|
Col: 0206.24
Date: Fri, 21 Jun 2002 02:36:00 +0200
From: Willem Kuiper <willem.kuiper@hum.uva.nl>
Subject: Col: 0206.24: Column Willem Kuiper, no. 57: Ende sette haer een lamsoore
Ende sette haer een lamsoore
Nu het Repertorium van het Nederlandse lied tot 1600 in september van
het afgelopen jaar officieel opgeleverd is, ben ik op het Meertens
Instituut van het oude lied getransfereerd naar de sectie Volksverhalen.
(Het liedalbum van Aefgen is dus even bijzaak, totdat de multimediale
viewer die ik aan het ontwikkelen ben het doet.) Daar ga ik de
Volksverhalenbank
vullen met historisch materiaal, te beginnen met:
|
¶ EEN NYEUWE CLUCHTBOECK, tracteerende van alle staten ende
handel der werelt, seer ghenuchlijck [om lesen] ende om een eerlijc
gheselscap te verhueghen. Ghenoemen ende overgheset uut een
HOOCHDUYTSCHE boeck geheten 'SCIMP EN ERNST'. Ende oock uuten
LATIJNE, te weten HENRICO BEBELIO ende anderen meer, waer in alle
eerbaerheyt ende genuchlijcheyt gesocht is, also dat die hoorende oft
lesende ooren daer in niet verarghert en sullen worden.
|
¶ Gheprint THANTWERPEN in die CAMMER STRATE /
in die GULDEN FONTEYNE bi my JAN WIJNRIJCX.
¶ Met Gratie ende Priuilegie
|
Het boekje werd gedrukt in 1554, en is zoals de titelpagina vermeldt een
vertaling/bewerking van de bundel Schimpf und Ernst van de Elzasser
Franciscaan Johannes Pauli, gereedgekomen in 1519, en voor het eerst
gedrukt in 1522 door Johannes Grieninger te Straatsburg. Jan Wijnrijcx
gebruikte de verbeterde herdruk uit 1533 van diens zoon Bartholomeus
Grieninger. Jan heeft zijn voorbeeld flink uitgedund door slechts 249
cluchten af te drukken van de bijna 900 die het origineel, bijlagen
inclusief, telt. Wel handhaafde hij de thematische opzet van het
origineel, zij het dat hij enkele gevoelige onderwerpen in hun geheel
oversloeg. Het woord 'clucht' moet literair-historisch verstaan worden,
want zoveel valt er niet te lachen. Ons c.q. mijn gevoel voor humor is
in de loop der eeuwen nogal veranderd. Maar soms zit er eentje tussen
die wél leuk is:
|
44 (1) Die .XLIIII. cluchte. [?]
|
|
Twee boecvercoopers van PARIJS reysde in ENGHELANT. Ende daer
waren sy in een herberghe ghelogeert daer eenen geest regneerde. Ende
so si tsavonts goet sier ghemaect hadden ende vrolijck gheweest
waren, so werden si daer af gewaerschout. Waer 't sake dat si den
geest (GODEFROT-METTEN-LANGEN-TANDEN [1] genoemt) te nacht
hoorde, dat si niet verveert wesen en soude, want hi maecten veel
gheluyt ende was ghedienstich in huys, maer hi en misdede nymanden
niet. Dese cooplieden dit hoorende, maecten goet sier ende waren
vrolijck. Ende ginghen tsavonts by malcanderen te bedde. Doen si te
bedde waren ende die keerse uut was, so stack d'eene sinen blooten
eers ten bedde uut ende liet eenen overluyen scheet, seggende: 'Dat is
voor GOEDEFROT!' Doen creech hy eenen slach op sinen blooten eers,
gelijck oft met een platte hant geslagen hadde geweest. Daerdoor
vervaert [2] sijnde, trocken si 't hooft onder ende dorfden niet een
woort kicken.
|
|
[1]Godevaert met de Grote Tand: zesde en meest
geweldadige van de acht zonen van Melusine, zo genoemd
omdat er een tand uit zijn mond groeide gelijkend op de
slagtand van een wildzwijn. Volgens de editeurs van de
editie een populair spook in Frankrijk.
|
|
[2]bang
|
De herkomst van deze clucht - gerubriceerd onder: Van den boosen geest -
is duister. Het zou me niet verbazen als het een inside joke uit de
boekenwereld was. Onder het kopje Van den toovernerssen vond ik de
volgende over een koopmansvrouw die te graag weten wil wat haar man
uitvoert als hij met collega's op reis is:
|
76 Die .LXXVL cluchte. [S&E 150]
|
|
Veele cooplieden trocken metten anderen wech. Ende des coopmans
vrouwe had eenen ouden wijve eenen gulden gegheven, dat si haer
leeren soude dat haer man haer na ghinck. Ende sprack hoe dat si wel
ghehoort hadde dat men dat wel doen coste. Dat oude wijf leerde haer
die conste. Op eenen tijt badt si den man dat si
hem [3] haer van sinen
wijnbrauwen geven soude. Ende als si hem langhe daerom ghebeden
hadde, seyde die man: 'Ja, ick gae alle saterdach totten barbier, so wil
ick eens dat haer houden ende u dat brengen.' Ende het was die
maniere dat men ter selver tijt langhe gehaerde tesschen droech, daer
sneedt hi dat haer af. Ende dee 't in een pampierken ende bracht'
zynder vrouwen. Die cooplieden reden wech. Ende als si des nachts
aen die herberghe quamen, hinck hi dye tesse aen dye muer ende setten
hem aen die tafele. Dye vrouwe maecten haer dingen
vast [4]
metten
bare. Die tesse begost aen de muer te dansen. Die ander cooplieden
seyden: 'Siet, wat gaet uwer tesschen over.' Over een wijle dede sy
noch selsamer ende spranck van den
weech. [5]
Die coopman seyde:
'Doet die duere op, si wilt messchien wederom thuiswaert.' Die
tessche wentelde haer alom, totdat si thuys voor de duere quam
rommelde si daer aen. Ende als de vrouwe dat hoorde, liep si terstont
aen die duere ende meynde dat haer man daer ware. Ende als si toe
sach, so was 't syn tesse. Doen sach si wel dat si bedroghen was.
Ende als 't dach was, reet die coopman wederom thuys ende sloech de
arme vrouwe seer.
| |
[3](lees) dat hij haar
|
|
[4]deed uitvoerig haar kunsten
|
|
[5]muur
|
In dezelfde rubriek nog een arme vrouw:
|
79 Die .LXXIX. cluchte. [S&E 153]
|
|
Voortijts syn
scholieren [6]
om door die landen gheloopen die geheele
netten [7]
aen den hals hadden, groote
lye [8]
bedrieghers. Daer quam een
in een huys daer een vrouwe was die haer oogen wee deden. Hi sprack
tot haer: woude si hem eenen gulden gheven, so soude hy haer een
briefken aen den hals hanghen dat haer geen ooge meer wee doen en
soude, so langhe als si dat aen den hals droech. Si en soude 's oock
nyemanden laten sien. Die vrouwe was blijde ende gaf hem eenen
gulden. Die scholier gaf haer dat briefken, inghenaeyt, ende hinck haer
dat aen den hals. Die vrouwe droech 't wel dry oft vier jaer aen den
hals. Ende als si eens te bichten ginck, vraechde haer die priester oft si
gheen
wangheloove [9]
en hadde. Si seyde dat haer een briefken
gegheven was daerin si so heylighe namen aen den hals droech voor
dat ooghenwee. Die priester en woude haer niet
absolveren, [10]
sy en
liet hem dat
briefken [11]
lesen. Als hi dat las, so lachte hi. Doen
vraechde die vrouwe waerom dat hi lachten. De priester las 't dat sy 't
verstont. Doen wasser also in gheschreven: 'Die
hangdief [12]
steeckt u
dye ooghen uut ende dye duyvel schijt die gaten vol.' De vrouwe en
woude dat niet ghelooven dat also in 't briefken gheschreven stont
ende nam dat briefken ende liet anderen lesen. Doen schuerde sy dat
briefken; doen begosten haer die oogen wederom wee te doen.
|
|
[6]rondzwervende studenten (vaganten), in de nederlandse literatuur bekend als 'varende luyden' of Aernoutsbroeders
|
|
[7]uitrusting van varende luyden
|
|
[8]luie (?)
|
|
[9]bijgeloof
|
|
[10]de zonden kwijtschelden
|
|
[11]als zij hem niet ... liet
|
|
[12]beul
|
Maar waar ik het over hebben wilde, is deze over een zoon die niet
deugt, die zijn moeder met een handgebaar beledigt:
|
205 Die .CCV. cluchte. [S&E 439]
|
|
Te MILANEN was een moeder (dwelcke cortelijcken gheschiet is) die
hadde eenen sone die haer gansch ongehoorsaem was. Ende si strafte
hem op een mael met woorden. Die soon ghaf synder moeder veel
spijtige [13]
woorden ende vloecte haer ende sette haer een
lamsoore [14]
(na ghewoonheyt der
WALEN). [15]
Die moeder seyde: 'Nu bidde ic God
van den hemel dat ghi die lamsoore aen die galge moet maken.' Niet
lange daerna wert dye sone op een dieverye ghevangen ende
uutgevoert ter galghen. Ende yeghelijc liep uut ende woude sien hoe hi
die lamsoor maken soude, oft des moeders vloeck oock gheschieden
soude. Als hi nu ghehanghen werde, maecte hy dye lamsoor aen die
galghe, ende stack sinen duyme tusschen dye twee vinghers.
|
|
[13]honende
|
|
[14]gebaar - waarbij de duim tussen de vingers wordt
doorgestoken - dat als grove belediging gold
|
|
[15]Fransen
|
Wie kent niet het handgebaar waarbij de duim tussen de wijs- en
middelvinger door gestoken wordt? In de Zaanstreek waar ik opgroeide,
had het gebaar bij mijn weten geen naam en was het obsceen: het stond
voor geslachtsverkeer. De moeder reageert furieus op het gebaar en
vraagt God in de hemel om haar zoon datzelfde gebaar aan de galg te
laten maken; waarmee zij impliciet een doodvonnis over haar zoon
afsmeekt! God verhoort haar gebed, want kort daarop wordt de zoon op een
heterdaadje betrapt en tot de galg veroordeeld, de gebruikelijke straf
voor diefstal. En ja hoor, ze krijgt haar zin: haar zoon maakt als hij
opgehangen wordt een lamsoor.
Een raar verhaal. Het is niet des moeders om haar zoon dood te wensen.
En waar is ze nu exact zo boos om? De hoogste tijd om het Straatsburger
origineel erbij te pakken:
Von Schimpff das 439.
Am Galgen macht er die Feig.
|
|
Es war zu MEILAND ein Muoter, ist kurzlich geschehen, die het ein Sun,
der was ir gantz ungehorsam, und sie strafet in uff einmal mit Worten.
De Sun gab seiner Muoter freveliche Wort und fluocht ir
und zögt ir die
Feigen, nach Gewonheit der WAHLEN, da sie den Daumen durch zwen
Finger stosen, das heisst ein Feig. Die Muoter sprach:
'Nun wöl Got
von Himel. das du die Feig auch müsest an dem Galgen machen!' Nit
lang darnach ward der Sun umb ein Diebstal gefangen und ward
ussgefürt an den Galgen. Und lieff jederman hinuss und wolten sehen,
wie er an dem Galgen die Feig wolt machen, ob auch der Fluoch
Muoter
für sich wolt gon. Da er nun gehenckt ward, da macht er die Feigen an
dem Galgen und stiess den Daumen durch die zwen Finger. Das hat
Brüder BERNHARDINUS DE BUSTIS gesehen, ee er ein Barfüser ward.
Folg Vatter und Muoter, nit uneer sie!
|
De laatste twee zinnen heeft Jan Wijnrijcx onvertaald gelaten, blijkbaar
vond hij de naam van de ooggetuige onbelangrijk, en de verwijzing naar
het vierde van de tien geboden was kennelijk overbodig, omdat dit waar
gebeurde verhaal gerangschikt was onder het kopje Van vader ende moeder.
Zoveel is duidelijk dat uit het origineel begrepen kan worden dat de
zoon zijn vader en moeder onteerd heeft. Maar waarmee, met zijn grote
mond, zijn vervloeking, of met zijn handgebaar? En als het inderdaad het
handgebaar is - alles wijst daarop - wat is dan de betekenis ervan?
Hier aangeland deed ik een vreemde ontdekking. Het woord lamsoor in deze
betekenis is onvindbaar. Het Middelnederlandsch Woordenboek bevat een
artikel LAMSORE, maar vermeldt enkel en alleen de betekenis limoenkruid.
Het Woordenboek der Nederlandsche Taal gunt het geen eigen ingang, maar
behandelt een aantal vindplaatsen onder LAM:
|
lamsoor, als scheldnaam (,Gy lams-oor, gy cael bescheet, gy praetjen
sonder slot', OGIER, Seven Hoofts. 118); lamsoor, lammetjesoor en
derg., in sommige streken een naam voor de plantensoort Braven
Hendrik, Chenopodium bonus Henricus; zie HEUKELS, Ned. Volksn.
63 (,De Al goede, van sommige Goeden Heyndrick oft Lammekens
oore geheeten', DODON. 1102 a; ,De Lamsoor in het wilt Van de
schapen seer ghewilt, Eer de cleyne blouwe blomen Op een roock zijn
voorghecomen', HONDIUS, Moufe-schans 306; ,Dit Kruid ... (wordt)
ook ... in 't Neerduitsch Algoede, en wegens de figuur der Bladen,
Lammerkens-Oor geheten', HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 7, 772);
lamsooren, 1e. benaming voor Statice Limonium (Ned. Plantenn. 56;
verg. HEUKELS, Ned. Volksn. 246); 2e. evenals 't enkelv. lamsoor
een naam voor de jonge bladen van de Zulte, Aster Tripolium (zie a. w.
32); 3e. een naam voor de Smalle weegbree, Plantago lanceolata,
terwijl lamsoor ook wordt opgegeven voor de Groote weegbree,
Plantago major (zie a. w. 186 volg.)
|
Wederom de plantaardige betekenis. Aan het scheldwoord lams-oor til ik
niet zwaar, dat lijkt me eerder een onschuldige variant van ezelsoor dan
een serieuze belediging.
Ondertussen zouden we bijna vergeten dat het woord vijg wél in de
gezochte betekenis voorkomt:
|
VIJG (II) - VIJGE - , znw. vr. Uit it. fica, eig. een aanduiding in de
volkst. voor het vrouwelijk schaamdeel (verg. reeds gr. sükon in die
bet.), maar vooral gebruikt voor het oorspr. apotropeïsch gebaar (far la
fica) dat dit symboliseert: het toonen van de gebalde hand met den
duim tusschen wijsvinger en middelsten vinger, als teeken van
verachting. Meest in de verb. de vijg geven, toonen of wijzen. Verg.
evenzoo sp. hazer la higa, fr. faire la figue. Zie ook N.E.D. op Fig, 2de
art., en vooral Handwtb. d. deutschen Aberglaubens op Feige. Niet
meer in gebruik. || De vijghe setten oft gheuen. Ostendere medium
digitum, ostendere vel porrigere verpum, ostendere medium vnguem,
summo contemptu ac ludibrio afficere aliquem, KIL. [1588]. Ecco la
fico (sic), 't geen de Hoogduitschen uitdrukken, de vygen toonen, (is)
met den duim tusschen de twee voorste vingeren te steken, een bittere
hoon by de Italiaanen, TUINMAN 1, 53 [1726]. - Die zyn kint in noot
laet is wel een boos vader Wech wech Paus vaer, oorsaeck van alle
mijn dwalen De vijghe voor v ende uwe Cardinalen, FRUYTIERS,
Leg. v. Jan de W. 14 [1575]. Op sijnen bokelaer daer stont
verwytelijck, Van dry vingheren een vyghe ghefigureert,
HOUWAERT, Gen. Loop H viij ro [± 1590]. En wijst het al de vijgh
Dat van het nestien wist en niet de vogels crijgh, MEULEWELS,
Timon Misanthr. D 3 vo [1636]. Datse de afbeelding des Paus de vyg
getoont, of met de uitgesteeken tong aangeguigcht hadden,
GALLITALO, Rabelais 172 [1682]. Deze hand (op zeker kanon
afgebeeld) maakt ... het teeken 'de vijg', een teeken of symbool
afkomstig uit Griekenland en Rome en dat in de landen aan de
Middellandsche Zee ook thans nog algemeen bekend is. Door dit
teeken worden het manlijke en vrouwelijke geslachtsorgaan beide weer
gegeven, KOHLBRUGGE in E. Volk 2, 7 [1930].
|
|
Opm. De door KILIAAN en zijn navolgers (MELLEMA [1618]))
vermelde bet. 'digitus medius' van vijg is blijkbaar door hem uit deze
uitdr. geabstraheerd; er is geen blijk dat het woord ooit op zichzelf in
dien zin gebruikt is.
|
Wat bezielde de Antwerpenaar Jan Wijnrijcx om van die vijg een lamsoor
te maken? Zou hij het woord niet gekend hebben? Kende hij het bewuste
gebaar onder de benaming lamsoor? Of vond hij het te grof en bedacht hij
een eufemisme? Maar hoe grof is c.q. was het gebaar? Is het wel een
obsceniteit, en welke relatie is er met de digitus medius, de 'fuck
you!' middelvinger? Een dagenlange zoektocht leverde het volgende op:
Het gebaar heeft drie betekenissen: 1) het is gevaar bezwerend
(apotropeïsch), maar die betekenis komt hier niet van pas; 2) het is
obsceen, maar het is zeer de vraag of die betekenis hier van toepassing
is; 3) het is een gebaar waarmee men ultieme onverschilligheid
demonstreert. Als ik Internet mag geloven, is deze laatste betekenis
dominant. Het gebaar dat onze 'motherfucker' maakt, is qua intentie
identiek met de uit de Verenigde Staten overgewaaide middelvinger.
Wat zijn moeder hem te vertellen heeft, interesseert hem geen ruk. En
als hij opgehangen wordt, hoont hij zijn beul(en) en toeschouwers door
hen - waar anderen zich net als de Goede Moordenaar bekommeren om hun
zieleheil - ondubbelzinnig te laten merken dat het hem helemaal niets
doet.
Een zoon als deze, die absoluut niet wil deugen, kom je niet tegen in de
Middelnederlandse literatuur. Die is daar veel te pedagogisch voor. Een
hele tijd slecht, zoals de uit het Frans vertaalde Robrecht de Duyvel en
de mittelniederdeutsche De vorlorne Sone, maar uiteindelijk goed, is
regel. Wél kwam ik hem tegen in Helmbrecht (ca. 1275), een bizarre
mittelhochdeutschen roman van Wernher der Gärtner, met als hoofdpersoon
een boerenzoon die gaat voor het kwaad. Willens en wetens gaat ook deze
middeleeuwse Hell's Angel zijn verdoemenis tegemoet.
Literatuuropgave:
-
Een nyeuwe clucht boeck. Een zestiende-eeuwse anekdotenverzameling
uitgegeven door Herman Pleij, Jan van Grinsven, Dick Schouten en Freddy van
Thijn. Muiderberg 1983.
-
Johannes Pauli, Schimpf und Ernst. Herausgegeben von Johannes Bolte. Die
älteste Ausgabe von 1522. 2 delen. Berlin 1924.
|