|
Col: 0203.43
Date: Fri, 22 Mar 2002 16:49:05 +0100
From: P.A. Coppen P.A.Coppen@let.kun.nl
Subject: Col: 0203.43: Linguïstisch Miniatuurtje LXXXIII: Mee uit
Linguïstisch Miniatuurtje LXXXIII:
Mee uit
Wat is het verschil tussen de constructies 'We gaan uit eten' en 'We
gaan mee fietsen'? Zijn 'uit' en 'mee' delen van het werkwoord of
zelfstandige woorden? En hoe zitten die constructies dan in elkaar? Dat
vroeg mij onlangs een collega die in het kader van de syntactische
annotatie van een groot corpus van gesproken tekst met deze problemen
geconfronteerd werd. De kwestie is een mooie illustratie van het
inzicht dat weliswaar iedereen vindt dat het aanleggen van grote
geannoteerde corpora het taalkundige onderzoek een flinke stap vooruit
kan helpen, maar dat aan de andere kant de meest eenvoudige
constructies al snel voor onoverkomelijke annotatieproblemen zorgen.
Het antwoord op de bovenstaande vragen is namelijk: "Dat weten we
niet".
Het feit dat er geen consensus is over de analyse van een constructie
heeft nog nooit een taalkundige van speculaties weerhouden. Maar er
valt ook wel degelijk iets taalkundig verstandigs over beide
constructies te zeggen. Gedeeltelijk is dat ongetwijfeld al gebeurd (al
heb ik dat niet zo snel kunnen vinden). Toch lijkt met name het woordje
'mee' een van die eeuwige kwesties waar taalwetenschappers zich nog
jaren de tanden op stuk zullen bijten.
De constructie met 'uit' lijkt het eenvoudigst. De ANS analyseert hem
als een aanvulling bij de werkwoorden 'gaan', 'zijn' of een
hulpwerkwoord van modaliteit. Die aanvulling bestaat uit het woordje
'uit' met een infinitief zonder 'te', eventueel aangevuld met een
object waarmee het een semantische eenheid vormt. Bijvoorbeeld: 'Ik
hoor dat meneer Prikkebeen weer uit vlinders vangen gaat/is/wil'. De
ANS lijkt zich hiermee op het standpunt te stellen dat in deze
constructie 'gaan/zijn' of het hulpwerkwoord van modaliteit het
hoofdwerkwoord is, en de constructie met 'uit' + infinitief een soort
complement. In geval van het hulpwerkwoord van modaliteit neemt de ANS
aan dat 'gaan' is weggelaten (dat zou in het geval van 'zijn'
natuurlijk ook mogelijk zijn).
De stelling dat 'gaan' het hoofdwerkwoord is wordt ondersteund door de
ANS-observatie dat in de voltooide tijd niet de vervangende infinitief
wordt gebruikt (IPP), maar het voltooid deelwoord: 'ik hoor dat hij uit
eten gegaan is'. Helaas geeft de ANS geen voorbeeld van de
ongrammaticale zin met IPP. Had zij dit gedaan, dan was meteen
duidelijk geweest dat het met die ongrammaticaliteit wel meevalt. Wat
is er tegen op een zin als 'Ik hoor dat hij uit is gaan eten'?
Hoe dit ook zij, de conclusie is dat 'uit' in elk geval een apart
element is dat geen samengesteld werkwoord vormt met 'gaan' of het
hoofdwerkwoord van de zin.
'Mee' lijkt een geheel ander chapiter. De ANS stelt dat in principe elk
werkwoord met 'mee' kan worden aangevuld. Omdat 'mee' een deel van een
werkwoord is, kan het, anders dan 'uit', dan ook doordringen in de
werkwoordelijke eindgroep. Je krijgt wel: 'zou jij kunnen mee komen
eten?', maar niet 'zou jij kunnen uit gaan eten?'. Bovendien is IPP in
geval van 'mee' verplicht: 'hij is mee gaan eten' en niet 'hij is mee
eten gegaan'. Dat laatste zou erop kunnen wijzen dat 'mee' niet zozeer
bij 'eten' hoort, zoals 'uit', maar eerder bij 'komen/gaan'.
Een complicatie is dat de constructie met 'mee' vaak twee lezingen
heeft. Een eenvoudige zin als 'Komen jullie mee eten?' kan op twee
manieren worden uitgesproken: met of zonder klemtoon op 'mee'. Met
klemtoon op 'mee' krijgt de infinitief 'eten' iets van een aanvulling,
die zelfs met komma-intonatie kan worden uitgesproken: 'Komen jullie
mee, de bloemetjes buiten zetten?'.
Deze twee lezingen kunnen ook semantisch zichtbaar gemaakt worden door
een toevoeging als 'met z'n drieën'. In de onbeklemtoonde
uitspraak van 'mee' staat deze bepaling vóór 'mee':
'Komen jullie met z'n drieën mee eten?' In dat geval is de tafel
gedekt voor de drie genodigden plus de al aanwezigen. In de andere
uitspraak staat 'met z'n drieën' achter 'mee': 'Komen jullie mee
met z'n drieën eten?'. Nu is er voor precies drie personen gedekt,
en is de uitnodiging klaarblijkelijk gericht aan twee personen.
Het lijdt geen twijfel dat in de laatste lezing conform de ANS-analyse
het hoofdwerkwoord 'meekomen' is. Dat kan dan worden aangevuld met een
soort doelbepaling in de vorm van een beknopte bijzin. Eventueel kunnen
'om' en 'te' worden toegevoegd: 'Komen jullie mee, om met z'n
drieën te eten?'. Curieus is dat deze lezing geen voltooide tijd
lijkt te hebben: 'Jullie waren toch meegekomen met z'n drieën
eten?' is een vreemde zin, en 'Jullie waren toch mee komen met z'n
drieën eten?' is al helemaal onmogelijk.
Wat betekent dat voor de andere lezing? Daarin is juist IPP verplicht
en de werkwoordelijke groep kan niet doorbroken worden: 'Jullie waren
toch met z'n drieën mee komen eten?'. Hoort 'mee' daar soms toch
bij 'eten'?
Als 'mee' bij 'eten' zou horen, dan zou het een scheidbaar samengesteld
werkwoord betreffen ('meeëten'). In dat geval zou je 'eten' niet
mogen vervangen door een werkwoord dat al scheidbaar samengesteld is.
Maar dat kan juist wel: 'Jullie zouden toch mee komen afwassen?' is een
perfecte zin. Hier kan 'mee' geen deel zijn van een scheidbaar
samengesteld werkwoord 'meeafwassen'. Dus: er is geen reden om te
veronderstellen dat 'mee' bij 'eten' hoort.
Als 'mee' niet bij 'eten' hoort, is er dan toch sprake van een
scheidbaar samengesteld werkwoord 'meekomen' of 'meegaan' dat
groepsvormend is én IPP vertoont? Helaas, ook dat is niet het
geval. Dat kunnen we zien als we de constructie met 'mee'en 'uit'
combineren. De ANS acht alleen zinnen mogelijk als 'Ik zou graag mee
uit eten zijn gegaan', maar in mijn taalgevoel is er niets mis met een
zin als 'Ik zou graag mee uit zijn gaan eten'. In elk geval
contrasteren deze twee zinnen scherp met varianten als 'Ik zou graag
uit eten zijn meegegaan' en 'Ik zou graag uit zijn mee gaan eten', die
allebei radicaal fout zijn.
Deze voorbeelden tonen aan dat 'mee' niet bij 'gaan' (of 'komen') kan
horen. Waarom zou het anders vóór 'uit' moeten blijven
staan? Waarom kan het dan niet bij zijn eigen werkwoord blijven?
De conclusie moet dus zijn dat 'mee', althans in de IPP-constructie,
een apart element is, dat weliswaar in de werkwoordelijke groep kan
doordringen, maar géén samengesteld werkwoord vormt met
'komen' of 'gaan', noch met het hoofdwerkwoord van de zin. Zo op het
eerste oog een volstrekt unicum in de Nederlandse grammatica. Het
zoveelste.
Peter-Arno Coppen
|