|
Col: 0205.17
Date: Tue, 07 May 2002 12:44:07 +0200
From: P.A. Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 0205.17: Linguïstisch Miniatuurtje LXXXIV:
Zinsontleding voor politici
Linguïstisch Miniatuurtje LXXXIV:
Zinsontleding voor politici *
Het is zo langzamerhand een cliché geworden om op te merken dat
het bij de debatten in deze verkiezingsperiode meer om de vorm dan om
de inhoud gaat. Aan de lopende band verschijnen onze politieke
kopstukken in de landelijke media, waar ze steevast meer op hun
amusementswaarde worden afgerekend dan op de inhoudelijke standpunten
die ze vertegenwoordigen. Ze spelen een deuntje op een saxofoon, dollen
wat met de presentator, en worden met de gekste vragen bestookt. Laatst
werd er zowaar een taalkundige vraag gesteld aan een paar
lijsttrekkers. Het moet niet veel gekker worden.
De gelegenheid was een lijsttrekkersdebat in het programma Nova op
vrijdag 3 mei tussen Thom de Graaf, Jan-Peter Balkenende en Kars
Veling, met een cabaretblokje van Henk Spaan. Het is nog te bekijken op
hun website (http://www.novatv.nl). Via het grote lijsttrekkersdebat in
de Soundmixshow kwam Spaan over taalbeheersing te spreken. Hij merkte
op dat met name de Vlaamse nieuwslezers het Nederlands uitstekend
beheersen, wat naar zijn oordeel te danken is aan het betere
taalonderwijs in Vlaanderen, dat in handen zou zijn van "jezuïeten
en kloosterlingen".
Om dit betoog te illustreren had Spaan een klein quizje voorbereid. Hij
vroeg de drie politici om in de volgende twee zinnen het woordje
'verschrikkelijk' redekundig te ontleden: 'De CDA-politicus wond zich
verschrikkelijk op over Van Boxtels uitspraken over het bijzonder
onderwijs' en 'De CDA-politicus vond Van Boxtels uitspraken over het
bijzonder onderwijs verschrikkelijk'. Onrust onder de lijsttrekkers,
terwijl ook presentator Ferry Mingele tekenen van lichte paniek begon
te vertonen. Waar moest dit eindigen? Was dit nog wel cabaret?
Één politicus probeerde terug te vallen op een beproefd
procédé en merkte op dat "beide stellingen ongetwijfeld
juist waren", maar Spaan liet zich niet uit het veld slaan. Het ging
immers om de ontleding. Wat was dan tenminste de redekundige ontleding
van 'verschrikkelijk' in de eerste zin? "Bijwoordelijke bepaling" wist
Kars Veling.
Nu zou een universitaire eerstejaarsstudent taalwetenschap met dit
antwoord ongetwijfeld de onderwijzende hoogleraren al aangenaam verrast
hebben, maar Spaan wist het nog te corrigeren. "Bijna!" merkte hij met
een fijne glimlach op "Het is een bijwoordelijke bepaling van
hoedanigheid". En de tweede zin dan? Hier moest iedereen passen.
"Dat is nou een bepaling van gesteldheid". "Ik dacht dat
'verschrikkelijk' daar een bijvoeglijk naamwoord was", bracht Veling
nog in het midden. "Daar moeten we het straks maar eens over hebben"
antwoordde Spaan, en zichtbaar opgelucht sloot Mingele het pijnlijke
onderwerp af met de kwinkslag dat "we dan ook over onze eigen
gesteldheid kunnen spreken".
Wat moet ik hier nu over zeggen? Ik heb niets tegen oppervlakkigheid,
en al helemaal niets tegen amusement, maar als mijn eigen vakgebied in
het geding is moet ik toch even slikken. Ik voel allereerst de
aanvechting om de kwestie zelf te corrigeren. Spaan benoemt
'verschrikkelijk' in de eerste zin als een bijwoordelijke bepaling van
hoedanigheid. Ik weet niet welke Vlaamse kloosterling hem dat
ingefluisterd heeft, maar het klopt niet. In de constructie 'zich
verschrikkelijk opwinden' is 'verschrikkelijk' een graadbepaling
(bijwoordelijke bepaling van graad), waarmee je aangeeft dat
iemand zich in hoge mate opwindt ('heel erg', 'zeer', 'sterk'). Van een
bepaling die de hoedanigheid van de opwinding betreft (bijvoorbeeld 'op
een verschrikkelijke manier') is helemaal geen sprake. In dit opzicht
was Velings antwoord dus beter dan Spaans correctie.
Lastiger vind ik echter de quiz als zodanig (ik zou bijna zeggen: de
hoedanigheid van de quiz). Want wat wordt hier nu eigenlijk
geïllustreerd? Dat taalbeheersing te maken heeft met inzicht in de
taalstructuur? Prima, al zal niet iedere taalbeheerser dat beamen. Maar
inzicht in de taalstructuur is in de vraagstelling van Spaan verworden
tot het raden naar een ontleedterm. Alsof het herkennen en benoemen van
een spelsituatie uit een bepaalde voetbalwedstrijd iemand tot een goede
voetballer maakt. Juist Henk Spaan weet dat feitenkennis en voetballend
vermogen weinig met elkaar te maken hebben.
Wat dat betreft had Spaan zijn ontleedterm trouwens wel goed gekozen.
'Hoedanigheid', weet er eigenlijk wel iemand wat dat woord betekent?
Het is maar goed dat de aanwezigen geen woordenboek bij de hand hadden.
Anders waren ze erachter gekomen dat het synoniem is met het woord
'gesteldheid', waarmee de bijwoordelijke bepaling van hoedanigheid net
zo goed een bijwoordelijke bepaling van gesteldheid had kunnen heten.
Dan was de verwarring helemaal niet te overzien geweest.
Maar terug naar de vraag wat het raden naar ontleedtermen met inzicht
in taalstructuur te maken heeft. Weinig natuurlijk. Waar het om gaat is
dat je enig benul hebt van hoe een zin in elkaar zit. Dat je ziet dat
in de constructie 'een uitspraak verschrikkelijk vinden' het woord
'verschrikkelijk' verbonden is met 'een uitspraak' ('een uitspraak
is verschrikkelijk'), en dat die verbinding in het bereik staat
van het werkwoord 'vinden'. Als iemand een uitspraak verschrikkelijk
vindt, dan is die uitspraak in zijn of haar ogen
verschrikkelijk. In taalkundige termen gezegd: er is een predicatief
verband tussen 'een uitspraak' en 'verschrikkelijk' dat het complement
vormt van het werkwoord 'vinden'. Daarom is 'verschrikkelijk' daar dan
ook (inderdaad, meneer Veling!) een bijvoeglijk naamwoord.
Ook het herkennen van de graadbepaling in de constructie 'zich
verschrikkelijk opwinden' lijkt me een essentieel onderdeel van het
inzicht in de taalstructuur. Hier is geen sprake van een predicatief
verband (geen 'verschrikkelijke opgewondenheid') maar van
quantificatie. De grootte (hoogte, omvang, mate, sterkte) van de
opwinding wordt nader bepaald door het woord 'verschrikkelijk', dat
hier dus een bijwoord is.
Dit inzicht biedt tevens de taalkundige handvatten om te betogen dat
beide zinnen niet hetzelfde betekenen. Als je vindt dat iets
verschrikkelijk is, dan zegt dat weinig over de sterkte van je
gevoelens (alhoewel 'verschrikkelijk' een sterk negatief geladen term
is), terwijl je verschrikkelijk opwinden wel een teken van emotie is,
maar weinig zegt over je inhoudelijke meningen ten aanzien van het
voorwerp van je opwinding. Een verschil tussen inhoud en vorm dus. Het
zou geen kwaad kunnen als politici hiervan op de hoogte waren.
Peter-Arno Coppen
* Ik heb dit miniatuurtje geschreven en ingeleverd op zondag 5 mei. Na
6 mei heb ik overwogen of de combinatie van luchtigheid en
verkiezingen nog wel zo gepast was, en of het niet beter zou zijn het
stukje terug te trekken. In overleg met de redactie van Neder-L heb
ik besloten dat niet te doen, en te volstaan met enkele kleine
aanpassingen. Het gaat hier niet over de verkiezingen, maar over
taalkunde. En daar kunnen we gelukkig nog luchtig over doen.
|