|
Col: 0210.14
Date: Fri, 11 Oct 2002 10:36:41 +0200
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 0210.14: Linguïstisch Miniatuurtje LXXXVIII: Menig
voorbeeld is fout
Linguïstisch Miniatuurtje LXXXVIII:
Menig voorbeeld is fout
Wat moet het zijn: 'Door uw steun is menig landhuis en kasteel
gered' of 'Door uw steun zijn menig landhuis en kasteel gered'?
Die vraag kreeg ik van de week voorgelegd. Hm. Dat is nou eens een
kwestie waar je er met taalgevoel alleen niet echt lijkt te komen. Je
kunt er wel een beetje taalkundig bij redeneren. Dat is nog niet eens
zo moeilijk.
Het woordje 'menig' wordt altijd gevolgd door een telbaar enkelvoudig
zelfstandig naamwoord. Het is 'menig toeschouwer', 'menige club',
'menig landhuis' maar niet 'menige politie' of 'menig zand'. De
resulterende woordgroep is altijd enkelvoud. Aan de andere kant is een
nevenschikking van twee enkelvoudige woorden met 'en' meestal meervoud.
Het is 'Jan en Piet zijn ziek' en niet 'Jan en Piet is ziek'. Toch kan
zo'n nevenschikking vaak wel als een soort samentrekking gelezen
worden, waarna het enkelvoud acceptabeler wordt: 'Jan, en (ook) Piet,
is ziek vandaag'. Twee-een voor het enkelvoud dan maar?
Dit soort redeneringen is (of zijn) me toch te makkelijk. Alhoewel de
laatste jaren in de taalwetenschap de zogeheten optimaliteitstheorie
opgeld doet, waarbij de taalvorm het resultaat is van een competitie
tussen elkaar tegenwerkende principes, lijkt me het onderhavige geval
daar geen goed voorbeeld van. Het kan wel zijn dat het enkelvoud wint
bij een blote optelling van voors en tegens, maar eerlijk gezegd vind
ik de zin 'Door uw steun is menig landhuis en kasteel gered' ook niet
zo gelukkig klinken. Het lijkt me eerder een 'lose-lose-situatie' waar
we in verzeild zijn geraakt.
Ligt het aan dat 'menig'? Daar lijkt het wel op. Als we een ander
voornaamwoord invullen dat ook met enkelvoudige nomina kan voorkomen,
zoals 'ieder', dan is er geen enkel probleem. Het is 'Door uw steun is
ieder landhuis en kasteel gered' en niet 'Door uw steun zijn ieder
landhuis en kasteel gered'. Weer enkelvoud (drie-een). Wat maakt
'menig' zo speciaal?
De woorden 'ieder' en 'menig' zijn allebei kwantoren, zoveel is
duidelijk. 'Ieder' is een universele kwantor, die kwantificeert over de
verzameling individuen waar hij bij staat. 'Ieder landhuis'
kwantificeert over de totale verzameling landhuizen in het
discussiedomein, en neemt ieder afzonderlijk eruit. In een
gegeneraliseerde terminologie: als je zegt 'ieder landhuis is gered'
spreek je uit dat elk element van de verzameling van landhuizen
begrepen is in de verzameling van geredde objecten.
En hoe zit het dan met 'menig'? Zeg je 'menig landhuis is gered', dan
bedoel je dat veel exemplaren van de verzameling landhuizen in de
verzameling geredde objecten zitten. Waarbij 'veel' natuurlijk een
flexibele maat is. Maar wat is dan het verschil tussen 'menig' en
'veel'? Dat is hetzelfde als tussen 'iedere' en 'alle': 'menig' sluit
een collectieve lezing uit. Met een voorbeeld: iemand die veel
landhuizen gekocht heeft, kan ze in één koop verworven
hebben, maar iemand die menig landhuis gekocht heeft, moet in
afzonderlijke gelegenheden de koop gesloten hebben: één
landhuis per koop. 'Menig', net als 'ieder', distribueert over
afzonderlijke exemplaren.
Die distributie gaat trouwens niet alleen over de exemplaren van een
verzameling objecten, maar ook over gebeurtenissen. Je kunt niet zeggen
'ik heb in één keer ieder document verbrand', terwijl je
wel kunt zeggen 'ik heb in één keer alle documenten
verbrand'. Net zo bij 'ik heb in één keer menig document
verbrand'.
Zowel 'menig' als 'ieder' kan dus een enkelvoudig woord nemen om over
te distribueren. Maar kan dat ook een woord zijn met een meervoudige
betekenis? Zoals 'ieder paar sokken', of 'menig pas getrouwd stel'?
Jazeker, dat kan. En kun je met andere woorden dan weer distribueren
over de afzonderlijke exemplaren van die meervoudige betekenis? Eens
kijken: 'ieder paar sokken paste bij elkaar', of 'menig pas getrouwd
stel kent elkaar nog niet zo goed'. Dat lijkt minder goed. Blijkbaar
kun je geen dubbele distributie in een zin hebben.
En wat nu als er sprake is van nevenschikking? 'Iedere man en vrouw
heeft/hebben met elkaar gedanst' of 'menige man en vrouw heeft/hebben
met elkaar gedanst'. In het enkelvoud lijken deze zinnen me in elk
geval fout: het enkelvoud geeft samentrekking aan, en dan kun je met
'elkaar' in elk geval niet meer de afzonderlijke man en vrouw
aanwijzen. En hoe zit het met het meervoud?
Ik weet niet hoe het met u is, maar ik vind de zin 'menige man en vrouw
hebben met elkaar gedanst' slechter dan 'iedere man en vrouw hebben met
elkaar gedanst'. Dat lijkt op het eerste gezicht vreemd. Waar in andere
zinnen het woord 'ieder' duidelijker enkelvoud oplevert dan 'menig',
lijkt in deze gevallen 'ieder' met een meervoud acceptabeler dan
'menig'. Hoe kunnen we dat verklaren?
Het woordje 'ieder' accepteert, anders dan 'menig' ook een meervoudig
vervolg: zeg je 'iedere twee studenten uit deze klas hebben een hekel
aan elkaar', dan verdeel je de klas in groepjes van twee exemplaren die
telkens een hekel aan elkaar hebben. Dat betekent dat 'iedere man en
vrouw' ook een groepje van man en vrouw kan aanduiden. Maar bij 'menig'
kan dat niet. 'Menige twee studenten uit deze klas hebben een hekel aan
elkaar' is gewoon fout. 'Menig' wil echt een enkelvoud.
Wat betekent dat nu voor onze oorspronkelijke zin? 'Menig landhuis en
kasteel' kan blijkbaar geen woordgroep zijn met nevenschikking
'landhuis en kasteel', waar 'menig' bij is gezet (menig exemplaar van
de soort landhuis en/of kasteel). Dus moet er sprake zijn van
samentrekking (menig landhuis en menig kasteel). Dat lijkt mogelijk,
maar het is niet echt gelukkig. Waarom niet?
Samentrekking met kwantoren, vooral bij grotere aantallen, is altijd
vreemd. Zeg je 'er stonden twaalf tafels en stoelen in de kamer', dan
is het vrijwel onmogelijk om dit te begrijpen als vierentwintig
meubelstukken (twaalf tafels en twaalf stoelen). Bij kleinere aantallen
(bv. 'drie tafels en stoelen') heb ik wel eens mensen horen beweren dat
ze dit konden lezen als vijftien meubelstukken (drie tafels en drie
maal vier bijbehorende stoelen), maar in dat geval lijkt de
nevenschikking 'tafel en stoel' bijna op woordniveau
geïnterpreteerd.
In elk geval lijkt samentrekking bij 'menig', juist omdat het een groot
aantal aanduidt, uiterst ongelukkig. Daarmee is de puzzel in het
oorspronkelijke voorbeeld opgelost. Het is niet 'zijn' maar 'is', maar
eigenlijk is er een derde oplossing: de constructie kan helemaal niet.
Hè, eindelijk eens een taalkundige die zegt dat een taaluiting
niet kan. Terug naar de normen en waarden.
Peter-Arno Coppen
|