0206.24 Terug
Vooruit 0206.b
Vorig Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgend Miniatuurtje

Col: 0206.25

Date: Fri, 21 Jun 2002 02:36:00 +0200
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 0206.25: Linguïstisch Miniatuurtje LXXXV: Ben wint

Ben wint

Dit wordt een ander miniatuurtje dan u gewend bent. Deze keer geen spitsvondige grammaticale redeneringen of vergezochte voorbeelden, maar een nadere reflectie op inhoud en toekomst van deze rubriek. Als we dan toch het hele jubileumnummer met bezinning vullen, dan kan dit er ook nog wel bij.

Wat de invloed van Ben Salemans is geweest op de hele neerlandistiek van rond de laatste millenniumwisseling moeten toekomstige geschiedschrijvers nog maar eens uitmaken (als het vak Geschiedenis van de Neerlandistiek dan nog bestaat). Ik zou graag na mijn pensioen dat proefschrift nog te lezen krijgen. Wat ik nu in elk geval al weet is dat zijn invloed op mijn eigen bezigheden bij nadere reflectie aanmerkelijk is geweest.

In juni 1993 was Ben zo vriendelijk om het idee van een maandelijkse column aan mij toe te schrijven. Hij deed het voorkomen alsof ik dit geheel op eigen initiatief had aangeboden, waarschijnlijk onder de gedachte dat dit scenario meer potentiële andere columnisten over de streep zou trekken. Immers, je ergens voor laten strikken is een minder aanlokkelijk perspectief dan claimen dat je iets kunt, ook al betekenen beide dat je elke maand een stukje zult leveren.

Ik kan me nog redelijk goed herinneren wat mij destijds voor ogen stond bij het schrijven van deze rubriek. En ik weet ook nog dat dat verschilde van wat Ben Salemans in gedachten had. Ik schreef in die tijd al een column in een nieuwsbrief voor de opleiding Taal, Spraak & Informatica, die bedoeld was om studenten te werven. Die column, "Ludolinguistiek" getiteld, had middelbare scholieren als doelgroep. Een rubriek voor Neder-L zou neerlandici tot doelgroep hebben, dacht ik, en dus een niveau hoger kunnen zijn. Alle neerlandici waren namelijk op basisniveau ingeleid in de generatieve grammatica, en kwamen dus overeen met de collega's met wie ik in de lunch- en koffiepauzes over kleine linguïstische aardigheidjes kon discussiëren.

Dat leek mij wel leuk: een soort schriftelijke koffiepauze voor taalkundigen, waarin een kleine observatie van een paar verschillende kanten kon worden belicht, met een beetje discussie over en weer, gewoon voor de aardigheid. Popularisering van de taalkunde had ik hier nou niet direct mee op het oog.

Achteraf moet ik toegeven dat Ben indertijd het Neder-L-publiek wat beter kon inschatten dan ik. "Maak het nou niet te moeilijk", zei hij steeds, "Hou het luchtig." Maar ja, daar was ik dan weer net te eigenwijs voor. Hoezo zou geen neerlandicus een haakjesstructuur met sporen en lege plaatsen kunnen lezen?

Inmiddels heb ik mijn denkbeelden ten aanzien van de doelgroep wel wat bijgesteld, en wel in de richting van wat Ben destijds voor ogen stond. Niet alleen is het lezerspubliek van Neder-L aanmerkelijk gegroeid en daardoor verbreed, ik merk ook dat zelfs de doorgewinterde taalkundigen over het algemeen juist reageren op die stukjes die het meest gelezen worden. Zoals mijn beroemde seks-column, waarop ik veel reacties mocht ontvangen. Zelfs grammatici die op andere - linguïstisch veel interessantere - miniatuurtjes nooit reageerden, stuurden mij een mailtje waarin ze zeiden dat ze dit zo'n leuk stukje hadden gevonden. Waarmee het gelijk van Ben Salemans maar weer eens op overtuigende wijze was aangetoond.

Daar moet ik aan toevoegen dat popularisering van de taalkunde mij in de loop van de jaren ook wel wat is gaan lijken. Als ik in dat opzicht een ding geleerd heb, dan is het wel dat daar nog veel mooi werk te verrichten is. En dat dat werk door de meeste van mijn collega's schromelijk verwaarloosd wordt. Ik heb meer dan vijftien jaar geleden de Leidse hoogleraar Wagenaar wel eens in een televisie-interview horen beweren dat je van je hele onderzoekstijd zo ongeveer 50% zou moeten besteden aan het populariseren van je onderzoeksresultaten. Dat klinkt overdreven, maar de gedachte die daarachter zit is: je kunt nog zo iets leuks te vertellen hebben, als je geen moeite doet om het te verkopen dan is het gedoemd in de vergetelheid weg te zinken.

Frank Jansen heeft in een optimistisch Neder-L-artikel uit 1998 wel eens een lans gebroken voor meer popularisering van de taalkunde. Je moet het zo kunnen vertellen dat je toehoorders aan het ontbijt de marmelade van hun toost laten vallen (de marmeladetest). Ja, kunst! Maar hoe doe je dat? Dat zou ik wel eens willen weten. Goed, seks, dat snap ik, maar dat werkt ook maar eventjes. Bovendien leidt het de aandacht af van waar het om gaat.

In die tijd ontstond ook Studio Taalwetenschap, dat zich richtte op het dichten van de kloof tussen taalkundigen en populaire media. Dat heeft allemaal wel wat opgeleverd, maar het is niet dat grote succes geworden dat ervan verwacht werd. Waar ligt dat aan? Aan de mensen die de taalwetenschappers blijven zien als de grote fatsoensrakkers die de hele dag niets beters te doen hebben dan allerlei vervelende regeltjes maken waar ze de argeloze taalgebruikers mee op de vingers kunnen tikken? Het is toch om radeloos van te worden.

Het gevolg is ondertussen wel dat universitaire opleidingen Taalwetenschap een kwijnend bestaan lijden, met minder dan 10 nieuwe studenten per jaar. En bij de talenopleidingen kiest maar een enkeling voor de taalwetenschappelijke richting, zodat het gehalte aan taalkundigen onder de nieuwe docenten almaar daalt, met alle gevolgen voor de studiekeuze van de schoolverlaters van dien. Schooldecanen verzekeren mij dat de naam "taalwetenschap" inmiddels zo besmet is, dat we onszelf beter "language sciences" kunnen noemen. Daar laten dan misschien meer leerlingen zich door misleiden.

Zo ver is het dus gekomen. Liegen en bedriegen om het vak aan de man te brengen. Meer seks in de titels, de lezers verleiden met sappige onderwerpen, en vooral geen moeilijke termen of boomdiagrammen. Goed, in dat geval geef ik mij gewonnen. Dan maar geen leuke koffiepauzeminiatuurtjes. Dan maar zwoegen op de popularisering zelf. Ben heeft gelijk. Volgende maand: minimalistisch(e) paren onder de boomstructuur.

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]