|
Col: 0209.18
Date: Thu, 05 Sep 2002 16:05:39 +0200
From: P.A. Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 0209.18: Linguïstisch Miniatuurtje LXXXVII: Soms
je je erger dan je lief is
Linguïstisch Miniatuurtje LXXXVII:
Soms vergis je je erger dan je lief is
Ik speel al jaren volleybal, maar elk jaar in september merk ik dat het
lastiger wordt om de spieren weer in de juiste conditie te krijgen. Dat
komt ervan als je twee maanden niet oefent. Dan raak je het ritme
kwijt. Misschien is er ook wel iets soortgelijks aan de hand met je
taalkundige spieren. Als je een tijdje niet geoefend hebt, raak je een
beetje uit vorm. Dan kun je je wel eens lelijk vergissen.
Vanmiddag, zo tegen het eind van de middag, kreeg ik een vraag op mijn
bord van de taaladviesdienst van het genootschap Onze Taal: "Wij zitten
hier met zijn allen te twijfelen over de zin ...en dan stuit je op
meer beperkingen dan je lief is/zijn. Wat moet het zijn? Enkelvoud
of meervoud? Wij denken allemaal enkelvoud, maar hoe zit de zin dan in
elkaar?"
Met die intuïtie kan ik het wel eens zijn. Enkelvoud klinkt
stukken beter. Maar is dat grammaticaal wel de juiste vorm? Die
dan-zin, dat is immers een samentrekking die aansluit bij de
vergrotende trap meer. De woordgroep meer beperkingen
moet zijn parallel hebben in de samengetrokken constructie. Net zoals
je bij Jan is slimmer dan Piet kunt aanvullen ...dan Piet
slim is, moet je dus hier iets bijdenken als ...meer beperkingen
dan [zoveel beperkingen] jou lief zijn, of, met quantitatief
er: ...meer beperkingen dan er jou lief zijn. Dat
zoveel beperkingen is het onderwerp van jou lief zijn,
dus het gezegde moet meervoud zijn.
Waarom vindt iedereen dan toch het enkelvoud beter? Ik dacht: misschien
ligt het aan de frequentie. Meer dan je lief is, dat is een
vaste uitdrukking die vrijwel uitsluitend in het enkelvoud voorkomt (op
het internet vind ik één meervoud tegen 1500
enkelvouden). De woordgroep dan je lief is is misschien wel een
"chunk", een versteend brokje idioom. Daarom vult iedereen automatisch
is aan achter dan je lief.
Ik kon het nog verder beargumenteren ook: vul maar eens een ander,
soortgelijk predikaat in dan je lief zijn. Bijvoorbeeld je
bekend zijn of je voorspeld zijn. Dan krijg je ...en dan
stuit je op meer beperkingen dan je bekend zijn, of dan je
voorspeld zijn. Geen sprake van is. Zie je wel: dat
is bij je lief zijn is een frequentie-effect. Snel even
mailen naar de taaladviesdienst, en dan op de fiets naar huis.
Al fietsend merk ik dat het hele zaakje me niet lekker zit. Wat een laf
advies geef ik daar eigenlijk. Waarom wordt die zin niet beter met
zijn als ik zo goed meen te weten hoe hij in elkaar zit? Waarom
kan ik mij als taalkundige niet onttrekken aan dat zogenaamde
frequentie-effect? Wat is dat eigenlijk voor een fenomeen, een
frequentie-effect? Nee, hoe langer ik fiets, hoe meer ik aan mijn
taalkundige water voel dat mijn analyse niet klopt.
Nog voor ik thuis ben, valt de kinderlijk eenvoudige oplossing mij in:
die samentrekking kan ook een niveau dieper zitten! Neem een zin als
Dit is simpeler dan je denkt. Dat is geen samentrekking van
Dit is simpeler dan je simpel denkt, maar van Dit is simpeler
dan je denkt dat het simpel is. Die vergrotende trap heeft geen
parallel in de dan-zin, maar in een dat-zin die in de dan-zin ingebed
zit. In dit voorbeeld is dat de enig mogelijke analyse, omdat
denken een zin als lijdend voorwerp moet hebben. Maar dat kan
bij je lief zijn natuurlijk ook heel goed.
Hoe zit ons voorbeeld dan in elkaar? Dat is toch een slagje
ingewikkelder. Ik begin met een eenvoudiger variant: ...en dan vind
je meer beperkingen dan je lief is. Dat is samengetrokken uit
...en dan vind je meer beperkingen dan je lief is dat je [zoveel
beperkingen] vindt. Die dat-zin is het onderwerp van je lief
zijn, dus staat het predikaat in het enkelvoud.
In het oorspronkelijke voorbeeld zit er nog een klein addertje onder
het gras. Die moet namelijk samengetrokken zijn uit ...en dan stuit
je op meer beperkingen dan je lief is dat je op zoveel beperkingen
stuit. Daar is iets mis mee. De parallel voor de vergrotende trap
zit namelijk ingebed in een woordgroep met op. En dat mag
eigenlijk niet. Dat kun je mooi zien als je een niet-samengetrokken
parafrase maakt. Bij de eerste zin krijg je dan ...en dan vind je
meer beperkingen dan je lief is dat je er vindt. Prima. Maar de
tweede wordt ...en dan stuit je op meer beperkingen dan je lief is
dat je er op stuit. Fout. Dat er is het quantitatieve
er, en het hoort bij het weggelaten telwoord dat de parallel
voor meer is. Dat weggelaten telwoord zit in de eerste zin in
het lijdend voorwerp, en in de tweede zin in het voorzetselvoorwerp:
dat je er [op zoveel] stuit. En dat laatste is niet zo gelukkig.
Ik vind er drie is prima, Ik stuit er op drie is op z'n
minst ongelukkig.
Dat in een dan-constructie de parallel met de vergrotende trap gevoelig
is voor domeinbeperkingen (inbedding in voorzetselgroepen bijvoorbeeld)
is geen nieuwe of opzienbarende bewering. Alhoewel mij niet meteen te
binnen wil schieten wie, moet iemand dat al wel eens geconstateerd
hebben. Je kunt het ook zonder die extra inbedding in een dat-zin wel
zien. Bijvoorbeeld in Hij had meer bezwaren dan ik op gerekend
had. Ook niet zo'n gelukkige zin. Omdat in de oorspronkelijke zin
het hele predikaat inclusief voorzetsel is samengetrokken, valt het
daar niet zo erg op.
In het gewraakte voorbeeld spanden er dus twee factoren samen om mij op
het verkeerde been te zetten: ten eerste zou het predikaat je lief
zijn best een niet-sententieel, meervoudig onderwerp kunnen hebben
(twee dingen zijn mij lief). En ten tweede levert de goede
analyse een minder gelukkige zin op. Of misschien drie factoren: mijn
taalkundige spieren waren koud, die moesten even warmgefietst worden.
Ik zit het nou wel goed te praten dat ik de correcte analyse niet
meteen zag, en dat ik daarom dacht dat zijn grammaticaal juister
was. Maar dat frequentie-effect, dat had ik toch beter moeten weten:
een statistische verklaring is nooit een verklaring. Het is alleen de
constatering dat je geen verklaring hebt.
Peter-Arno Coppen
|