0205.26 Terug
Vooruit 0205.b

Rec: 0205.27

Date: Mon, 20 May 2002 16:49:02 +0200
From: Marc van Oostendorp <Marc@vanOostendorp.nl>
Subject: Rec: 0205.27: Recensie 'Marek van der Jagt en de Nederlandse dialecten' door Marc van Oostendorp, over: C. en G. Hoppenbrouwers. De indeling van de Nederlandse streektalen. (Assen, 2001)

Marek van der Jagt en de Nederlandse dialecten

Cor en Geer Hoppenbrouwers. De indeling van de Nederlandse streektalen. Dialecten van 156 steden en dorpen geklasseerd volgens de FFM. Assen: Koninklijke Van Gorcum, 2001. ISBN 90-232-3731-5.
Zeg me om het even wat en ik zal u zeggen wie ge zijt. Een paar weken geleden werd bekend dat Italiaanse onderzoekers in opdracht van NRC Handelsblad met een computerprogramma hadden vastgesteld dat de boeken van Marek van der Jagt geschreven waren door Arnon Grunberg (of omgekeerd). Een paar dagen later konden de twee schrijvers dan ook weinig anders doen dan deemoedig ontkennen dat ze inderdaad dezelfde persoon waren. Ze hadden samen jarenlang een vuig spel gespeeld en geen mens kon onomstotelijk bewijzen waar het mis ging. Maar toen kwam de computer en was het binnen de kortste keren gepiept.

Nou, dat programma zal dan wel heel geavanceerd zijn geweest, en zeer diep zijn ingegaan op de opvallende overlappingen in thematiek van de twee schrijvers, hun beider neiging om zichzelf tot een verhaal te maken, hun vlucht naar het buitenland, hun afstotingsspel met de media? Dat zal wel het aantal herhalingen geteld hebben en gelet hebben op merkwaardig woordgebruik? Nee, hoor. Het programma deed waarschijnlijk weinig meer dan de frequenties tellen van letters (elke auteur heeft een uniek profiel dat wordt bepaald door hoe vaak hij a's, e's en i's schrijft), en misschien van enkele andere categorieën. Geen woord Nederlands hoefde de computer te begrijpen van de letterkundige werken van Van der Jagt en Grunberg om vast te kunnen stellen dat ze door dezelfde persoon waren geschreven.

Het deed mij denken aan een artikeltje van Geer Hoppenbrouwers dat ik vijftien jaar geleden in Tabu las en waarin de auteur aantoonde dat je inderdaad door letterfrequenties te tellen redelijk goed talen, dialecten en zelfs individuele auteurs uit elkaar kunt houden. De redactie van de NRC had helemaal niet naar Italië hoeven gaan. We hebben die expertise in Nederland allang in huis.

Inmiddels heeft Hoppenbrouwers zijn methode samen met zijn broer, de beroemde dialectoloog Cor Hoppenbrouwers, sterk verfijnd. In hun gezamelijke boek De indeling van de Nederlandse streektalen presenteren de broers een manier om de Nederlandse dialecten te klasseren volgens wat zij noemen de featurefrequentiemethode (FFM). Het is een fascinerend boek. Op de omslag wordt beloofd dat ook de 'niet taalkundig geschoolde lezer met belangstelling voor taal en dialect dit boek kan volgen', maar die lezer zal er zijn hoofd dan wel goed bij moeten houden. Voor iemand met een wat diepergaande belangstelling voor Nederlandse dialecten en/of voor fonologie lijkt me dit boek verplichte lectuur.

Het idee is simpel. Je neemt van elk dialect een representatief stukje tekst. Die tekst bestaat uit spraakklanken en die spraakklanken kun je als taalkundige in onderdeeltjes ('kenmerken', 'features') knippen. De klank /p/ maak je bijvoorbeeld door met je lippen een explosie van lucht te veroorzaken en daarbij je stembanden niet te gebruiken. Taalkundigen zeggen dan dat de /p/ de kenmerken [met je lippen], [explosie] en [-stembanden] heeft. Wat de broers Hoppenbrouwers nu doen is de frequentie kenmerken tellen: van elke 100 kenmerken in het dialect van Ter Weksel zijn er vijftien [met je lippen].

Het is handiger om kenmerken te tellen als je dialecten wilt vergelijken dan om letters (of fonetische symbolen) te vergelijken. Soms verandert een /p/ bijvoorbeeld in een /b/. Dat is maar een heel kleine verandering ([-stembanden] wordt [+stembanden] terwijl de andere kenmerken gelijk blijven) en dat kun je uitdrukken als je kenmerken telt.

Hoppenbrouwers en Hoppenbrouwers laten in hun boek overtuigend zien dat je inderdaad een classificatie kunt maken die redelijk overtuigend is. Als je een van hun 156 dialecten als uitgangspunt neemt en alle andere dialecten ermee vergelijkt, blijkt dat over het algemeen de dialecten in naburige plaatsen een grotere overeenkomst vertonen en dat de plaatsen met het dialect dat het meest verschilt ook het verst weg liggen.

Er zijn ook verrassende uitkomsten. Zo staat het Fries volgens de classificatie van Hoppenbrouwers en Hoppenbrouwers dichter bij de Hollandse, Brabantse, Zeeuwse en Vlaamse dialecten dan het Limburgs en het Nedersaksisch. De Limburgse dialecten staan het verst weg (al wijzen Hoppenbrouwers en Hoppenbrouwers er op dat er tussen die dialecten onderling ook grote verschillen zijn).

De vraag is dan wel wat je precies met deze uitkomsten moet. Kunnen we op basis hiervan nu besluiten dat de Fryske Akademy moet opgaan in het Meertens Instituut en dat er in plaats daarvan een aparte Veldeke-akedemie moet komen in Maastricht? Als ik een Fries zou zijn, zou ik er op wijzen dat deze classificatie steunt op een groot aantal aannamen. Zo is de kenmerkanalyse van spraakklanken die hier gebruikt wordt er slechts een van de velen. (Als ik kwaad zou willen, zou ik er nog aan toevoegen dat ze ook een beetje ouderwets is. Er wordt bijvoorbeeld wel verwezen naar de Aulapocket over Nederlandse fonologie van Geert Booij uit 1981, maar niet naar het standaardwerk die dezelfde auteur in 1995 publiceerde). Met een iets andere kenmerkindeling, en met een iets andere weging van de verschillende factoren kregen we er misschien een heel andere klassering uit. Bovendien zijn hier hoe dan ook syntactische en morfologische factoren niet rechtstreeks meegewogen. Ik denk dat het wel mogelijk is om op basis van de featurefrequentiemethode, maar met een andere kenmerktabel een classificatie te maken waarin het Fries het meest apart staat.

Toch doet dat weinig af aan het hier gepresenteerde werk. Het gaat er dan natuurlijk om dat zo'n kenmerktabel ook anderszins plausibel is. Als zodanig zie ik de featurefrequentiemethode eigenlijk vooral als een instrument om theorieën over fonologische en andere taalkundige kenmerken te testen. Een goed kenmerkensysteem voor het Nederlands levert niet al te idiote resultaten op wanneer hij wordt gebruikt om een aantal dialecten te vergelijken. Hoppenbrouwers en Hoppenbrouwers hebben een indrukwekkend resultaat geleverd, een prachtig instrument voor de taalkunde, en dat alles opgeschreven op een heldere en inzichtelijke manier.

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/


[Dit nummer]