0206.38 Terug
Vooruit 0206.c
Vorig Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgend Miniatuurtje

Col: 0206.39

Date: Wed, 12 Jun 2002 12:52:55 +0200
From: P.A. Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 0206.39: Linguïstisch Miniatuurtje LXXXVI: Dat schrijf je met 21 letters

Linguïstisch Miniatuurtje LXXXVI:
Dat schrijf je met 21 letters

Bent u als kind ook wel eens voor het lapje gehouden met taalgrapjes als "Hoe lang is een Chinees", en "Amsterdam die grote stad, met hoeveel letters schrijf je dat"? En moest u toen hartelijk lachen, of bleef u het ongemakkelijke gevoel houden dat er iets niet klopte? Of plaagt u zelf regelmatig argeloze slachtoffertjes met dit soort raadseltjes? Dan moet u toch zelf wel eens ervaren hebben dat het niet helemaal lekker zit.

Wat is er aan de hand met deze taalgrapjes? Beide grapjes hebben te maken met de zelfnoemfunctie van woorden en woordgroepen. De zin "Hoe lang is een Chinees" ziet eruit als een vraagzin, omdat je geneigd bent de woordgroep "hoe lang" als een vragende vorm van "zo lang" op te vatten. "Lang" is het bijvoeglijk naamwoord, en "hoe" is een vragende vorm van een graadbepaling. Maar "Hoe Lang" kan ook opgevat worden als een eigennaam, waardoor de zin het karakter van een bewerende zin krijgt. En in het tweede raadseltje kan het woordje "dat" worden opgevat als een aanwijzend voornaamwoord dat verwijst naar het woord "Amsterdam", of als een woord in zelfnoemfunctie zonder anaforische verwijzing.

Het moeilijke punt van beide grapjes zit 'm echter in de intonatie. Als "Hoe lang is een Chinees" als een vraagzin opgevat wordt, dan hoort daar ook de bijbehorende vraagzinintonatie bij. De toonhoogte van de zin moet aan het einde stijgen, met een hoogste punt op de laatste lettergreep van "Chinees". In een mededelende zin daarentegen dient de intonatie dalend te zijn: de toonhoogte wordt in het verloop van de zin geleidelijk lager, met juist als dieptepunt die laatste lettergreep van "Chinees".

Voor een maximaal effect van de grap moet de verteller dus een intonatie zien te realiseren die het midden houdt tussen een stijgende en dalende intonatie. Dat kan alleen door als het ware de hele vraag in een soort zelfnoemfunctie in de juiste context te poneren. Je suggereert buiten de intonatie om dat je een reactie verwacht, spreekt de zin met mededelende intonatie uit, en frustreert vervolgens het antwoord door aan te geven dat het helemaal niet nodig was (eventueel door de bewering te herhalen, maar dat wordt snel irritant).

Het slachtoffer laat zich aldus op het verkeerde been zetten door de suggestie dat de bewering een raadsel betreft én door de syntactische figuur van de zin, die de zelfnoemfunctie onwaarschijnlijk maakt. Het ontbreken van de vraagzinintonatie moet dan wel effectief worden verdoezeld.

Een handige manier om die verdoezeling te perfectioneren is om het raadseltje te verpakken in een metrische context. Zo luidt een variant van het hoelang-voorbeeld, opgetekend in de Baker- en kinderrijmen uit 1873: "Keizer Karel had een hond. Ik leg het antwoord in je mond. Hoe heet Keizer Karels hond." Door de metrische structuur wordt de normale intonatie op het tweede plan gezet, waardoor het gemakkelijker wordt om de stijging aan het einde weg te laten.

Deze metrische verdoezeling is harder nodig in het tweede voorbeeld "Amsterdam die grote stad, met hoeveel letters schrijf je dat". Hier is niet zozeer het wegwerken van de vraagintonatie het probleem. Immers, de zin moet juist in beide betekenissen als vraag worden opgevat. Toch is ook hier intonatie een cruciale factor.

Als "dat" als voornaamwoord moet worden opgevat, staat het in de intonatiestructuur in één clitische groep samen met "je". Het draagt geen accent. Het laatste (stijgende) accent ligt op "schrijf". "je" en "dat" zijn weliswaar stijgend, maar ongeaccentueerd. Moet "dat" daarentegen in zelfnoemfunctie worden opgevat, dan krijgt het een accent als een zelfstandig naamwoord. Dit heeft tot gevolg dat er juist geen accent op "schrijf" moet komen te liggen, maar wél op "dat". Spreekt u in isolatie beide zinnen maar eens uit: "Met HOEVEEL letters SCHRIJF je dat?" en "Met HOEVEEL letters schrijf je DAT?" Het is vrijwel onmogelijk dat er over de betekenis van een correct uitgesproken zin een misverstand ontstaat.

Het metrum speelt in dit raadsel dus wel een heel verraderlijke rol. De jambische structuur dwingt in beide uitspraken een metrisch accent af op "schrijf" én op "dat". Doordat het metrisch accent door de luisteraar wordt verward met het zinsaccent, zijn beide zinsbetekenissen mogelijk. Maar waarom kiest de luisteraar dan steeds voor de verkeerde? Dat ligt aan het volgende.

Om te suggereren dat "dat" een aanwijzend voornaamwoord is, moet het antecedent van dat voornaamwoord ergens in een prominente positie worden geplaatst. Dat gebeurt in de eerste versregel in de woordgroep "Amsterdam die grote stad". Die heeft als kern het woord "Amsterdam", waardoor dat het meest waarschijnlijke antecedent moet worden. Toch klopt er iets niet.

Een antecedent van een voornaamwoord heeft zelf altijd een eigen functie in de zin. Het is onderwerp, lijdend voorwerp, of het maakt deel uit van een of andere bepaling. Maar wat is de functie van de woordgroep "Amsterdam die grote stad"? Niets! Het fungeert alleen als antecedent voor "dat".

Als we de hele zin nader gaan ontleden, zien we wat er mis is. De enige mogelijkheid tot analyse is een zogeheten links-dislocatie, waarbij een zinsdeel vooraan in de zin wordt gezet en een steunwoord "dat" de eigenlijke plaats van dat vooropgeplaatste zinsdeel markeert. Iets als "dat boek, wat is dat toch een vervelend werk". In deze analyse zou het vooropgeplaatste zinsdeel dus benoemd moeten worden naar de functie die het in de zin zou vervullen (in het oorspronkelijke voorbeeld lijdend voorwerp, in het boek-voorbeeld onderwerp), en het woordje "dat" is een herhalend zinsdeel: herhalend lijdend voorwerp of herhalend onderwerp.

De betekenis van een zin met links-dislocatie is identiek aan de zin zonder links-dislocatie. In ons geval zou dat moeten worden "Met hoeveel letters schrijf je Amsterdam, die grote stad" (wat met 9 of 21 beantwoord kan worden).

Het klopt dus echt niet, dat tweede raadseltje. Er is geen enkele manier waarop het zinsdeel "Amsterdam, die grote stad" opgevat kan worden als een losse toevoeging zonder invloed op de rest van de zin. Probeer het maar eens uit met een willekeurig ander woord in zelfnoemfunctie in plaats van "dat": "Amsterdam die grote stad, met hoeveel letters schrijf je 'Oss'?". Dat is gewoon onzin. Dat kan helemaal niet.

Waar ik het hoe-grapje dan ook nog enigszins kan accepteren, valt het dat-raadsel bij taalkundige analyse roemloos door de mand. Daar moet iemand nog maar eens flink aan sleutelen.

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]