0212.06 Terug
Vooruit 0212.a
Vorig Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgend Miniatuurtje

Col: 0212.07

Date: Thu, 12 Dec 2002 16:02:59 +0100
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 0212.07: Linguïstisch Miniatuurtje XC: De handschoen aangetrokken

Linguïstisch Miniatuurtje XC:
De handschoen aangetrokken

In haar column in het Rotterdams Dagblad van 17 november 2002 windt Lydia Rood zich op over slordig taalgebruik. Het is erg verleidelijk om de hele column te citeren, want hij is natuurlijk erg goed geschreven. Ik volsta echter met het raamwerk: "Wie de schoen past, trekke hem aan. In mij huist een koppig soort taalgevoel dat zegt dat dit spreekwoord grammaticaal niet klopt. 'Wie' kan niet tegelijk subject en object zijn. De schoen past mij. Mij moet hem aantrekken. Mij kan dat niet. Dat neemt niet weg dat dit spreekwoord onbekommerd voortbestaat, zonder zich van mijn taalgevoel iets aan te trekken. Taal houdt nu eenmaal niet van regels en zelfs niet van logica. [...] De ijzeren stelselmatigheid van de Romaanse talen ontberen we hier in deze streken, waar ooit de hoofden van Romeinen onder ongearticuleerd gebrul op houten staken werden gespiest. Taalgeleerden hebben dapper geprobeerd toch nog een soort structuur aan te brengen. Maar het barbaarse bloed stroomt te krachtig. [...] Taal weerspiegelt de mentaliteit van een volk, dat blijkt maar weer. WOEAAARGH!"

Vlak vóór die laatste zin gaat het over de verwarring onder de taalgebruikers bij het gebruik van de werkwoorden passen, te wachten staan en lukken, de onvermijdelijke Tante Betje, en het verkeerde getal bij de constructie ik ben een van de weinigen die ... Allemaal bekende taalkwesties, waar de schrijfster de politicologen, de voetballers ("och jee, voetballers") en "zelfs het Journaal" op weet te betrappen. Wat heeft een dappere taalgeleerde onder zulke gevestigde taalergernissen nog structuur aan te brengen?

Ik vind het moeilijk om op zo'n column als taalkundig expert met een opgeheven vingertje te reageren, maar ik doe het toch. Ten eerste omdat mijn beroepseer dat eist, maar ten tweede ook omdat ik taalcritici niet serieus zou nemen als ik onzin onweersproken zou laten. En daarbij ben ik natuurlijk ook gewoon erg eigenwijs.

Wie de schoen past, trekke hem aan. Het wil er bij mij niet echt in dat zo'n oud en eerbiedwaardig spreekwoord ongrammaticaal zou zijn. Waarom zou dat zo zijn? Is het inderdaad zo dat het woordje wie hier twee verschillende grammaticale functies heeft, en is dat dan niet gewoon fout, zoals mevrouw Rood ons voorhoudt?

De taalkundigen herkennen in het woordje wie natuurlijk meteen het betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent, dat je moet lezen als degene die (in deze zin degene wie, omdat wie meewerkend voorwerp is: aan/bij wie). Maar als wie dus eigenlijk voor twee woorden staat, kan het dan niet zo zijn dat degene het onderwerp is van trekke en wie het meewerkend voorwerp (of voor mijn part lijdend voorwerp) bij past?

Het blijkt inderdaad geen enkel probleem om een betrekkelijke bijzin met ingesloten antecedent in een willekeurige grammaticale functie te gebruiken, onafhankelijk van de grammaticale functie van het betrekkelijk voornaamwoord binnen die bijzin. Kijk maar: in Alleen wie ik aanwijs mag het zeggen is wie ik aanwijs het onderwerp bij zeggen en wie is lijdend voorwerp bij aanwijs. Andersom gaat ook: Ik begroet alleen wie beleefd tegen mij is. Nu is wie beleefd tegen mij is lijdend voorwerp bij begroet en wie is onderwerp bij is. Al deze voorbeeldzinnen zijn prima Nederlands. Er is geen enkele restrictie op de grammaticale functie van betrekkelijk voornaamwoord en bijzin. Zal ik nog eens een gekke doen? Jij hebt iets tegen wie ik ben. Nu is Tegen wie ik ben bepaling van gesteldheid en wie is naamwoordelijk deel van het gezegde. Gek nietwaar? Maar van een onberispelijke syntaxis.

Rood heeft hier dus ongelijk. Het spreekwoord is grammaticaal volkomen in orde. Wat is dan dat "koppig taalgevoel" dat haar kwelt? Is het "de ijzeren stelselmatigheid van de Romaanse talen" die zij in het Nederlands mist? Maar dat kan het niet zijn, want de Germaanse talen zijn taalkundig wonderlijk genoeg precies even stelselmatig als de Romaanse (en evenals alle andere trouwens). Is het dan zo dat het Nederlands in deze constructie "niet van regels houdt"? Maar deze constructie is geheel regelmatig, en daarbij komt: taal houdt juist wel van regels, en juist niet van uitzonderingen. De grammaticale fouten die onderwerp zijn van vele taalergernissen zijn meestal pogingen van de taal om meer regelmaat te creëren. Als mensen denken dat Jan in Jan past die jas niet het onderwerp is, dan maken ze het werkwoord passen regelmatiger dan het is. Zoals het hoort is passen namelijk een heel erg onregelmatig werkwoord, met een thematisch object (die jas) als onderwerp en een ervaarder (Jan) als meewerkend voorwerp, waarvan het nog niet eens zo duidelijk is dat het wel een meewerkend voorwerp is. Maar als het een lijdend voorwerp zou zijn is het wel erg onregelmatig dat de zin niet in de lijdende vorm kan staan (Jan wordt door die jas niet gepast). Nee, die onregelmatigheid, dat is het allemaal niet.

Ik weet wel wat het is, dat koppige taalgevoel. Ik vind het alleen zo sneu om het te zeggen. Het is namelijk een gerationaliseerd taalgevoel. Je ziet zo'n constructie, denkt erover na, analyseert hem, en je analyse wijst uit dat er iets mis is. Die conclusie zet zich om in een zeker weten dat er iets mis is, en vervolgens besmet dat je taalgevoel.

Er zijn twee redenen waarom ik het moeilijk vind om dit te schrijven. Ten eerste is dat gerationaliseerde taalgevoel nou precies wat de meeste taalgebruikers de taalkundigen verwijten, en, laat ik het maar eerlijk toegeven, misschien soms nog wel eens terecht ook. Ik herken dat als taalkundige heel goed, dat je oordeel over een constructie beïnvloed wordt door je analyse. En zolang die analyse in orde is, is er ook niets aan de hand. Maar evengoed breekt vaak de hel los: Laten die taalkundigen toch eens ophouden met hun kunstmatige regeltjes die kunstmatige ongrammaticaliteiten aanwijzen die het natuurlijke taalgevoel belemmeren! Laten ze het taalgevoel toch overlaten aan de grote schrijvers, die immers de professionals zijn van het taalgebruik!

Alsof dat nog niet genoeg is, bestaat er nog een tweede reden voor mijn aarzeling. Nou dénkt er eens iemand na over een taaluiting, en nou doet eens iemand een serieuze poging tot grammaticale analyse ter onderbouwing van een taalgevoel, en dan is het nog niet goed! Erg, erg jammer. Zo manoeuvreer ik mij als taalkundige wel in een heel benarde positie: beschimpt door de voorstanders van het onbelemmerde taalgevoel en door mijn zelotische kritiek ook nog eens vervreemd van de aanhangers van de grammaticale analyse.

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]