| 0204.24 |
|
|
|
0204.26 |
|
Rub: 0204.25
Date: Sun, 28 Apr 2002 17:19:31 +0200
Hora est!Vrijdag 3 mei 2002, 16.15 uur, Senaatszaal Academiegebouw Universiteit Utrecht.Mevrouw Inger Leemans: 'Het woord is aan de onderkant. Radicale ideeën in Nederlandse pornografische romans 1670-1700'. Promotores: prof. dr. J.J. Kloek; prof. dr. W.W. Mijnhardt.
Woensdag 5 juni 2002, 12.00 uur precies, Aula Universiteit van
Amsterdam, Singel 411.
Deze studie is een geschiedschrijving van de Surinaamse orale
en geschreven literatuur van de vroegst bekende uitingen tot
het jaar van de Surinaamse onafhankelijkheid. In Suriname
worden tweeëntwintig talen gehanteerd, enkele daarvan
echter uitsluitend in niet-literaire gebruikssituaties,
bijvoorbeeld bij godsdienstige rituelen. De drie belangrijkste
literaire talen zijn het (Surinaams-)Nederlands dat de
officiële landstaal en voor steeds meer mensen ook de
moedertaal is, de lingua franca: het Sranantongo of Sranan - de
taal van de slaven en hun nakomelingen, maar nu door het
merendeel van de Surinamers gesproken -, en de taal van de
grootste bevolkingsgroep (de hindostanen): het Sarnami. Voor
het proza is het Nederlands kwantitatief absoluut de
belangrijkste taal; voor de poëzie houden Nederlands en
Sranantongo elkaar in evenwicht, terwijl het Sarnami eerst
betrekkelijk recent, na 1977, belangrijk is geworden. Het
Surinaams-Javaans, de taal van de op twee na grootste
bevolkingsgroep, wordt slechts sporadisch in geschreven vorm
gehanteerd, terwijl de orale literaire uitingen in die taal
zwaar onder druk staan, om niet te zeggen: op het punt staan
geheel te verdwijnen. Voor alle andere talen geldt dat hun
bereik ophoudt bij hooguit enkele duizenden of soms zelfs maar
honderden mensen.
De orale literatuur, waaraan deel II geheel is gewijd, is een
uiterst vitaal, authentiek en wezensessentieel domein van expressie
geweest, en is dat goeddeels nog altijd. De invloed van de orale
cultuur is uit de geschreven letteren van Suriname niet weg te
denken. Amputatie van de orale letteren zou nooit kunnen leiden tot
een adequate beschrijving van de geschreven letterkunst. In de
algemene inleiding op de orale literatuur wordt ingegaan op deze
precaire verhouding tussen orale en geschreven literatuur.
Vanaf het einde van de 18de eeuw kan gesproken worden van de eerste
autochtone geschreven Surinaamse literatuur. Deze
literatuurgeschiedschrijving beperkt zich primair tot teksten die
binnen het Surinaamse literatuurbedrijf tot stand zijn gekomen, of
die direct belang hebben gehad voor de Surinaamse situatie (in b.v.
het debat over de afschaffing van de slavernij). Enkele Nederlandse
teksten worden besproken die in Suriname hebben gefungeerd binnen
het literaire debat en die zo een scherper zicht geven op het eigen
Surinaamse literaire waardenstelsel.
In het theoretische deel I wordt ingegaan op het traceren,
beschrijven en ordenen van de bronnen en op tal van andere
problemen van literatuurgeschiedschrijving. Met name wordt daar
gekeken naar de wijze waarop men in gebieden, die in hun
multiculturele constellatie enigszins vergelijkbaar zijn met
Suriname, geprobeerd heeft de literatuur te beschrijven: in
Zuid-Afrika, India en het Caraïbisch gebied. Vervolgens wordt
een aantal wetenschapstheoretische uitgangspunten besproken, met
name die opvattingen die leven onder mensen die zich bezighouden
met de literatuur van koloniale en postkoloniale gebieden. Ook de
positie van de literatuurgeschiedschrijver, diens ideologie, de
betekenis van nationale literatuurgeschiedschrijving, de afbakening
van het corpus, de plaats van de koloniale literatuur en de
omzetting van geordend materiaal in een geschiedverhaal komt
daar aan de orde. Daaruit resulteert deze definitie van Surinaamse
literatuur:
Aan het einde van deel I wordt een model voor
literatuurgeschiedschrijving voorgesteld. In enkele zinnen
samengevat behelst dit model het volgende. Uitgangspunt is dat er
allerlei manieren zijn om literatuur te benaderen (vanuit de
sociologie, het structuralisme, het biografisme enz.), en al die
benaderingen leveren informatie op. Wat een
literatuurgeschiedschrijving doet is stukken van die informatie
samenbrengen, rangschikken en een plaats toekennen in een
analytisch verhaal. Kleine elementen vormen de bouwstenen voor een
Profiel, dat wil zeggen een reeks kenmerken die een samenhangende
beschrijving opleveren van bijvoorbeeld het oeuvre van een
schrijver, of de literaire activiteit van een gezelschap. Uit alle
Profielen tezamen kan een Patroon worden afgeleid: de grote lijnen
van de literatuurgeschiedenis. Men kan desgewenst ook 'inzoomen' op
een van de bouwsteentjes die bijdragen aan de Profielen; dat
gebeurt in de zgn. Close-ups.
Nu kan elke literatuur, maar de Surinaamse wel in het bijzonder,
alleen goed begrepen worden binnen een breed cultuurhistorisch
kader dat in grote lijnen de maatschappelijke ontwikkelingen
schetst. Zo komen in elk van de hoofdstukken telkens
achtereenvolgens aan bod: de algemene geschiedenis (politiek,
economisch, sociaal en mentaal), de demografische geschiedenis, de
wijze waarop het Surinaamse volk zich cultureel orinteerde en
organiseerde, de taalpolitiek en het onderwijs, de ontwikkelingen
in de kunst- en vermaakssector en de belangrijkste ontwikkelingen
binnen de gemeenschap van Surinaamse migranten in Nederland.
Vervolgens wordt het literatuurbedrijf van de periode in beeld
gebracht, achtereenvolgens drukkerijen en uitgeverijen, boek en
boekhandel, bibliotheken, kranten en periodieken, leespubliek en
leesverenigingen, schrijversorganisatie en literaire prijzen.
Deze literatuurgeschiedenis wil niet alleen een collectie van
positivistische gegevens zijn, maar ook de relaties tussen die
gegevens in een logisch verband brengen, en bovendien in een
verhalend verband. Dan is de vaststelling onontkoombaar dat
absolute objectiviteit niet bestaat, want er moeten altijd keuzes
gemaakt worden. Een fundament voor mijn benadering heb ik gemeend
te vinden in het filosofisch pluralisme van Procee dat uitgaat van
de onmogelijkheid om de oneindige dynamiek van interacties voor
eens en altijd vast te leggen en die de kwaliteit van die
interacties zoekt in de mogelijkheid om die voort te kunnen zetten.
Een literatuurtheoretische pendant ervan geeft de interculturele
literatuurwetenschap die een vertrekpunt is voor het zich zo scherp
mogelijk rekenschap geven van de eigen positie, de eigen
achtergrond en historisch-culturele context, de eigen wijze van
kennisvergaring en de mogelijke lacunes die daarin zijn opgetreden,
en het eigen waardenstelsel, zo men wil: de eigen tekortkomingen in
oordeelsvorming.
Om de Surinaamse literatuur zo goed mogelijk recht te doen, probeer
ik de Caraïbische regio tot uitgangspunt te nemen (Jack
Corzani hanteert daarvoor het begrip recentrage). Een aantal
termen kunnen daarbij van nut zijn, indien zij worden ontdaan van
hun westerse connotatie: meertaligheid, multi-etniciteit,
multiculturaliteit, tussenpositie, creoliteit, roots, oraliteit,
verzet.
ORALE LITERATUUR
In de inleiding tot deel II wordt eerst de esthetische functie van
orale literatuur besproken. Er wordt gewezen op het holistische
kader waarbinnen orale teksten functioneren: het onderscheid tussen
sacrale en profane teksten, tussen amusement en onderricht is
veelal minder scherp dan in de westerse culturen. Er is een
complexe samenhang tussen status en structuur van orale teksten, de
wijze waarop de tekst gebracht wordt, de 'ritual performance', is
van groot belang en teksten maken bijna altijd deel uit van een
groter geheel met zang en dans.
In deel II wordt nagegaan wat de verschillende bevolkingsgroepen
van Suriname gekend hebben aan teksten en daarmee samenhangende
cultuuruitingen die uit de orale traditie zijn overgeleverd. Tevens
wordt een synchrone beschrijving gegeven van alle vormen van orale
literatuur zoals die nu nog bestaan in twee Surinaamse
gemeenschappen, de inheemse gemeenschap van Galibi (kari'na) en de
bosnegergemeenschap van Yaw-Yaw (saamaka). De resultaten daarvan
worden vergeleken met wat bestaande secundaire literatuur daarover
te melden heeft. Voor de andere groepen inheemsen en bosnegers
wordt uitgegaan van bestaande onderzoeksresultaten die veelal
vrucht zijn van het werk van cultureel-antropologen. Daar wordt een
historiografische stand van zaken gegeven en worden bevindingen
meegedeeld op basis van de bestaande vastleggingen op band en
papier, aangevuld met nieuwe informatie van specialisten.
De oudste bewoners van Suriname zijn de indianen, of inheemsen. De
twee grootste groepen zijn de kari'na (of karaïben) en de
lokonon (of arowakken) die, evenals de kleinere stam der warau, hun
woonplaatsen hebben in de kuststreek. De tarëno (of trio), de
wayana en de akuriyo wonen alle diep in het binnenland, niet ver
van de Braziliaanse grens. Van elk van deze volkeren wordt een
algemene sociaal-cultureel beeld geschetst, en dan worden
achtereenvolgens behandeld de verschillende verhaalgenres, de
liedgenres en de spreekwoorden. Vertellingen en liederen met
bijzondere magische kracht worden gekend door de pyjai, de
sjamaan die bij alle volkeren een cruciale rol vervult. Analyses
van een arowakse en een trio vertelling maken duidelijk hoezeer
natuur en bovennatuur, mens en dier voor de inheemsen
één onverbrekelijke eenheid vormen.
De afro-Surinamers, nakomelingen van uit Afrika aangevoerde slaven,
worden onderscheiden in bosnegers of marrons (in het binnenland) en
creolen (in stad en kuststreek). Hun orale cultuur staat sterk in
het teken van de winti, de afro-Surinaamse religie en levenswijze.
Van de zes bosnegervolkeren zijn de saamaka en de ndyuka de
grootste, kleiner zijn de matawai, de paamaka, de aluku (of boni)
en de kwinti. Ook van elk van deze volkeren worden verhalen,
liederen en dansen en spreekwoorden en raadsels
geïnventariseerd. De bijzondere wijze van vertellen en het
brengen van zang en dans wordt beschreven. Ook bij de creolen
passeren de verschillende genres de revue. Bijzondere aandacht
krijgen de Anansitori's, uit Afrika overgeërfde vertellingen
rond de spin Anansi, die in de harde slaventijd een bijzondere
identificatiefiguur werd, en nog steeds in allerlei gedaantes zeer
populair is. Twee vertellers, Aleks de Drie en Harry Jong Loy,
worden geportretteerd. Er is een beschrijving van het sacrale
dansritueel van de creolen, de wintipré, en
vervolgens wordt de ontwikkeling en functie beschreven van
verschillende profane spelen, die alle elementen van creools verzet
tegen de koloniale overheerser in zich dragen. De Du is een
gedramatiseerd spel met vaste karakters en werd al in de slaventijd
als grootse muzikale komedie gebracht; lobisingi en
laku zijn van latere datum. Ook de latere immigrantengroepen
brachten eigen cultureel erfgoed mee en gaven dat in de loop der
jaren een eigen Surinaamse gedaante. In de hindostaanse cultuur
spelen het oude religieuze gedachtegoed en de oude grote epen als
Ramayana en het Mahabharata nog altijd een
belangrijke rol. Jaarlijkse opvoeringen van het Ramlala,
Spel van Ram, vonden een talrijk publiek. Op tal van verhaal-,
toneel- en liedvormen begon het leven in de contracttijd en daarna
een stempel te zetten. Zeer populair werd de baithak
gáná, die aanvankelijk een begeleidingsmuziek bij
toneelopvoeringen was, maar zich geleidelijk aan tot een eigen
genre met Surinaamse teksten ontwikkelde. Aan de hand van een
verhaal wordt uiteengezet hoe ook de van Java gekomen
contractarbeiders hun cultuuruitingen een Surinaamse gedaante
gaven. Ook in zang, wayang (schimmenspel), toneel, cabaret
en dans (de jaran képang, paardendans) manifesteerde
zich het Surinaams-javaanse cultuurgoed. De andere
bevolkingsgroepen (chinezen, libanezen, joden) zijn minder
nadrukkelijk met eigen manifestaties van cultuur aanwezig in het
Surinaamse spectrum.
DE GESCHREVEN LITERATUUR
16de en 17de eeuw
De eerste ontmoetingen met de oudste inwoners van Guiana, de
'indianen', leverden vooral veel op aan mythologische beeldvorming.
Ongetwijfeld hebben vroegste reisverslagen bijgedragen aan het
geloof in het goudmeer Parima (Eldorado) en daarmee de
aantrekkingskracht van het gebied op avonturenzoekers vergroot.
Eerst tegen het einde van de 17de eeuw werden de voortdurende
schermutselingen tussen de Europese mogendheden tot een (voorlopig)
einde gebracht, toen bij de Vrede van Breda in 1667 het grondgebied
van wat tegenwoordig Suriname en een groot deel van Guyana is,
toeviel aan de Republiek der Verenigde Nederlanden. De - soms nog
gefantaseerde - contouren van het land Suriname rezen vooralsnog
alleen op uit Europese, en dan vooral Nederlandse bronnen, die om
die reden deel uitmaken van het verhaal over de vroegste fase van
de wording van de Surinaamse letteren. Van een 'Surinaamse'
geschreven literatuur kan nog niet gesproken worden: het zijn
allerlei soorten verslagen, dagboeken, pamfletten en zeemansliedjes
die de tekstuele getuigen zijn van een koloniale
samenleving-in-wording. Bij de slavenmaatschappij werden geen
vraagtekens gezet; het Chamsgeslacht was immers tot onderwerping
voorbestemd. Fictie is er in deze eeuwen niet geschreven, maar
sommige teksten, zoals het dagboek van Elisabeth van der Woude, dat
dateert van 1676, kan een esthetische kwaliteit niet ontzegd
worden.
1700-1775
Een groot deel van de 18de eeuw stond in het teken van de aanvallen
waarmee weggelopen slaven de plantersmaatschappij teisterden, en de
kostbare patrouilles die tegen hen werden ondernomen. Deze
gebeurtenissen kwamen aan de orde in verschillende
landbeschrijvingen, maar het waren vooral drie niet-Nederlandse
auteurs die Suriname als slavenmaatschappij op de kaart zetten:
Aphra Behn, Voltaire en John Gabriël Stedman. Het beeld van
Suriname als een extreem wrede slavenkolonie is door hen
gecreëerd, al is niet altijd uit te maken of zij hun invloed
direct of langs de latere weg van de geschiedschrijvingen van
Hartsinck, Van Hoëvell of Wolbers hebben uitgeoefend. Aphra
Behns Oroonoko, or The royal slave uit 1688 werd
bijvoorbeeld niet vóór de 20ste eeuw in het
Nederlands vertaald. Dat neemt niet weg dat zij met de creatie van
de nobele slaaf Oroonoko een archetype heeft geschapen voor
allerlei varianten van de edele slaaf in latere literatuur. Het
expeditieverslag van de Schotse kapitein Stedman Narrative of a
five years' expedition against the revolted Negroes of Surinam
uit 1796 heeft, niet in de laatste plaats ook door de gravures (de
'fotografie' van die tijd) op de slavernijverbeelding in tal van
19de-eeuwse prozaverhalen zijn stempel gedrukt.
Twee koloniale figuren schreven opmerkelijk werk over de kolonie:
dominee J.W. Kals en gouverneur J.J. Mauricius. Beiden verzetten
zich niet tegen de slavernij op zich, maar wel tegen de uitwassen
van het systeem en tegen de konkelende planterscoterieën. Met
zijn satirische toneelstuk Het Surinaamsche Leeven (1771)
bevestigde een auteur die zich Don Experientia noemde, het beeld
van een maatschappij waarin rapalje het voor het zeggen had en
alleen het winstbejag telde.
Het Verlichtingsdenken zorgde geleidelijk aan ook voor een ander
beeld van de plantagemaatschappij. Negers waren niet langer alleen
onbeschaafde wilden. De anonieme Geschiedenis van een neger
van ca. 1770 creëerde de persoon van de goede meester, een
karakter dat Elisabeth Maria Post met Reinhart (1791-1792)
uitwerkte; de briefroman was de eerste Nederlandse fictionele tekst
waarin de koloniale problematiek met diepgang werd behandeld.
De zwarte mens was in geen van deze teksten de protagonist. Het
spectatoriale geschrift De denker uit 1774 introduceerde het
zwarte perspectief door het woord te geven aan een Afrikaan die op
subtiele wijze het slavernijsysteem over de hekel haalde.
Waarschijnlijk hanteerde een witte schrijver zijn pennenveer. Wie
zeker voor zichzelf sprak, was Quassi van Timotibo, die met zijn
eruditie veler bewondering afdwong. Vanwege zijn collaboratie met
de koloniale macht lange tijd beschouwd als een dubieuze figuur,
wordt hij nu meer en meer gezien als de verpersoonlijking van een
even intelligent als brutaal verzet tegen het systeem dat hem wilde
knechten.
1775-1800
Met de Verlichting was de slavernij een belangwekkend thema binnen
de Nederlandstalige literatuur geworden, voor het eerst ook in de
letteren die in de kolonie zelf geschreven werden. De laatste
decennia van de 18de eeuw brachten het historische traject van de
geschreven literatuur over Suriname op een belangrijke splitsing.
De eerste aanzetten tot een autochtoon Surinaamse literatuur kunnen
in die tijd worden waargenomen, al blijft Nederland nog lang een
belangrijk referentiepunt voor de verbeelding en het culturele
leven.
In het laatste kwart van de 18de eeuw is Suriname als wingewest
zijn hoogtijdagen voorbij. Dat er dan toch sprake was van een
culturele opbloei, kan verklaard worden uit verschillende factoren:
het ontstaan van een permanente bevolking, de toenemende
interraciale contacten, de sterkere beheersing van de
plantage-economie vanuit Paramaribo, en de sterke oriëntatie
op Europa waar de Verlichting stuwende impulsen gaf aan de
interesse voor het intellectuele leven. Vooral dit laatste trok
zijn sporen door de kolonie, waar het met name de joden waren die
aan het culturele leven bijdroegen. Zij verplaatsen hun culturele
centrum van de Jodensavanne naar Paramaribo, zetten hun eigen
organisaties op, maar maakten opmerkelijk genoeg ook deel uit van
alle niet-joodse dichtgenootschappen. De joden tekenden ook voor
een belangrijke historische bron: het Essai historique sur la
colonie de Surinam (1788) van David Nassy en anderen.
De vroegste berichten over toneelvoorstellingen dateren van het
begin van de jaren '70 van de 18de eeuw. Christenen en joden
speelden overwegend dezelfde Europese drama's en kluchten, maar
hadden ieder hun eigen schouwburg en toneelgroep, met als meest
illuster gezelschap het joodse De Verreezene Phoenix. Er werden
belangwekkende linguïstische resultaten geboekt op het gebied
van de inheemse en creooltalen, maar afgezien van een enkele tekst
in het 'Neger-Engelsch' (Sranan), werden al die teksten vastgelegd
met het oog op zending en missie. Uit advertenties voor
boekenveilingen kan worden opgemaakt dat velen die tot de bovenste
klassen behoorden, over uitgebreide boekencollecties beschikten. De
mogelijkheden tot onderwijs groeiden, zij het nog niet
spectaculair. W.J. Beeldsnyder Matroos begon de eerste drukkerij in
1772 en begon twee jaar later met de uitgave van de eerste krant,
de Weekelyksche Woensdaagsche Surinaamse Courant. Deze zou
gevolgd worden door verschillende andere, waarvan De
Surinaamsche Nieuwsvertelder (1785-1793) opviel door zijn
scherpe, satirische stukken. De Surinaamsche Courant, die
voor het eerst verscheen in 1790, zou in allerlei edities tot 1883
blijven bestaan. Echte boekhandels waren er nog niet, maar in 1783
kwam er wel een eerste openbare bibliotheek. Het genootschapsleven
bloeide als nooit te voren: vrijmetselaarsloges schoten als
paddestoelen uit de grond, er werden wetenschappelijke 'collegies'
en verschillende literaire genootschappen opgericht, onder meer De
Surinaamsche Lettervrinden die vier bundels Letterkundige
Uitspanningen uitbracht. In kringen van dit laatste genootschap
vinden we de drie markantste mannen (vrouwen werden in deze wereld
niet aangetroffen): Jacob Voegen van Engelen die het tijdschrift
De Surinaamsche Artz uitbracht, Hendrik Schouten die een
klein aantal satirische verzen schreef, en de man met het grootste
oeuvre: Paul Fran‡ois Roos. Minstens een deel van hun teksten is
nog altijd goed leesbaar, hetzij om hun satirieke kracht (Voegen
van Engelen, Schouten), hetzij om hun levendige beschrijfkunst
(Roos). Qua geestesgoed waren zij alledrie nog representanten van
een koloniale maatschappij waarvan de vruchten naar hun
geboorteland, Nederland, gingen. Maar alledrie ook vertoonden zij
een bijzondere verknochtheid aan hun nieuwe land, de eerste twee
kritischer dan de laatste, wiens Roos-kleurige beelden althans
zeker de slavenwerkelijkheid sterk vertekenden. Alledrie opteerden
zij ervoor om niet weg te trekken en zij overleden in Suriname. In
belangrijke mate hebben zij ertoe bijgedragen dat voor het eerst in
de Surinaamse geschiedenis gesproken kon worden van een levendig
literair leven en het ontstaan van een heus literair circuit.
Niet-blanken bleven daar vooralsnog geheel buiten.
1800-1890
'Literatuurontwikkeling' is een concept waar de historicus voor de
Surinaamse 19de eeuw niet mee uit de voeten kan. Het belangrijkste
oriëntatiepunt voor cultureel Suriname bleef Nederland, maar
vanuit Nederland werd Suriname nog altijd alleen afgemeten aan de
economische barometer; tot de onderwijswet van 1876 zag het
'moederland' voor zichzelf geen beschavingsmissie in de kolonie
weggelegd.
Een in sterke mate door de koloniale censuur gedomineerde
samenleving is in de eerste helft van de eeuw geen goede
voedingsbodem geweest voor grootse initiatieven, al gaven
individuen periodiek wel impulsen aan het literaire leven. Zo was
H.C. Focke hoogstwaarschijnlijk de auteur van de opmerkelijke
'Proeve van Neger-Engelsche Poëzy', getiteld
Njoe-jaari-singi Voe Cesaari uit het midden van de jaren
'30. Focke was ook een van de actiefste leden van de Maatschappij
tot Nut van 't Algemeen dat in de eerste eeuwhelft de belangrijkste
instigator van intellectuele activiteit was, en de auteur van het
eerste gedrukte Neger-Engelsch woordenboek (1855). J.J.
Engelbrecht bracht van 1838 tot 1839 het breed
cultureel-maatschappelijke maandschrift De kolonist uit, dat
in zijn vijftien nummers belangwekkende beschouwende stukken
afdrukte. E.A. Jellico van Gogh en E. Soesman meenden dat ook de
kolonie een letterlievend genootschap moest hebben en richtten in
1853 Oefening Kweekt Kennis op; het bracht in 1856 een
Jaarboekje uit met een prozastuk van de passante Christina
van Gogh dat nadrukkelijk in functie stond van de christelijke
moraal, en bijdragen van van Soesman en Van Gogh (die zijn
psychologische novelle De gouden sleutel - de eerste in de
Surinaamse letteren - in de kolonie situeerde). Dominee Cornelis
van Schaick, die van 1852 tot 1861 in Suriname verbleef, betoonde
zich een energiek publicist met stukken in Surinaamse kranten, met
een Dichtbundeltje voor de Surinaamsche jeugd en met de om
zijn progressieve ideeën opmerkelijke roman De manja.
Van Schaick en Focke behoorden tot de oprichters van
West-Indië (1854-1858), dat een waardig opvolger bleek
van De kolonist. Programmatische standpunten over literatuur
vindt men er niet in, zoals de afwezigheid van een reflectie op wat
er geschreven werd in de gehele 19de eeuw een imposant vacuüm
vertoont. Ch. Landré en F.A.C. Dumontier, beiden eveneens
redacteuren van het West-Indië, namen in 1857 het
initiatief tot de Surinaamsche Koloniale Bibliotheek, die een eeuw
de belangrijkste boekerij van Suriname zou zijn.
In de bijdragen van Van Gogh en Soesman aan het Jaarboekje
1856 kan men nog een (ver)laat aansluiten bij de romantiek
zien, maar de grote internationale literaire stromingen zijn
blijkbaar nooit krachtig genoeg geweest om tegen de Amazonestroom
in, Suriname te bereiken. Dat in de 19de eeuw de opvattingen over
literatuur drastisch veranderden, dat de individuele
schrijverspersoonlijkheid een totaal ander gewicht kreeg: in
Suriname merkte men er ogenschijnlijk niets van. Er waren wel
weldadigheidsgezelschappen en loges, maar geen rederijkerskamers
die het internationale debat konden overnemen en stuwkracht geven.
In het toneelleven is er wel, bijna de hele eeuw lang, een
opmerkelijke activiteit geweest. In de eerste decennia tekenden de
gezelschappen Oeffening Kweekt Kunst en De Verreezene Phoenix voor
het theateraanbod. Van het laatste gezelschap scheidde zich een
groep af, die onder de naam Theatre Graave Straat verderging. Na
een tijd van malaise in de jaren '30, opende het toneelgenootschap
Thalia in 1840 de deuren van zijn nieuwe schouwburg. Het overwegend
joodse gezelschap begon aan een roemruchte geschiedenis, die al
vanaf 1853 getekend zou worden door de nooit eindigende
strubbelingen rond het verval en herstel van zijn gebouw. De
programmering was bijna altijd van Europese snit. De
toneelschrijfkunst van Surinaamse oorsprong is in de 19de
eeuw wel in extreem sterke mate door zijn discontinuïteit
gekenmerkt geweest. Er is een handvol oorspronkelijke stukken
bekend en daarnaast een klein aantal bewerkingen van Europese
toneelstof.
In Nederland woedde het abolitionisme-debat al vanaf de vroege 19de
eeuw. Maar wanneer de balans wordt opgemaakt over de eerste helft
van de eeuw, dan blijkt dat geen enkele grote, invloedrijke tekst
aan de slavernij in Suriname gewijd is geweest. Er is geen
toonaangevend boek geweest dat de aandacht van het grote publiek op
de wantoestanden in de West-Indische koloniën heeft weten te
vestigen, laat staan dat er een werk is geweest dat de publieke
opinie wezenlijk heeft beïnvloed. Eerst wanneer W.R. baron van
Hoëvell in 1854 zijn Slaven en vrijen onder de
Nederlandsche wet publiceert, lijkt in Nederland een groter
publiek oog te krijgen voor een situatie die in de overzeese
gebiedsdelen van de meeste andere koloniale mogendheden al verleden
tijd was.
De afschaffing van de slavernij in 1863 zorgde allereerst voor een
opleving van de journalistiek. Grootse winstpunt van de eeuw is de
uitbreiding van het onderwijs geweest: bestonden er aan het begin
alleen nog maar enkele privé schooltjes voor de blanken en
mulatten uit de hogere maatschappelijke klassen, in 1876 waren er
tal van scholen en kwam er een onderwijswet die een algemene
leerplicht afkondigde.
Ook in de jaren na de afschaffing van de slavernij doken er weer
enkele bijzonder schrijversindividuen op. Kwamina (ps. van W.
Lionarons) schreef opmerkelijke romans die zich afspelen in zijn
eigen eeuw. Jetta (1869) en Nanni of Vruchten van het
vooroordeel (1881) zijn gesitueerd in een decor van plantages
in verval en een kolonie die zich oriënteert op een ander
economisch stelsel. Daartoe introduceerde Kwamina voor het eerst
binnen de Surinaamse letteren een uit de Caraïbische
literatuur bekende hoofdfiguur: de mulattin. Hij bepleit
menswaardige omstandigheden voor de arbeiders, maar zijn
wereldbeeld is niet wezenlijk anders dan bij de
Nederlands-koloniale schrijvers vóór hem. Niettemin
was Kwamina een autochtone Surinamer uit een oud Surinaams geslacht
en zijn werk - in het Nederlands met dialogen in het
'Neger-Engelsch' - moet evenzeer tot de Surinaamse literatuur
gerekend worden, als dat van de matawai bosneger Johannes King.
Deze schreef duizenden pagina's proza in het Sranan, waaronder een
aantal opzienbarende visioenen. Met zijn reisverslagen en dagboeken
betoonde King zich al evenzeer evangelisch bezield als het
merendeel van de schrijvers van zijn eeuw.
1890-1923
Het deel van de kolonie Suriname dat kan gerekend worden tot de
geletterde stadscultuur, zag na 1890 een opbloei van het culturele
leven zoals het die alleen een eeuw vroeger gekend had. Maar al
speelde dat festijn zich dan bijna uitsluitend af binnen de grenzen
van Paramaribo, de 'betere klasse' was al lang niet meer
uitsluitend blank en die klasse verbreedde zich ook aanzienlijk. De
nieuwe groepen immigranten uit Brits-Indië en Java bleven daar
vooralsnog helemaal buiten.
De moderne techniek deed zijn intrede in de hoofdstad met
elektrische straatverlichting, telegrafieverbindingen en de eerste
films. De kwaliteit van het drukwerk verbeterde; het was vooral
drukkerij/uitgeverij H.B. Heyde die met een hele reeks
belangwekkende boekuitgaven kwam. Het bibliotheekwezen groeide
expansioneel en ontwikkelde zich, evenals het journalistieke leven,
grofweg langs drie banen: de evangelische, de katholieke en de
neutrale. Tal van kranten verschenen en zorgden ook met hun
onderlinge debatten voor leven in de brouwerij; de Nieuwe
Surinaamsche Courant bracht meestal een hele pagina met
Surinaamse berichtgeving in rubrieken als 'Stadsnieuws' en 'Kunst-
en letternieuws'. De contouren van een serieuze toneel- en
literaire kritiek tekenden zich af, inclusief enkele
gedachtewisselingen over de functie van kritiek, waaraan ook een
van de vele nieuwe leesverenigingen met haar tijdschrift Kennis
Adelt een bijdrage leverde. In bijna alle krantenbesprekingen,
ongeacht de denominatie van de krant, werd een combinatie
aangehouden van een ethische norm wat de tekst betreft, met een
artistiek oordeel over het acteren. Richtsnoer was nog altijd wat
er in Holland op dit vlak gedacht werd. Zij die actief voeling
wilden onderhouden met alles wat Hollands was, verenigden zich in
de in 1898 opgerichte Groep Suriname van het Algemeen Nederlandsch
Verbond.
Intussen was Suriname voor Nederland nog verder weggeschoven naar
de periferie van het Koninkrijk der Nederlanden dan het altijd al
was. Weliswaar rekende J. de Liefde zijn opmerkelijke korte roman
De geschiedenis van een kankantrieboom uit 1891 af met de
stereotiepe wijze van beschrijven van de Surinaamse koloniale
geschiedenis, maar de beeldvorming over Suriname en de Surinamers
in de Nederlandse letteren hield over de gehele lijn - en zeker in
de missioneringsliteratuur - nog vast aan oude schematiseringen, om
niet te zeggen racistische clichés.
Voor de lezende Surinamers die zichzelf in de spiegel van die
lectuur zagen, moet dat zeker niet bevorderlijk hebben gewerkt op
het corrigeren van het zelfbeeld. De sterk neerlandocentrische
cultuurpolitiek na 1876, werkte daar ook bepaald niet aan mee.
In de beginjaren van de 20ste eeuw vertoonden verschillende
geschriften als reactie op het verval van de plantagelandbouw de
neiging om de negentiende eeuw met een zekere nostalgie te bezien.
In de memoires-achtige stukken van J.G. Spalburg, E.J. Bartelink,
A.W. Marcus en Jacq. Samuels is het verval van de landbouwkolonie
aanleiding tot lamentaties over de 'goede oude tijd'.
Toch zijn er ook verschijnselen waar te nemen van een zeer
geleidelijke geestelijke heroriëntatie. Door het weinig
diplomatieke optreden van gouverneur De Savornin Lohman zien we een
versterking van het landsgevoel, zich uitend in tal van
gelegenheidsgedichten. In de Surinaamse geschiedenis en het
Surinaamse volksleven werd de stof gevonden voor nieuwe
verbeelding, veelal werk van realistische aard. Drie
persoonlijkheden hebben op bijzondere wijze hun inbreng in het
literaire leven gehad. G.G.T. Rustwijk gaf met Matrozenrozen
(1915) de eerste bundel van een in Suriname geboren dichter. J.G.
Spalburg kwam met de eerste Surinaamse bundel prozaschetsen
Bruine Mina de koto-missi (1913). Met Een
Beschavingswerk (1923), gepubliceerd onder de naam Ultimus,
schreef Richard O'Ferrall de eerste Surinaamse sleutelroman; het
satirische karakter van de tekst maakt die binnen zijn tijd tot een
opmerkelijk boek. Het werk van alledrie draagt nog talrijke
reminiscenties aan de slaventijd en de landbouweconomie, maar
alledrie kijken óók verder. Als representanten van de
rationaliteit en moderniteit, droegen zij bij aan het verjongde
intellectuele leven van hun dagen.
De oriëntatie op Nederland is verder met kracht weersproken in
het werk van vijf Surinamers die na 1900 publiceerden. F.H. Rikken
publiceerde in De Surinamer drie grote en veel gelezen
historische romans in feuilletonvorm en betoonde zich daarmee de
meest getalenteerde schrijver van zijn tijd. Jacques Samuels
schreef een reeks prozastukken die pas in 1946 werden gebundeld in
Schetsen en typen uit Suriname. Ook Johann F. Heymans met
zijn historische roman Suriname als ballingsoord of Wat een
vrouw vermag (1911), E.J. Bartelink met plantersherinneringen,
A.W. Marcus met poëzie en redes en voorts enkele scribenten
van naturalistische schetsen in De Surinamer hebben een
literaire productie nagelaten die duidelijk een eigen Surinaams
stempel draagt. Men ziet in hun werk ook de vroegste experimenten
met de Surinaams-Nederlandse taalvariant, wat hen niet altijd in
dank werd afgenomen. In de kleurrijke straatzanger Goedoe Goedoe
Thijm vonden orale en geschreven letteren hun verbindende schakel:
hij bezong de actualiteit van de eerste decennia van de 20ste eeuw,
maar liet zijn liederen ook als pamflet drukken.
In het 'Neger-Engelsch' tekende predikant C.P. Rier met
Bijbelvertalingen en liederen voor hoogwaardige teksten. Het Sranan
dook nog een enkele maal op in een gedicht of een cabarettekst,
maar een tekst in een van de andere volkstalen bleef verder, buiten
het kerkelijke leven en buiten de orale letteren, uiterst zeldzaam.
Het toneelleven van na 1890 kende minder organisatiestructuur dan
in de voorgaande eeuw. Thalia ging roerige jaren in. Het bleef
voornamelijk repertoiretoneel brengen, maar niet meer in
abonnementenseries. Wat er aan toneelvernieuwing was, moest gezocht
worden bij andere gezelschappen zoals Oefening Baart Kennis en
talrijke andere die slechts kort bestonden. De eerste Surinaamse
toneelstukken werden geschreven en opgevoerd: Lucij van
R.A.P.C. O'Ferrall in 1896, Te laat of De wraak van een'
Boer van Jacques Samuels in 1900 en de Wagneriaans-mythische
opera Het pand der goden van J.N. Helstone in 1906. Joh.C.
Marcus maakte met het ook in druk verschenen Deugd en belooning
of Hoogmoed komt voor den val duidelijk hoezeer het Nederlandse
toneel ook in 1910 nog altijd het voorbeeld aanreikte: het
toneelspel bevat geen enkele referentie aan Suriname en was een
variant op een van de vele negentiende-eeuwse Nederlandse stukken
rond het vader/rechter-motief. De rellerige sfeer rond de
opvoeringen van het stuk liet zien dat het nog zeker geen
aanbeveling was om een toneelschrijver van eigen bodem te zijn.
Opvallend in het theateraanbod werden drie soorten voorstellingen:
de 'soirées variées' (cabaretavonden met een gemengd
programma waarmee vooral Johannes Kruisland beroemd werd), de
kinderoperettes van G.G.T. Rustwijk en de operettevoorstellingen
onder leiding van J.W. Bueno de Mesquita. Het waren deze drie
genres die ervoor zorgden dat het theater een huis werd voor een
steeds breder publiek. Dans- en sportverenigingen brachten in hun
programmering cabaretnummers, kluchten, sketches en soms ook kleine
dramatische stukken. Ook zij hebben eraan meegewerkt de drempels
van de theatertempels te verlagen. Nog steeds bleven de 'mindere
klassen' grotendeels buiten het culturele gebeuren, maar de
transformatie van de orale volkscultuur naar het volkstheater van
de tweede helft van de 20ste eeuw, zette met de veranderende
voordrachtskunst van de eerste helft van de eeuw een beslissende
stap.
1923-1957
Met de verschijning in 1923 van de dichtbundel De glorende
dag van Lodewijk Lichtveld - die als Albert Helman bekend zou
worden - deed zich een nieuw fenomeen voor. Al eerder waren boeken
van Surinaamse auteurs in Nederland verschenen. Maar 1923 markeert
het beginpunt van Nederland als land van vestiging voor veel
schrijvers. De Surinaamse migrantenliteratuur werd geboren, een
literatuur die veel gemeen heeft met die van Suriname, maar die
zich ook in minstens zoveel opzichten onderscheidt van de
vaderlandse letteren. Met een geheel andere positie van de auteurs
in het literaire krachtenveld en in de wereld, veranderde ook hun
perspectief; met de verandering van werkelijkheid en perspectief
werden nieuwe thema's aan de orde gesteld en die vroegen vaak om
een andere vormbeheersing. Albert Helman schreef met
Zuid-Zuid-West (1926) een klassieke heimweeroman, maar de
echte migrantenmotieven werden door de eerste generatie eenlingen
nog weinig geprononceerd aan de orde gesteld en zouden eerst met de
grote migraties in de jaren '60 gemeengoed van de
migrantenschrijvers worden. Een mogelijke verklaringsgrond daarvoor
is dat de eerste schrijvers die in Nederland neerstreken - Albert
Helman, Rudie van Lier, Hugo Pos -, cultureel al behoord hadden tot
de geassimileerde bovenlaag van de Surinaamse samenleving en in
Nederland aansluiting vonden bij literaire gezelschappen. Een
afzonderlijke positie bekleedde Anton de Kom. Hij vond aansluiting
bij het marxistisch georiënteerde tijdschrift Links
Richten en beproefde met zijn grote essay Wij slaven van
Suriname (1934) een herschrijving van de Surinaamse
geschiedenis als aanklacht tegen het Nederlandse kolonialisme.
Met de uittocht die begon met Helman - de schrijver die naar omvang
en kwaliteit veruit het belangrijkste oeuvre opbouwde -, was het
voor een flinke poos gedaan met het schrijven van belangwekkende
Nederlandse teksten in Suriname. Tot omstreeks 1950 verliep het
culturele leven goeddeels langs de gebaande paden van de religieuze
denominaties: de katholieke, evangelische, joodse en steeds sterker
ook hindoeïstische en islamitische kerken. Leverde de
pennenveren vooralsnog eerder traditionele pluimstrijkerijen op dan
gedurfd werk van een persoonlijke signatuur, het is vooral in de
sensibilisering voor het woord en de literaire vorm dat de kerken
betekenis hebben gehad voor jongeren die later van zich zouden doen
horen. De kranten van het interbellum boden zowat de enige
mogelijkheid tot publiceren aan schrijvers. Met gedichten over het
Nederlandse vorstenhuis, feuilletons van Nederlandse makelij en
kunstrubrieken die nog altijd voor 98 % over Nederlandse
toneelkunst en literatuur gingen, versterkten zij de
oriëntatie van de hogere- en middenklasse op het zogenaamde
'moederland'.
De Tweede Wereldoorlog is in de periode 1923-1957 van beslissende
betekenis geweest voor het sociaal-culturele leven. De legering van
Amerikaanse troepen en het afgesneden-zijn van Nederland betekende
dat de Surinamers zich steeds sterker bewust werden van de eigen
potenties en de mogelijkheid tot een zelfstandige positie binnen
het Koninkrijk der Nederlanden (die met het Statuut in 1954 haar
politiek beslag zou krijgen). De Noord-Amerikaanse invloed werd op
veel terreinen merkbaar. Het zou te ver gaan aan die invloed het
nieuwe naoorlogse elan toe te schrijven, maar geheel los daarvan
stond dat toch ook niet.
Naoorlogs bastion van de oriëntatie op Nederland werd de
Stichting voor Culturele Samenwerking, Sticusa, die in Nederland
zetelde, met het Cultureel Centrum Suriname als haar uitvoerend
orgaan in Paramaribo. Overigens heeft het CCS gaandeweg ook meer
betekenis gekregen voor de Surinamisering van het cultuuraanbod.
In de jaren '50 werden verschillende nieuwe gelegenheden tot
onderwijs gecreëerd. De boekhandelsbranche liet in haar groei
zien dat het boek een etnisch en sociaal steeds grotere groep
geïnteresseerden trok. Ook in de groei van de collectie, het
aantal filialen en het aantal uitleningen van de CCS-bibliotheek is
duidelijk af te lezen dat in Suriname een breed lezerspubliek was
gecreëerd. Er vond een uitwaaiering van media-activiteiten
plaats, die zonder twijfel veel heeft bijgedragen aan de culturele
ontplooiing van de verschillende bevolkingsgroepen en langs die weg
aan de versterking van de groepsidentiteiten. De wereld van de
beeldende kunst gaf dezelfde ontwikkeling te zien als die in de
muziek en het theater: van een gezapig traditionalisme in het
interbellum naar het hectische zoeken na de Tweede Wereldoorlog en
de bruisende activiteit van de jaren '60.
Door de repatriëring van enkele schrijvers kreeg het
Nederlandstalige literaire leven van na de Tweede Wereldoorlog een
belangrijke impuls. Albert Helman - op velerlei gebied actief, op
velerlei gebied bestreden - schreef in Suriname enkele van zijn
belangrijkste romans en toneelwerken. Hugo Pos en Wim Salm
voorzagen het toneelleven van vers bloed. De kranten volgden hen op
de voet, ruimden steeds meer plaats in voor de literaire wereld en
verkenden behoedzaam de eigen regio. Literaire tijdschriften heeft
het tijdvak 1923-1957 niet gekend, maar er zijn twee periodieken
geweest die tot op zekere hoogte de functie van letterkundig
tijdschrift overnamen: Spectrum en Opbouw. Het veruit
belangrijkste culturele Nederlandstalige tijdschrift, met een
serieuze literatuur-kritische component, is De West-Indische
Gids geweest, dat verscheen van 1919 tot 1960.
De belangrijkste ontwikkeling binnen Suriname in de jaren 1923-1957
deed zich voor in de volkstalen, en dan met name in het
Sranantongo, in iets minder sterke mate ook in het
Surinaams-Nederlands. In een land met een onderwijsstelsel op
Nederlandse leest en met media - de kranten en vanaf 1935 de
radiozender AVROS - die alle taalgebruik legden langs de meetlat
van het ABN, vroeg het moed om in geschrifte de eigen Surinaamse
variant van het Nederlands te gebruiken. Toch hebben verschillende
schrijvers die moed opgebracht. Er is een aantal ijkingsmomenten
aan te wijzen in een taalontwikkeling die langzaam opschoof in de
richting van het Surinaams-Nederlands: het toneelstuk Woeker
van Wim Bos Verschuur in 1936, de verhalen van Peter Schüngel
in het maandblad Suriname-Zending in de jaren 1942-46, de
roman Viottoe van Kees Neer uit 1948, de vertaling in 1954
door Albert Helman van Connelly's Green pastures tot
Grazige weiden, de opvoering van Wim Salms Sjinnie in
1956 en de herinneringen van M.Th. Hijlaard Zij en ik (die
overigens pas in 1978 in druk verschenen).
Het Sranan en de creoolse volkscultuur kregen een forse duw
voorwaarts van het in 1944 gevormde Comité Pohama dat
'Sranannetie' organiseerde: culturele avonden met liederen en
voordrachten in het Sranan. Maar liefst tien jaar lang, van 1946
tot 1956, gaf het comité Foetoe-boi uit, een
maandblad dat consequent aandacht besteedde aan allerlei aspecten
van de creoolse taal en cultuur. Het was het eerste breed-culturele
blad in het Sranan dat, gemaakt door 'kleine luyden', een dam
opwierp tegen de neerlandocentrische oriëntatie van de hogere
klassen. De motor achter deze activiteiten was de onderwijzer
J.G.A. Koenders. Hij pleitte in tal van opstellen, met taalboekjes
en liederenbundels voor een herleving van het 'Surinaams' en een
radicale transformatie van het nog altijd koloniale
onderwijssysteem dat 'onze psyche heeft ontredderd en ons verstand
verschrompelde'.
Wie Eegie Sanie (Onze Eigen Dingen) zou Koenders' belangrijkste
erfgenaam zijn. Deze groep van studenten en arbeiders rond de
charismatische Eddy Bruma, ontstond in Nederland rond 1950 en
verplaatste zich enkele jaren later naar Suriname, waar de
'Sranannetie' nieuw leven werd ingeblazen, met toneelstukken van
o.a. Bruma en Ané Doorson waarin de slavernijgeschiedenis en
het erfleven werden geënsceneerd. Van Wie Eegie Sanie ging een
belangrijke impuls uit tot verandering van het culturele klimaat en
het historische bewustzijn, eerst en vooral van de creolen.
In het Sranan werden de opmerkelijkste resultaten geboekt in het
toneel. Met haar voorlichtende stukken verwierf Sophie Redmond een
prominente plaats in de transitie van de orale creoolse cultuur
naar de geschreven en 'formele' cultuur. Daarnaast werd Paula
Velders vertaling van Shakespeare's Midzomernachtsdroom een
belangrijk moment in de emancipatie van het literaire Sranan. De
toneelwereld liet het beste zien hoezeer de Surinaamse wereld
cultureel steeds pluriformer werd, hoe de transformatie van de
orale cultuur naar de geschreven cultuur zich voltrok, hoe de
taalkeuze werd herijkt, het nationale historische cultuurgoed inzet
werd van theatrale verbeelding en de Surinamisering zich ook in de
acteursbezetting liet zien.
Het toneelgenootschap Thalia beleefde na de oorlog opnieuw een
bloeiperiode. Onder leiding van Hugo Pos werden de deuren ook
opengezet voor andere dan joodse en blanke acteurs, er werden
stukken uit de regio opgevoerd en werk van Surinaamse auteurs, of
buitenlandse vertaald en bewerkt voor het Surinaamse publiek.
Niettemin bleef het accent nog sterk liggen op werk uit Europa en
Noord-Amerika.
Maar langzamerhand zagen de theaters ook steeds vaker andere vormen
dan het 'Thalia-toneel' en daarmee werd een publiek uit andere
lagen van de bevolking naar de theaters gelokt. In de eerste
eeuwhelft bracht cabaretier Johannes Kruisland in zijn
'one-man-shows' altijd ook nummers in het 'Neger-Engelsch'. Bonte
Avonden genoten een grote populariteit en in de jaren '20 en '30
werden ook korte scènes in het Sranan geïntroduceerd,
geschreven door Albertina Rijssel. Zo ontstond het creoolse
volkstoneel, dat wortelt in de orale traditie van banya,
du, laku en lobisingi, maar een andere
gedaante kreeg op de toneelplanken. Al in 1927 zorgde het geheel
zwarte vrouwengezelschap Excelsior onder leiding van J. Vriese,
voorman van De Neger Vereeniging in Suriname, voor voorstellingen
in Moengo. Een ander gezelschap van zwarte vrouwen, De Echo, zorgde
in 1929 voor opvoeringen in Thalia die voor veel commotie zorgden
bij een op schandalen belust publiek. Na de Tweede Wereldoorlog
trokken jonge groepen steeds meer publiek uit de volksklassen. Zij
creëerden het genre van het creoolse volkstoneel, overwegend
gespeeld in het Sranan met flarden Surinaams-Nederlands. Dit toneel
berust op een combinatie van tragiek en humor, een realistische
weergave van alledaagse problemen aangevuld met hilarische
effecten. Omdat de tekst lang niet altijd wordt uitgeschreven
bestaat de mogelijkheid tot improvisatie en inspelen op de
actualiteit. De kranten, die na de oorlog dagelijks begonnen te
verschijnen, hebben met een toneelkritiek op geregelde basis zeker
meegewerkt aan de groei van de belangstelling voor het theater bij
een breder publiek.
Het hindostaanse toneel speelde zich nog voor 99 % af in de
districten. In de jaren '20 werden de eerste historische stukken
opgevoerd, gebaseerd op dramatisch werk van Indiërs maar door
Surinaamse auteurs al enigszins aangepast aan de lokale
omstandigheden. Hindi was de belangrijkste toneeltaal (van Hindi en
andere Indiase talen bediende zich ook de eerste hindostaanse
dichter, de immigrant Rahman Khan). De oude Indische drama's met
overwegend religieuze thema's bleven dominant, maar in de loop der
tijd werden de teksten vereenvoudigd, het Sarnami werd frequenter
gebruikt en er werden ook stukken van actuele en realistische
inhoud gespeeld.
In 1950 trad een groep bosnegers op in theater Bellevue, wat
beschouwd kan worden als een significant moment in de
theatralisering en secularisatie van bosnegercultuur. De inbreng in
theaters van bosnegers, en ook van javanen, chinezen en inheemsen
bleef overigens nog uiterst bescheiden. Wel zag het tijdvak
1923-1957 een sterke groei van de sociaal-culturele organisatie van
praktisch alle bevolkingsgroepen.
1957-1975
Nooit eerder werd over zo'n breed front een heroriëntatie
gezocht op het eigene als in de jaren na 1957, en nooit eerder was
de eigen identiteit zo indringend object van literaire verbeelding.
Elementen uit de orale tradities werden door verschillende auteurs
gebracht binnen de nieuwe context van geschreven teksten.
Desalniettemin hebben die orale tradities minder nadrukkelijk
gefungeerd als dam tegen de invloed van de Europese cultuur, als in
dezelfde tijd orale elementen dat deden in de geschreven letteren
van de Nederlandse Antillen. Een verklaring hiervoor kan zijn, dat
in Suriname de orale tradities onder de verschillende
bevolkingsgroepen nog levendig aanwezig waren en dus niet de
herleving behoefden, die de zo goed als geheel verdwenen orale
literatuur op de Antillen nodig had.
Trefossa gaf met zijn bundel Trotji in 1957 de opmaat tot
een waaier van literaire activiteit. Verschillende dichters hebben
getuigd van de inspiratie die uitging van zijn poëzie, maar er
waren tal van factoren die in een complexe onderlinge wisselwerking
en versterking bepalend zijn geweest voor de buitengewone dynamiek
in de letteren. Rond 1950 was het onderwijssysteem op de helling
gezet en die vernieuwing begon haar vruchten af te werpen. Het
bibliotheekwezen groeide expansioneel en bediende tienduizenden
lezers in stad en district. Paramaribo telde meer drukkerijen dan
ooit te voren, wat een belangrijk gegeven was voor de literaire
productie in eigen beheer (uitgeverijen hebben slechts een kleine
rol gespeeld). Sticusa en CCS beschikten over de middelen om met
reisbeurzen, stipendia, aankopen en prijzen de schrijvers te
ondersteunen. De kranten maakten nooit eerder zoveel ruimte vrij
voor critici die toegewijd de culturele ontwikkelingen volgden.
Levendige literaire debatten - met de dichter Corly Verlooghen
veelvuldig in een hoofdrol - vulden de kolommen.
De literaire tijdschriften Tongoni, Soela,
Moetete en Kolibri boden aankomende auteurs een
platform, zoals ook de tweewekelijkse literaire pagina van het
dagblad Suriname dat van 1967 tot 1969 deed, en in Nederland
het tijdschrift Mamjo. Met uitzondering van Kolibri
en Mamjo, die aanschopten tegen de gezapigheid van een
voorgekookt literair nationalisme, fungeerden alle tijdschriften
als bloemlezingen zonder scherp afgebakende programmatische
uitgangspunten. Veel continuïteit in het bijdragen aan
tijdschriften was er niet: wie de tijdschriften inventariseert,
komt op een totaal van 72 auteurs. Daarvan hebben er slechts twee
bijgedragen aan meer dan twee tijdschriften: Shrinivási en
Slory - inmiddels gecanoniseerde dichters met een oeuvre waarin het
politieke en het persoonlijke elkaar in balans houden. Veel
continuïteit boden die bladen op zichzelf overigens ook niet:
Soela bestond met zeven nummers nog het langst.
In de theaters zorgden jonge regisseurs rond 1970 voor krachtige
vernieuwende impulsen. Zo ging Henk Tjon een vruchtbare
samenwerking aan met schrijfster Thea Doelwijt in het Doe-theater.
Duidelijk is overigens dat het volkstheater met groepen als NAKS
van Eugène Drenthe en Jagritie van Goeroedath Kallasingh de
veruit grootste aantallen toeschouwers trok.
Jarenlang beheerste de AVROS de ether, maar opeens kwam er een hele
reeks radiostations bij, waar de volkstalen nadrukkelijk in de
programmering aan bod kwamen, en waar ruimte werd gecreëerd
voor hoorspelen en culturele programma's. In 1965 kreeg Suriname
ook zijn eigen televisiestation; van een substantiële
dramaproductie voor tv is echter geen sprake geweest.
De val van het laatste kabinet-Pengel in 1969 luidde een politiek
uiterst rumoerige tijd in. Het waren vooral dichters die zich, met
strijdpoëzie van onvervalste signatuur en afgestemd op een
massapubliek, tot spreekbuis maakten van de maatschappelijke
onvrede en het verlangen naar de politieke onafhankelijkheid van
Suriname. R. Dobru reikte vanaf het midden van de jaren '60 de
vormtaal aan, waarop veel van de geëngageerde dichters zich
oriënteerden. Zijn gedicht 'Wan bon' werd de bekendste
belijdenis van het saamhorigheidsverlangen van het Surinaamse volk.
Opmerkelijk genoeg - en niet geheel in lijn met het eenheidsgeloof
van die jaren - bleef de literaire productie bijna geheel beperkt
tot werk in het Nederlands (Verlooghen, Shrinivási, Ashetu)
of Sranan (Rellum, Schouten-Elsenhout, Slory). Shrinivási
schreef weliswaar de eerste gedichten in het Sarnami, Akanamba de
eerste poëzie in het Saamaka en André Pakosie in het
Ndyuka, maar hele bundels werden er in geen van deze talen
gepubliceerd. Sarnami werd gaandeweg een belangrijke toneeltaal; de
belangrijkste hindostaanse toneelschrijver, Goeroedath Kallasingh,
vroeg nadrukkelijk aandacht voor het hindostaanse cultuurgoed als
deel van het nationale erfgoed.
Trefossa introduceerde in zijn poëzie ook migrantenmotieven en
hij stond daarin niet alleen. Zeer velen van het tijdvak 1957-1975
hebben jarenlang in het buitenland gewoond en van dat verblijf
overzee ook de invloed ondergaan. Zo schreef Paul Marlee met
Proefkonijn (1985) een roman in de internationale
modernistische traditie, die geanalyseerd kan worden als een
weefsel van intertextuele verwijzingen. In Nederland werden
Surinaamse auteurs gevonden rond het Leidse studententijdschrift
Mamjo (met John Leefmans en Rudi Kross als scherpe
scribenten), rond de vereniging Ons Suriname met haar jaarschrift
Fri en het Surinaams Verbond met zijn tweemaandelijkse
Djogo. Na 1968 gaven Leo Ferrier en Bea Vianen de
maatschappelijk betrokken maar psychologisch uitgewerkte roman de
grootste vlucht sinds de boeken van Albert Helman. De laatste bleef
overigens zelf met eigen werk en met allerlei activiteiten
nadrukkelijk aanwezig, maar werd door de jongste
schrijversgeneratie scherp gekritiseerd als iemand die te zeer de
oren liet hangen naar het Nederlandse model.
Verschillende Surinaamse dichters bouwden een groot oeuvre op en
werden daarvoor met literaire prijzen bekroond. Het proza kende een
opleving, vooral van het korte verhaal, maar uiteindelijk konden
slecht weinig prozaschrijvers de gewekte verwachtingen waarmaken.
Na zijn debuutbundel Spanhoek bundelde Coen Ooft geen werk
meer. Nel Bradley, Benny Ooft, Thea Doelwijt, Ruud Mungroo, Rodney
Russel publiceerden na hun vroege prozawerk weinig meer, of legden
zich - zoals Doelwijt - toe op andere genres. De komeetachtige
entree in de letteren van Leo Ferrier met zijn µtman werd na
de korte roman El sisilobi bruusk afgebroken. Alleen Bea
Vianen bleef met vijf romans een decennium aanwezig als criticaster
van de verloedering in Suriname. De grote oeuvrebouwers ná
Helman zouden zich eerst na 1975 het podium beklimmen.
De wonderbaarlijke ontplooiing van poëzietalent nadat Suriname
altijd voornamelijk rijmelaars had voortgebracht, had ook een
schaduwzijde. Bij gebrek aan een goede literaire infrastructuur,
brachten zelfs de beste dichters hun werk in eigen beheer uit. Rijp
en groen lag naast elkaar op hetzelfde boekenschap. Alleen al in
1975 verscheen er bijna elke week een dichtbundel. De markt dreigde
verzadigd te raken.
Een verontrustend verschijnsel is geweest dat juist onder
migrantenschrijvers zich enkele ernstige gevallen van psychose
hebben voorgedaan, die mogelijk verklaard kunnen worden vanuit een
complex samenstel van sociaal-culturele en psychologische factoren
als de 'meerzijdige culturele gebondenheid' en de problematische
identificatie van de zwarte mens met een spiegelbeeld dat door de
witte mens is aangereikt.
Van een heel andere orde tenslotte is de vraag in hoeverre het
politiek geëngageerde werk van de jaren '60 en begin jaren '70
werkelijk zoden aan de dijk heeft gezet. Er leek zoiets als een
eenheidsbeleven door Suriname te waren, zeker als we afgaan op wat
er in literaire teksten over is terug te vinden. Maar terugblikkend
op het Suriname van vóór 1975 zou menig schrijver
later sceptische geluiden laten horen. Twee van de belangrijkste
van de nieuwe generatie hadden overigens al rond 1970 hun debuut
gemaakt: Edgar Cairo en Astrid Roemer. Zij zouden zo nadrukkelijk
hun stempel drukken op de Surinaamse literatuur in Nederland van de
jaren '80 en '90 dat hun werk thuishoort bij de migrantenliteratuur
van ná de onafhankelijkheid.
|