pen schrijft gemakkelijk'. Bij omzetting naar een actieve constructie moet het onderwerp weer lijdend voorwerp worden, of komt het in een met- of in-bepaling te staan: je leest een boek, je ligt in een bed en je schrijft met een pen.

Jan-Wouter Zwart stelt in een artikel uit 1998 voor om deze constructies te beschrijven als een soort causatieven, in een parafrase als 'het bed maakt liggen goed', 'het boek maakt lezen lekker' en 'de pen maakt schrijven gemakkelijk'. 'Liggen' en 'maken' smelten samen tot één werkwoord, en de constructie is geboren. Ik zal niet zeggen dat deze analyse zonder problemen is (zo is bijvoorbeeld onduidelijk hoe de predicatieve relatie tot stand komt, en hoe de beperkingen op het object of de bepaling van het werkwoord overgaan op het subject van de causatief), maar de overeenkomst in de constructies is treffend gestalte gegeven.

In elk geval is duidelijk dat een analyse als deze naadloos aansluit bij alle '-baar'-gevallen. Een leesbaar boek is een boek dat het lezen (goed) mogelijk maakt, een werkbaar plan is een plan dat het werken (goed) mogelijk maakt, en een leefbaar land is een land dat het leven (goed) mogelijk maakt. Het predikaat uit de middenconstructie verklaart het modale betekenisaspect 'kunnen', dat ook in de normale constructie zo duidelijk aanwezig is. Bovendien zijn in deze analyse alle gevallen op dezelfde manier gevormd en zijn er geen uitzonderingen. En geen vreemde indringers uit Engeland. Misschien toch iets voor een e-mailtje aan Pim Fortuyn.

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]