|
Col: 0207.20
Date: Thu, 11 Jul 2002 20:15:08 +0200
From: Willem Kuiper <willem.kuiper@hum.uva.nl>
Subject: Col: 0107.20: Column Willem Kuiper, no. 58:
Woensdag 11 juli 1302
Column Willem Kuiper, no. 58: Woensdag 11 juli 1302
Vandaag is het zevenhonderd jaar geleden dat de westerse wereld op zijn
kop stond. Op die dag ging onder de muren van het Vlaamse stadje
Kortrijk een coalitie van West- en Oostvlaamse stadsmilities een strijd
op leven en dood aan met een Frans elite ridderleger, dat door de
Franse koning Philippe IV, toegenaamd Le Bel, naar het opstandige
graafschap gezonden was om daar het verzet met wortel en tak uit te
roeien. Dit leger was niet alleen gekomen om orde op zaken te stellen,
maar ook om wraak te nemen voor de grootschalige moordaanslag op hun
land- en standgenoten op Goede Vrijdag eerder dat jaar, die de
geschiedenis in zou gaan als de Brugse Metten.
Wij, mensen van nu, denken dat wij
het onderhandelen hebben uitgevonden, en noemen dat het Poldermodel.
Vergeet het maar. Als het onderhandelen al niet bestond, had men het
toen uitgevonden. In onze ogen zijn middeleeuwse mensen heetgebakerd,
wreed en gewelddadig, maar het is onthutsend om te zien wat er allemaal
met praten en betalen geregeld werd. Wat dat betreft lijkt deze
samenleving sterk op Afghanistan. Men moest met relatief weinig mensen
veel mensen onder de duim houden, en dat was ook nog eens een
geldverslindende bezigheid. Vandaar dat men zich maar wat graag liet
afkopen, en voor het succes op korte termijn koos.
In de maanden voorafgaand aan die
fatale elfde juli was er het nodige geweld gebruikt, en het nodige geld
geschokt. Er waren afspraken gemaakt en geschonden. Het conflict stond
op scherp. Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen, was gevangen
genomen door zijn petekind en leenheer, de koning van Frankrijk. De
Franse kroon voerde al een eeuw lang een ongefilterd imperialistisch
beleid, en een hoeksteen van dat beleid was het inlijven van het
graafschap Vlaanderen. Nu was Vlaanderen weliswaar politiek gelieerd
aan Frankrijk, maar door de wol- en lakenhandel economisch afhankelijk
van Engeland. En Engeland was sinds 1294 in oorlog met Frankrijk...
Toen Gwijde in 1297 besloot partij te
kiezen voor de Engelse koning Edward I had Philippe een aanleiding
Vlaanderen binnen te vallen en een greep naar de macht te doen. Die
slaagde met steun van het Fransgezinde patriciaat van de Vlaamse
steden. De dupe waren de ambachtslieden en het proletariaat. De kosten
van de opgelegde torenhoge boetes werden op hen afgewenteld in de vorm
van belastingen op de eerste levensbehoeften. Een opstand kon niet
uitblijven, want de ambachtsgilden waren goed georganiseerd en
beschikten over goed getrainde milities.
De patriciërs probeerden met
alle mogelijke middelen zowel de volksmilities te neutraliseren als het
Franse leger op afstand te houden. Dat laatste mislukte toen de Fransen
in de Goede Week tegen de afspraak in Brugge gewapend en in groten
getale binnentrokken om daar Pasen te vieren. Het patriciaat vreesde
een machtsovername en koos voor het dubieuze concept: de vijanden van
mijn vijanden zijn mijn vrienden. De verdreven volksmilities werden in
het geniep de stad binnengelaten en een grandioze moordpartij volgde:
honderden Fransen werden in bed gekeeld, een minderheid kon zich
vrijkopen, en de rapen waren gaar!
Vanaf dat moment was het wachten op
de grote afrekening. Onder leiding van Robert van Artois - pikant omdat
Artois ooit deel uitmaakte van Vlaanderen, maar door de Franse kroon
was ingepikt na het overlijden van Filips van de Elzas in 1191 - viel
een goed uitgerust leger Vlaanderen binnen, opgebouwd rond een kern van
circa 2500 ervaren ridders, in totaal circa 6500 man groot. De
gevechtskracht van een ridder was enorm: volgens de tabellen telde
één ridder voor tien voetknechten.
Dat de Fransen de confrontatie
aandurfden is niet verbazingwekkend. Goliath was ook niet bang voor de
kleine David met zijn slinger... Maar dat de volksmilities de strijd
aandurfden, getuigt van moed en wanhoop. Enerzijds moeten zij zich
sterk genoeg gevoeld hebben om op zijn minst hun huid duur te verkopen,
anderzijds wisten zij zeker dat de Franse ridders geen gevangenen
zouden nemen. Wie zich overgaf, zou een gruwelijke dood sterven. Maar
als zij zich niet zouden verweren, zouden zij verbannen worden en een
langzame dood sterven.
Beide partijen kregen hulp van
medestanders, avonturiers en van een enkeling die nog een persoonlijke
rekening te vereffenen had. Jan Borluut uit Gent schoot de Bruggenaars
- doorgaans was de relatie tussen beide steden als die tussen Ajax en
Feyenoord - te hulp met zo'n zevenhonderd rauwdouwers, en ook werden de
volksmilities gehiddinkt door Gwijde's kleinzoon Willem van Gulik en de
Zeeuw Jan van Renesse.
Het slagveld was een weiland,
doorsneden door twee beken die een T vormden. De 'Vlamingen' stonden
letterlijk met hun rug tegen de muur achter de beek, de Fransen ervoor.
De inleidende beschietingen verliepen dermate gunstig voor de Fransen
dat de ridders vreesden dat niet zij, maar het door hen geminachte
voetvolk met de eer zou strijken - althans dat wil het gerucht. Dat was
natuurlijk volstrekt onacceptabel, en daarom moesten de boogschutters
zich terugtrekken en ruim baan maken voor de adel te paard...
Al weer een hele tijd geleden
eindigde de Schotse cupfinale tussen Celtic en Glasgow Rangers
in een massale matpartij. Eerst kwamen de supporters het veld
op en kort daarop de bereden politie, waaronder een groot aantal
vrouwelijke agenten te paard. Het schouwspel was
adembenemend, en ik begreep in een keer hoe dat er gedurende
de Middeleeuwen aan toegegaan moet zijn: Gang is alles!
Dit Westfries gezegde slaat
op een beproefde techniek om ijs van één nacht
over te steken. Wie erin slaagt voldoende snelheid te
ontwikkelen kan het ijs overglijden voordat het breekt.
Evenzo zorgden de Schotse
amazones ervoor de gang erin te houden door rondjes in galop
te rijden, onderwijl met de lange lat de ene kleun na de
andere uitdelend, en na een minuut of tien hadden ze het hele
zooitje beurs van het veld geslagen.
Toen ik twee jaar later na
een woensdagavondse Spektator-vergadering de
Amsterdamse tram instapte, bleek die afgestampt met Celtic-
supporters die net in het Olympisch Stadion van Ajax gewonnen
hadden. De finale in Milaan tussen Celtic en Feyenoord kon
niemand zich herinneren, maar wat zouden zij graag zo'n paard
geweest zijn! |
Gang is alles. Zodra een ridder stilstaat, wordt hij een doelwit, wordt
hij kwetsbaar.
Op dat weiland voor de muren van
Kortrijk konden de Franse ridders onvoldoende snelheid maken om de
linies van de volksmilities te doorbreken. Die wachtten hen op met in
de grond verankerde lansen en bijlen aan een lange steel. Niet erg
ridderlijk, maar akelig dodelijk...
In de Ferguut wordt de heldin van het verhaal, de jonkvrouw
Galiëne, belegerd in haar burchtstad Rikenstene door een
vermoedelijk Saraceense koning Galarant van Almeria. Die heeft het
zowel op haarzelf als op haar bezit gemunt, en is bereid geweld te
gebruiken om haar in te lijven. Gelukkig hoort Ferguut, die zich
inmiddels 'De Ridder met het Witte Schild' noemt, hiervan en hij
besluit haar te ontzetten. In zijn eentje, maar gezeten op het
formidabele paard Pennevare, mengt hij zich in de strijd:
| |
| |
|
|
Alse dat sach
Ferguut die jonchere, |
|
| |
3925 |
|
dwanc hi ane hem den
Witten Scilt. |
|
| |
|
|
Den scacht hi vaste
in sijn hant hilt |
|
| |
|
|
ende sloech in den
tas met sporen. |
|
| |
|
|
So wat so hem
quam tevoren |
|
| |
|
|
het moeste rumen die
artsoene, |
|
| |
3930 |
|
al en waest hem niet lief te
doene. |
|
| |
|
|
So waer hi wilde, moeste hi
varen, |
|
| |
|
|
want hi sat op
Pennevaren, |
|
| |
|
|
die de porsse dede
rumen. |
|
| |
|
|
Alle die orsse moesten
tumen, |
|
| |
3935 |
|
die hem quamen int
gemoet. |
|
| |
|
|
Pennevare was al te
goet. |
|
| |
|
|
Alsoe was Ferguut
diere op sat. |
|
| |
|
|
Hi voer al dore tote an die
stat |
|
| |
|
|
ende dede die van
binnen wederkeren. |
|
| |
3940 |
|
Die ridder sprac: "Wel lieve
heren, |
|
| |
|
|
volget mi ende wrect
u scade." |
|
| |
|
|
Si spraken alle:
"Here, uwen rade |
|
| |
|
|
willen wi volgen met
alre machte." |
|
| |
|
|
Die daer hadde
gesien die scachte |
|
| |
3945 |
|
dore die bodelinge waden, |
|
| |
|
|
in wane niet hi ne
hadde ontraden. |
|
| |
|
|
Die Ridder
metten Witten Scilde |
|
| |
|
|
hi was sire slage harde
milde. |
|
| |
|
|
Hi sloech menegen
swaren slach |
|
| |
3950 |
|
up die van buten op dien
dach. |
|
| |
|
|
Menigen man nam hi sijn
leven. |
|
| |
|
|
Die coninc ware
beter achterbleven |
|
| |
|
|
dan dat hi die stat
versochte. |
|
| |
|
|
Die Witte Ridder
hine rochte |
|
| |
3955 |
|
van niemene gheen rentsoen. |
|
| |
|
|
Het moeste al sinen
ende doen, |
|
| |
|
|
wie dat heme quam te
voren. |
|
| |
Ferguut gedraagt zich niet als een normale combattant, maar als iemand
die een heilige oorlog vecht. Hine rochte van niemene gheen
rentsoen: hij was niet uit op een losprijs. Normaal gesproken was
een ridder er niet op uit een andere ridder te doden, maar hem tot
overgave te dwingen en gevangen te nemen. Dat leverde zowel een paard
als een losprijs op. Op die manier kon je als ridder in je onderhoud
voorzien, en als je goed genoeg was er nog wat aan overhouden ook.
De Vlaamse volksmilities waren er
evenmin op uit gevangenen te nemen om die tegen een losprijs vrij te
laten. Ook was er afgesproken dat er geen buit gemaakt zou worden:
eerst moest alles dood en morgen zag men wel verder.
Zo kon het geschieden dat in een paar
uur de fine fleur van de Franse ridderschap eerst van zijn paard
geslagen en vervolgens afgemaakt werd. Ook Brabantse ridders die onder
aanvoering van Godevaert, broer van de beroemde hertog Jan I, de held
van Woeringen (1288), en oom van de vigerende hertog Jan II, aan de
Franse kant meevochten - maar toen ze zagen dat het allemaal heel anders
verliep dan zij zich hadden voorgesteld, over wilden lopen of door de
Vlaamse strijdkreet aan te heffen deden alsof - werden niet gespaard.
De nacht werd op het slagveld
doorgebracht. Pas de volgende ochtend ging men de buit inzamelen,
waaronder de fameuze gouden sporen van de gedode Franse ridders,
waaraan de slag zijn naam dankt.
De nederlaag kwam hard aan. Dat
volksmilities konden vechten was bekend, maar niet dat zij een
ridderleger de baas konden. De Slag te Bouvines, waar de Franse koning
Philippe II Auguste op 27 juli 1214 met zijn ridders gehakt maakte van
de infanteristen van de Duitse keizer Otto IV, had dat overduidelijk
bewezen. Maar nu was het onmogelijke gebeurd: de ridders van de koning
van Frankrijk waren verslagen door een volksmilitie onder leiding van
Pieter de Coninck, vakbondsleider van de Brugse wevers, een man van
klein postuur maar een groot redenaar.
Een uitvoerig verslag van de Guldensporenslag is opgenomen in Lodewijc
van Velthems Vijfde Partie van de Spiegel Historiael,
voltooid in 1316. Natuurlijk is dat relaas partijdig en gekleurd, maar
voor wie gewend is om te gaan met middeleeuwse bronnen is het zowel
zeer goed gedocumenteerd alsook betrouwbaar. Lodewijcs
vooringenomenheid betreft namelijk niet de strijd tussen Fransen en
Vlamingen - hij was zelf een Brabander en wereldlijk geestelijke met
adellijke connecties - maar die tussen de standen, en vooral die tussen
de paus van Rome en koning van Frankrijk.
Vandaar Lodewijcs verklaring van de
overwinning van de Brugse David op de Goliath uit Artois: gebrek aan
respect voor de stadhouder van God op aarde. En zoals Lodewijc de slag
en wat daaraan voorafging beschrijft, kunnen de Fransen niet zeggen dat
zij niet gewaarschuwd zijn! De Almachtige Vader was bepaald niet zuinig
met het geven van slechte voortekenen, maar de Fransen waren ziende
blind en horende doof... Zie hier het kapittel waarin hij beschrijft
hoe de aanvoerder van het Franse ridderleger, Robert van Artoys, aan
zijn einde komt 'dankzij' twee vechtende monniken:
| |
|
|
Hoe die Grave van Artoes
doet bleef, ende van den monc [.xxxiii.] |
|
| |
|
|
|
|
| |
2285 |
|
Een [F]errijn van
Campenoys |
|
| |
|
|
Hilt hem achter met
Artoys. |
|
| |
|
|
Met .i. sterker stemme hi
riep: |
|
| |
|
|
"Edel prinse! Die gracht es
diep. |
|
| |
|
|
Hout op, Heer! Hoet er u
jegen. |
|
| |
2290 |
|
Onse v[ri]nde liegen daer
in verslegen." |
|
| |
|
|
Eer Peter Flote oec
verstarf |
|
| |
|
|
Bat hi genade
menichwarf, |
|
| |
|
|
Maer en mochten niet
besluten. |
|
| |
|
|
Gene trompen gincmen
tuten |
|
| |
2295 |
|
Omtrent Artoyse
menichfout. |
|
| |
|
|
Hi sach al om: wat hi
scout |
|
| |
|
|
Waren alle gepynde
martsen. |
|
| |
|
|
Hi riep: "Ariète, om
tebbene p[lats]e!" |
|
| |
|
|
Morèl, sijn ors,
dedi lanchieren. |
|
| |
2300 |
|
Hem volgenden na sine
helmewieren, |
|
| |
|
|
Met sterken orssen, sonder
telt, |
|
| |
|
|
Over die dode, die lagen
opt velt. |
|
| |
|
|
Artoys riep al dat hi
mochte, |
|
| |
|
|
Dat hem die hersenen scoren
dochte: |
|
| |
2305 |
|
"Paterne die[u]! Wats ons
gesciet? |
|
| |
|
|
En weet nu God van ons
niet?" |
|
| |
|
|
Artoys sach tspel
verloren. |
|
| |
|
|
Nochtan sloech hi dore met
sporen, |
|
| |
|
|
Neven der gracht, op enen
cant, |
|
| |
2310 |
|
Daer hi sijn volc verdowen
vant. |
|
| |
|
|
Sijn ors hadde so grote
cracht |
|
| |
|
|
Dattet vloech over die
gracht. |
|
| |
|
|
Her Ghi. die sine wapen
kent, |
|
| |
|
|
Trac jegen hem, ende die
som van Gent |
|
| |
2315 |
|
Genendelike ende
onvervard. |
|
| |
|
|
Hi sloechen af, den meesten
scart |
|
| |
|
|
In dat volc dat met hem
quam, |
|
| |
|
|
Dat nie wijf no man
vernam. |
|
| |
|
|
Artoys was so diep
gereden |
|
| |
2320 |
|
Opt dors, dat hi hadde
bestreden, |
|
| |
|
|
Overmids die grote
cracht |
|
| |
|
|
Van den orsse, dat hi den
scacht |
|
| |
|
|
Van den standarde
gegreep |
|
| |
|
|
Mijn her Gijs. Sijn
stegereep, |
|
| |
2325 |
|
Daer hi hem sere op
verliet, |
|
| |
|
|
Vergat hi. Daerom liet hijs
niet, |
|
| |
|
|
Wat datmen op hem sloech
ende stac, |
|
| |
|
|
.i. stic hi uter banieren
trac |
|
| |
|
|
Met beiden handen, ende
scorde. |
|
| |
2330 |
|
In liege u niet van enen
worde. |
|
| |
|
|
Eer menne velde het was
lanc. |
|
| |
|
|
Hi gaf ende nam, ende oec
dranc |
|
| |
|
|
Dor die viande
stormelike. |
|
| |
|
|
Op hem brac menich
pike. |
|
| |
2335 |
|
Daer waren mede die van der
Goes, |
|
| |
|
|
Ende .i. monech oec van der
Does |
|
| |
|
|
Quam op .i. merie
gereden. |
|
| |
|
|
Hort hoe hise nu sal
besteden! |
|
| |
|
|
Enen cnape daer hise
gaf, |
|
| |
2340 |
|
Ende barenteerde om .i.
staf |
|
| |
|
|
Daer quam .i. carmer oec
inden hoep, |
|
| |
|
|
Die ute siere ordine
sloep. |
|
| |
|
|
Men conste haers gelike
niet vinden, |
|
| |
|
|
Elc soude enen bere
binden. |
|
| |
2345 |
|
Dese .ii. waren daer te
wige, |
|
| |
|
|
Ende gingen houwen te
prige |
|
| |
|
|
Al met enen starken
stave, |
|
| |
|
|
Dor die minne vanden
Grave. |
|
| |
|
|
Het waren .ii. sterke
gesellen. |
|
| |
2350 |
|
Ic hebbe dicke horen
tellen, |
|
| |
|
|
Dattie monec Artoyse
velde |
|
| |
|
|
Van den orsse, dat hi
helde |
|
| |
|
|
Met enen slage die hi
sloech, |
|
| |
|
|
Morel viel oec over sijn
boech. |
|
| |
2355 |
|
Doe sijn ors dus was
gestort |
|
| |
|
|
Ende selve had gehadt
menich hort, |
|
| |
|
|
Ende onder hem stont te
voet, |
|
| |
|
|
Ende menich ombehindech
cloet |
|
| |
|
|
Tsinen hoefde sach
geheven. |
|
| |
2360 |
|
Doe wilde hi hem Guelke
opgeven, |
|
| |
|
|
Ende seide: Ic lever u mijn
swaerd! |
|
| |
|
|
Ic geve mi op! Wacht mijn
paerd, |
|
| |
|
|
Dat gijt niet ne quets no
slaet, |
|
| |
|
|
Maer dat gijt neemt ende
vaet!" |
|
| |
2365 |
|
Die Vlaminge riepen: "Wi ne
kinnen u niet!" |
|
| |
|
|
Die Grave riep al in
Fransoys: |
|
| |
|
|
Ic ben die grave van
Artoys! |
|
| |
|
|
Neemt mi op, ic swige
stille, |
|
| |
|
|
Ghi selt dan hebben al uwen
wille!" |
|
| |
2370 |
|
Die Vlaminc riepen: "Gi
moet sterven, |
|
| |
|
|
Al waerdi grave
anderwerven!" |
|
| |
|
|
"Laesse! riep hi, wat wildi
dan? |
|
| |
|
|
Waer hier enich
edelman |
|
| |
|
|
Die mi opnemen
wilde? |
|
| |
2375 |
|
Ic biede hem scerpe vanden
scilde. |
|
| |
|
|
Nemt mi nu op te deser
noet! |
|
| |
|
|
Ghi hebt die bloem van
Kerstenheit doet. |
|
| |
|
|
Uwen pays van al
bejagen |
|
| |
|
|
Gi selt, wildi mi
verdragen!" |
|
| |
2380 |
|
Si riepen: "Hiers geen
edelman, |
|
| |
|
|
Noch die u tale verstaen
can!" |
|
| |
|
|
Die Vlaminge stoeden vol
haers moet[s], |
|
| |
|
|
Ende getrouden hem lettel
goets |
|
| |
|
|
Dor al tbelof dat hi daer
dede, |
|
| |
2385 |
|
Ende sloegen doet opter
stede. |
|
| |
|
|
Aldus werd Artoys
gevelt. |
|
| |
|
|
Die tonge hem uten monde
swelt, |
|
| |
|
|
Ende .i. van Brugge was
gereet |
|
| |
|
|
Diesem uten monde
sneet. |
|
| |
2390 |
|
Ende na den stride had dese
man |
|
| |
|
|
Van der Marct mijn her
Jan, |
|
| |
|
|
Ward dat hem stonde te
doene, |
|
| |
|
|
Hi souden geven van enen
venisoene |
|
| |
|
|
Dat edelste daer nieman af
at. |
|
| |
2395 |
|
Dat venisoen daer hine toe
bat |
|
| |
|
|
De[d]e per rivele die
Bru[z]oeys, |
|
| |
|
|
Dats die tonge van
Artoys. |
|
| |
Nogal gruwelijk allemaal. De graaf van Artoys, die als hij beseft dat
hij moet sterven tevergeefs genade vraagt voor zijn paard Morel
(Zwartje), en wiens tong wordt uitgesneden en ter consumptie aangeboden
aan heer Jan van der Marct!
Lodewijcs verslag van de Guldensporenslag staat in deel II van de
monumentale editie van de Vijfde Partie door: Vander Linden, De
Vreese, De Keyser en Van Loey (1906-1938). In 1979 verscheen een
voorbeeldige editie van Waterschoot (1979) van de hoofdstukken XXII-XL
van het vierde boek van de Vijfde Partie, waarin de slag
beschreven wordt.
Maar nu is er, speciaal voor de
herdenking, een vertaling in hedendaags Nederlands verschenen van de
medioneerlandici Ludo Jongen (Leiden) en Miriam Piters (Antwerpen). Om u
een indruk te geven van de hoge kwaliteit van hun vertaling geef ik u
hier hun weergave van het hierbovenstaande kapittel XXXIII:
33. Hoe de graaf van Artois sneuvelde en over de monnik
Renaud de Trie hield zich samen met [de graaf van] Artois achteraf.
Met luide stem riep hij:
'Edele prins, de gracht is
diep. Ga niet verder, heer! Pas ervoor op. Onze vrienden
liggen daar dood in.'
Vóór Pierre
Flote stierf, bad hij menigmaal om genade, maar het mocht hem
niet baten. Rond [de graaf van] Artois blies men keer op keer
met trompetten de aanval. Hij keek in alle richtingen om zich
heen: hij zag alleen maar goedendags. Hij riep
'Arrière [Achteruit]!' om ruimte te maken.
Morel, zijn paard, liet hij vooruitrennen; zijn lijfwachten
volgden hem in draf op sterke paarden, over de doden heen die
op het veld lagen. [De graaf van] Artois riep zo hard hij kon,
zodat hij dacht dat zijn hersenpan zou scheuren:
'Paterne Dieu [Bij
God de Vader]! Wat is ons overkomen? Bekommert God zich nu
niet om ons?'
[De graaf van] Artois zag
dat hij de slag verloren had. Toch gaf hij zijn paard de
sporen om over de gracht te raken, naar de andere oever, waar
hij zijn leger vernietigd aantrof. Zijn paard was zo sterk,
dat het over de gracht vloog. Heer Gwijde, die zijn
wapenschild herkende, trok tegen hem op samen met een aantal
stoutmoedige en onbevreesde Gentenaren. [De graaf van] Artois
sloeg een bres in de linies van Gwijde; niemand had ooit
eerder zoiets gehoord. [De graaf van] Artois was met zijn
paard zo diep de Vlaamse gelederen binnengedrongen, dat hij de
vaandelstok van heer Gwijde kon pakken dankzij de kracht van
zijn paard. Hij maakte echter geen gebruik van de stijgbeugel
waarmee hij zijn evenwicht moest bewaren: hij liet de
vaandelstok niet los. Hoe men ook op hem insloeg en naar hem
stak, hij wist een stuk uit het vaandel te scheuren door er
met beide handen aan te trekken. Daar lieg ik geen woord over.
Het duurde lang voor men [de graaf van] Artois velde. Hij gaf
en incasseerde slagen. En drong onstuimig door de vijanden
heen. Menige lans brak op hem. Bij de Vlamingen waren ook
mensen uit Goes én een monnik van Ter Doest, die op een
merrie reed. Moet u horen hoe die monnik die wegschonk! Hij
gaf haar aan een knaap in ruil voor een goedendag. Er was ook
een karmeliet in het Vlaamse leger die stiekem het klooster
had verlaten. Men kon hun gelijken nergens vinden; elk had een
beer kunnen bedwingen. Die twee monniken waren bij de strijd
aanwezig en sloegen om het hardst met een goedendag om zich
heen, uit genegenheid voor de graaf. Het waren twee sterke
kerels. Ik heb dikwijls horen vertellen dat de monnik [de
graaf van] Artois van zijn paard sloeg en dat hij hem velde
met één klap, waardoor ook Morel door zijn
knieën ging. Nadat zijn paard was neergestort en hijzelf
veel slagen had geïncasseerd en zich te voet tussen de
Vlamingen bevond en daarbij veel ruwe knuppels naar hem
opgeheven zag. Pas toen wilde [de graaf van] Artois zich
overgeven aan [Willem van] Gulik. Hij zei: [Willem van] Gulik.
Hij zei:
'Ik geef u mijn zwaard! Ik
geef mij over. Zorg goed voor mijn paard, doe het geen pijn en
sla het niet, maar neem het mee en houd het vast!'
De Vlamingen riepen:
'Wij weten niet wie u bent!'
De graaf [van Artois] riep
in het Frans:
'Ik ben de graaf van Artois!
Ik geef me over! Ik zal geen woord meer zeggen! U zult uw zin
krijgen!'
De Vlamingen riepen:
'U moet sterven, al was u
twee keer graaf!'
'Helaas,' riep hij, 'wat
willen jullie dan? Is er hier geen edelman die voor mij wil
instaan? Ik geef me aan hem over. Laat me in leven! U hebt de
allerbeste christenen gedood. U zult voor alles genade van God
ontvangen, als u mij spaart!'
'De Vlamingen riepen:
'Er is hier geen edelman en
niemand kan u verstaan!' De Vlamingen waren driftig
en verwachtten weinig goeds van hem, ondanks al de beloften
die hij daar deed, en dus sloegen ze hem ter plekke dood. Zo
kwam [de graaf van] Artois aan zijn einde. Zijn tong zwol uit
zijn mond en een Bruggeling was zo bij de hand die af te
snijden. Na de strijd betuigde die man zijn hoogachting aan
heer Jan van Maerc door hem - zodra hij de gelegenheid had -
het fraaiste stuk wildgebraad aan te bieden waarvan ooit
iemand at. Dat wild gebraad dat de Bruggeling voor de grap aan
Jan van Maerc gaf. Was de tong van [de graaf van]
Artois. |
Omdat dit stukje ook bedoeld is als Neder-L-recensie van deze
prachtige vertaling moet ik nu even zakelijk worden, en iets negatiefs
zeggen, want anders word je als recensent niet serieus genomen. Mijn
kritiek richt zich niet op de vertaling, noch op het Register van
eigennamen, de Bibliografie, de Verantwoording of de Appendices met
Emendaties, conjecturen en varianten, en Codicologische &
paleografische aantekeningen. Dat is allemaal dik in orde, evenals de
kaarten die op de Inleiding volgen. Maar de Inleiding zelf steekt hier
wat mager bij af. Jammer dat daar niet meer werk van gemaakt is. Had
daarvoor desnoods een historicus ingehuurd, iemand die de status
questionis uiteen kan zetten, zoals Van Caenegem deed in zijn inleiding
op Demyttenaere's formidabele vertaling van Galbert van Brugge's De
moord op Karel de Goede. Dit 'verwijt' geldt overigens niet zozeer
de vertalers als wel de uitgever. De 700-ste verjaardag van de Slag te
Kortrijk kon men zien aankomen. In elk geval beter dan de Vlamingen van
toen, die wel wisten dát het zou gebeuren, maar niet waar en
wanneer...
Literatuuropgave en links:
|