|
Col: 0211.33
Date: Fri, 15 Nov 2002 14:45:52 +0100
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 0211.33: Linguïstisch Miniatuurtje LXXXIX: Ubi bene, ibi grammatica
Linguïstisch Miniatuurtje LXXXIX: Ubi bene, ibi grammatica
Al menigmaal heb ik op deze plaats uitgeweid over het feit dat in
reclametaal vaak een grammaticaal eigenaardigheidje zit dat de aandacht
van de argeloze consument net iets langer vasthoudt dan gewone taal
doet. Had ik geleefd in de eerste helft van de vorige eeuw, dan had ik
daarover vast al een hele rubriek volgeschreven onder de snedige titel
O, die reclame!, maar dat lijkt me in het huidige tijdsgewricht
geen goed idee meer. Dat neemt niet weg dat een taalkundige beschouwing
over een staaltje reclametaal best nog wel iets aardigs kan hebben.
Het dagblad De Gelderlander voert een reclamecampagne met de slogan
Waar ik leef, daar wil ik over lezen. Wat is daar mis mee, zou
je zeggen. De gedachte is immers duidelijk: je wil als consument lezen
over de zaken die betrekking hebben op jouw directe leefomgeving. Dat
staat er toch ook netjes? Toch wringt er iets in die zinsconstructie.
Bij nadere beschouwing zie je al snel dat de taalgebruiker als het ware
op het verkeerde been wordt gezet. Na de bijzin Waar ik leef, en
het bijwoord daar verwacht je dat de zin aanknoopt op de plaats
waar ik leef: Waar ik leef, daar gebeurt iets. Maar nee: de
constructie verheft de plaats opeens tot datgene waaróver je wil
lezen. De bijzin en het bijwoord lijken dus een verschillende
grammaticale functie te hebben: plaatsbepaling tegenover object
(voorzetselvoorwerp). Maar het bijwoord slaat wel terug op de bijzin.
Vandaar de verwarring. Einde verhaal?
Hoewel van een aantrekkelijke eenvoud, lijkt me zo'n semantisch
conflict te zeer een vorm van taalkunde van de kouwe grond. Als we het
niet precies weten, zeggen we dat er een betekenisconflict ligt en
daarmee is dan de kous af. Wat precies de aard van dat semantische
conflict is, dat begrijpt toch niemand en daar wordt dan ook niet over
doorgevraagd. Maar het is erg eenvoudig om aan te tonen dat het onzin
is. Als ik waar ik leef vervang door de plaats waar ik
leef, wat semantisch gezien toch ongeveer dezelfde plaatsbepaling
zou zijn, is er opeens niets meer aan de hand: De plaats waar ik
leef, daar wil ik over lezen. Prima zin. Hoe komt het dat er nu
ineens geen "semantisch conflict" meer is?
Het antwoord moet zijn dat het grammaticale eigenaardigheidje niet
semantisch is maar syntactisch. Het is de vorm van de constructie die
wringt, niet de betekenis. Maar wat wringt er dan in die vorm?
De constructie is bekend: het betreft een links-dislocatie, in dit
geval van de bijzin waar ik leef, met als steunpronomen
waar, een deel van het voornaamwoordelijk bijwoord
waarover. Interpretatie van de zin geschiedt door het
links-gedisloceerde element terug te plaatsen in het voornaamwoordelijk
bijwoord: ik wil lezen over waar ik leef. Of, in de variant met
de plaats: Ik wil lezen over de plaats waar ik leef. De
eerste zin klinkt gemarkeerd, de tweede zin is OK. Blijkbaar accepteert
de voorzetselgroep met op alleen een zelfstandig naamwoordgroep
en geen bijzin als complement. Vandaar het conflict. Zo beter?
Toch is dat nog niet het hele verhaal. Immers, zelfstandig
naamwoordgroepen kun je normaliter altijd vervangen door betrekkelijke
bijzinnen met ingesloten antecedent. Dus in plaats van hij las over
de gebeurtenissen de variant hij las over wat er gebeurd
was. Hierin is wat te lezen als dat(gene) wat.
Hetzelfde kan met wie: Hij las over de dader naast Hij
las over wie dat gedaan had. In de voorzetselgroep met over
kan dus best een bijzin staan. De vraag is dus: als wat
gelezen kan worden als datgene wat en wie als
degene die, waarom kan waar dan niet gelezen worden als
daar waar?
Het antwoord is misschien verrassend: dat kan best. Je kunt Waar ik
leef, daar wil ik over lezen best lezen als Daar waar ik leef
wil ik over lezen. Maar dat lost niets op. Immers, dan krijg je, na
het ongedaan maken van de links-dislocatie: Ik wil lezen over daar
waar ik leef. En dat is ongrammaticaal, omdat daar geen
zelfstandig naamwoord is. Het resultaat is dan ook radicaal fout.
Niemand zal op het idee komen om zo'n zin te maken. Zijn we er zo dan
uit?
Nog niet helemaal. Want als Ik wil lezen over daar waar ik leef
zo'n slechte zin is, waarom klinkt Ik wil lezen over waar ik
leef dan niet precies even slecht? En ook deze vraag kent een
syntactisch antwoord: omdat je het woord waar behalve als een
betrekkelijk bijwoord met ingesloten antecedent ook als een
vragend bijwoord kunt lezen. Dat levert wel een rare betekenis
op (ja dat wel!), in die zin dat je dan beweert dat je niet weet waar
je leeft en op die vraag een antwoord wilt hebben door erover te lezen.
Maar het is syntactisch de enige mogelijkheid.
Dat je de betrekkelijke lezing syntactisch niet kunt hebben en de
vraaglezing wel, kun je mooi aantonen door beide lezingen te forceren.
Zet in de bijzin de vraagpolaire uitdrukking in vredesnaam en je
krijgt: Ik wil lezen over waar ik in vredesnaam leef. Dat is de
semantisch vreemde lezing, maar syntactisch niet ongrammaticaal. Zet je
er echter iets als nou eenmaal bij (waarmee de vraaglezing
onmogelijk wordt), dan krijg je Ik wil lezen over waar ik nou
eenmaal leef. En dat is semantisch wel OK, maar syntactisch
onmogelijk. En dus slechter.
Wat is nu de reconstructie van het reclame-effect? Door de
links-dislocatie van de bijzin waar ik leef, in combinatie met
zijn semantische inhoud, wordt de betrekkelijke lezing met ingesloten
antecedent geforceerd. Omdat je over het algemeen best weet waar je
leeft, lees je de bijzin als daar waar ik leef. De rest van de
zin plaatst het links-gedisloceerde element echter in een syntactische
omgeving waar -strikt syntactisch- de betrekkelijke lezing
ongrammaticaal, en alleen de vraaglezing mogelijk is. Daardoor word je
als taalgebruiker gedwongen tot backtracking naar de vraaglezing, die
echter weer semantische onzin oplevert. Resultaat? Je kaatst een paar
fracties van secondes heen en weer tussen de Skylla en Charibdis van de
syntaxis en de semantiek, waarna je vlucht in de vaagheid. Maar dan is
het al te laat en ben je even gevangen geweest door de reclame.
Een interessante vraag is nog: wéten die reclamejongens dit
allemaal? Welnee. Die doen dat natuurlijk op gevoel. Je kunt trouwens
tegenwoordig Bachelor in de taalwetenschap zijn zonder dat je het
verschil tussen betrekkelijk en vragend bijwoord tot in de finesses
doorgrond hebt. Maar in een wereld waarin haast alles op emotie moet is
het toch wel eens goed dat je als taalkundige af en toe iets geheel
rationeel kunt verklaren.
Peter-Arno Coppen
|