|
Col: 0303.29
Date: Fri, 28 Mar 2003 21:29:03 +0100
From: Willem Kuiper <wkuiper@xs4all.nl>
Subject: Col: 0303.29: Column Willem Kuiper, no. 62: De Noormannen in Breda
Column Willem Kuiper, no. 62: De Noormannen in Breda
Er was eens een koning van Denemarken die Magnus heette. Magnus zat er
warmpjes bij, financieel wel te verstaan. Hij had alle heidenen in zijn
land verslagen en onteigend, en was zo een vermogend man geworden. Dit
kwam David de Bruys, de jonge koning van Schotland, ter ore alsmede dat
koning Magnus een huwbare dochter had. Vandaar zijn huwelijksaanzoek in
ruil voor een militair bondgenootschap. Koning Magnus overlegt met zijn
echtgenote en zijn twee jongere broers - aan de prinses wordt niets
gevraagd - en gaat op het aanbod in. Het huwelijkscontract wordt
getekend en gezegeld, en daarna is het groot feest in Ripen, het
huidige Ribe in Jutland.
Magnus laat een prestigieus schip
gereed maken en laadt dat vol met proviand: bier uit Bremen en Lubeck,
varkensvlees uit Denemarken, peulvruchten uit Zweden, en allerlei
andere lekkernijen. Zijn jongere broer Godevaert vertrouwt hij de zorg
voor zijn dochter toe, zijn jongste broer E(v)eraert de bruidsschat.
Hijzelf en de koningin blijven thuis.
Onderweg naar Aberdeen wordt de
aanstaande bruid ziek en zij sterft op volle zee. De windstilte die
vervolgens intreedt kan alleen maar opgeheven worden door haar lichaam
overboord te zetten, en aldus geschiedt. Godevaert die met zijn leven
garant stond voor haar veilige overtocht besluit niet verder te reizen
en ook niet terug te keren, maar koers naar Brabant te zetten. Zo
arriveren zij voor de monding van de rivier de Mark, die zij opvaren.
Aangekomen bij Breda zien zij een heuvel met daarop een boom in
spalier, in hun ogen de ideale plek om een burcht te bouwen.
Godevaert en wat metgezellen varen
Breda binnen en gaan daar ter kerke - deze Noormannen zijn namelijk
christenen. Heinric, heer van Breda, stapt op de Denen af, heet het
gezelschap welkom en nodigt hen uit aan zijn tafel. Na het eten maakt
men een wandeling langs de Mark en komt zo bij voornoemde heuvel.
Godevaert - die de bruidschat nog op zak heeft - vraagt wie de eigenaar
is van dit kavel met deze bijzondere leiboom met aan weerszijden een
tafel met zitbanken: hij wil het kopen. Heinric antwoordt dat deze
buitenplaats van heer Ancem Hey is, dat het diens vaderlijk erfgoed is,
en dat Ancem hier in de maand mei, als de lente op haar hoogtepunt is,
zijn vrienden en bekenden ontvangt. Een knecht geheten Aert c.q. Arnout
Haghen wordt naar heer Ancem gestuurd, maar die weigert zijn 'locus
amoenus' te verkopen. Liever kocht hij er grond bij om zijn erfgoed te
vergroten.
Godevaert echter laat zich niet
afwijzen en besluit de bouw van de burcht door te zetten. De bomen ter
plekke - de leiboom uitgezonderd - worden omgehakt en voor zover
mogelijk gebruikt voor primitieve houten woningen. Daarop aangesproken
door de vrouwen in het gezelschap en herinnerd aan zijn belofte dat hij
een hof zou bouwen laat Godevaert stenen en kalk vanuit Doornik
importeren - nota bene tolvrij, want hij zegt dat het voor een kerk is
- en gaat in Aken en Maastricht op zoek naar een metselaar en een
timmerman. Als de grondwerkers uit Gent bij het uitgraven van de grond
om de burcht te funderen te veel last hebben van de leiboom moet ook
deze wijken. Het hout van de boom blijkt echter door zijn vorm
praktisch onbruikbaar en men besluit er een kruis van te maken voor in
de kapel.
Nadat de Denen hun burcht voltooid
hebben, maken zij dertig jaar lang strooptochten door de omgeving,
zowel over land als over zee. Alle dorpen in de omgeving moeten eraan
geloven, en de buit verdwijnt achter de muren van Brunen Stene, zoals
de Deense burcht heet. Als de omwonenden hun beklag doen bij de hertog
van Brabant stelt die 300 man beschikbaar om de Denen te verdrijven. De
heer van Wesemale neemt de leiding op zich.
Er wordt een konvooi geformeerd die
als lokaas moet dienen, de heer van Wesemale legt zich in hinderlaag,
en ja, de Denen trappen erin en worden verslagen. De Brabanders trekken
de kleding van de gesneuvelde Denen aan, bestijgen hun paarden en
krijgen zo moeiteloos toegang tot Brunen Stene, waar zij de overige
Denen van kant maken. De burcht wordt gesloopt. De kostbaarheden
verdwijnen in de zak van de heer van Wesemale, het hout en de stenen
gaan naar Breda, evenals het kruis uit de slotkapel dat daar wonderen
verricht totdat de kerk waarin het hangt tijdens een januaristorm in
1457 in elkaar stort.
Deze curieuze tekst - bekend onder de naam Het heilige kruis en de
Denensage te Breda - wordt door Nederlandse letterkundigen niet
serieus genomen. De enige literatuurgeschiedschrijver die er een woord
aan vuil maakt is de Vlaamse Jezuiet Jozef van Mierlo (1878-1958), die
in Geschiedenis van de Letterkunde der Nederlanden (1940, II, p.
81; 1949, I, p. 400) schreef:
| |
|
Tot de legendenliteratuur behoort vooreerst een
berijming van een H. Kruislegende van Breda, verbonden
met herinneringen aan de strooptochten van de Denen in
die streken: het vermoeden ligt voor de hand dat hier
een of ander oud lied in verwerkt werd. Voorts vrij
onbenullig gerijmel. |
Ware het niet dat het Instituut voor Nederlandse Lexicologie te Leiden
besloot deze tekst te digitaliseren voor de onvolprezen CD-ROM
Middelnederlands, ik zou hem misschien over het hoofd gezien
hebben. Nu kwam hij tijdens het werken aan het Repertorium van
Eigennamen in Middelnederlandse Literaire Teksten - zie
Neder-L 0301.19 - bij een zoekactie onverwachts bovendrijven.
Veel secundaire literatuur is er niet over het heilige kruis van Breda.
Gericht zoeken leverde slechts twee publicaties op: de eerste, nog geen
pagina groot, van de historisch taalkundige A.A. Weijnen over het
dialect van de Denensage, en een meer substantiële bijdrage
van de hand van de mij (als neerlandicus) volstrekt onbekende dr. A.J.
Stakenburg, in de Handelingen van het Provinciaal Genootschap voor
Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant, jaargang 1944.
De Denensage is in 1893 met
affiniteit en kennis van zaken kritisch uitgegeven door L. Wirth, die
in zijn inleiding ingaat op de mythische oorsprong van de sage. De
oudst bewaard gebleven getuigenissen dateren uit de zestiende eeuw.
Wirth citeert - zonder hem te vertalen, dat hoefde toen nog niet - de
humanist Jean Baptiste Gramaye, die de Denensage als volgt
samenvatte:
| |
|
Ecce primogenitum Henrici Dynastae a terra Domini sui, |
| |
|
in quod successus erat, more illius temporis, |
| |
|
cognomentum capere; secundogenitum autem a Praetorio |
| |
|
Larensi avito domicilio Paterno, donec hic sedem in |
| |
|
Brunesheym (sivi ut alii scribunt, |
| |
|
Bruneshames) transtulit, quod factum post annum |
| |
|
M. C. XXIV hac occasione, quam e veterrimo Ecclesiae |
| |
|
Bredensis codice descriptam, carmine reddidi: |
| |
|
|
| |
|
Anglorum Regi Danorum filia Regis |
| |
|
Desponsanda fuit conditione pari. |
| |
|
Sed periit pelago, famulique et gaza superstes |
| |
|
Elapsi in litus, terra Bredana, tuum. |
| 5 |
|
Incerti quid agunt? certi tamen, Anglica nunquam |
| |
|
Virgine defuncta, Dana nec arma sequi. |
| |
|
Ergo fortuna parto, dein vivere rapto, |
| |
|
Una salus victis, unaque cura sedet. |
| |
|
Impia gens! non hospitio non foedere digna |
| 10 |
|
Arx tibi fax, mors Mars, poenaque crimen erit. |
| |
|
Accidit, ut praedis silvam de more minorem |
| |
|
Turba exhauriret insidiosa viae. |
| |
|
Nec minus insidias doctus Wesemalus onustos |
| |
|
Exueret spoliis, exueretque anima. |
| 15 |
|
Caesorum exuviis ornato milite, jussoque |
| |
|
Ad reliquum Castri tendere praesidium |
| |
|
Quod veluti sociis pandit redeuntibus arcem, |
| |
|
Et sero hostiles sensit adesse manus. |
| |
|
Jurarim, non vos vestis, sed praeda fefellit, |
| 20 |
|
Praeda oculo nimium cognita saepe truci. |
Oftewel in hedendaags poldernederlands:
| |
|
Merk op, dat de eerstgeboren zoon van heer Heinric
volgens de gewoonte van die tijd zijn toenaam
ontleende aan het gebied van zijn heer, waarin hij was
opgevolgd. Zijn op een na oudste zoon (ontleende zijn
naam) aan het huis Larens, het stamslot van
vaderskant, totdat hij zijn zetel overbracht naar
Brunesheym - of zoals anderen schrijven: Bruneshames -
wat gebeurd is na 1124, naar aanleiding van een
gebeurtenis die, beschreven in een zeer oude codex uit
Breda, door mij in verzen is omgedicht.
Met de Koning van Engeland zou de dochter van de
Denenkoning (die van gelijke stand was) zich verloven.
Maar zij stierf op zee en haar dienaren en de
bruidsschat die niet verloren ging(en) kwamen veilig
op uw strand terecht, Land van Breda.
Ze wisten niet wat te doen. Wel wisten ze zeker,
dat ze na het overlijden van het meisje nooit of te
nimmer achter de krijgsbanier van de Engelsen zouden
lopen noch achter die van de Denen. Daarom was het
enige redmiddel voor de overwonnenen en hun enige
bekommernis om te leven van wat door het lot verkregen
was en daarna van roof.
Schurken! Hun burcht, die geen verdrag van
gastvriendschap verdient, zal U, moorddadige Mars, een
lont zijn voor wraak en misdaad.
Het gebeurde, dat een troep (Denen), die de weg
belaagde, volgens gewoonte Minderhout van buit ontdeed
en dat de heer van Wesemale, die net zo bekwaam was in
het leggen van hinderlagen, hen, bepakt en bezakt, van
hun buit en het leven beroofde.
Nadat zijn soldaten zich in de wapenrokken van de
gevallenen hadden gehuld, trokken zij op bevel op
tegen de rest van het garnizoen van het Kasteel. Dat
garnizoen ontsloot de burcht voor hen omdat het hen
voor hun terugkerende makkers hield, en te laat
bemerkte dat een vijandelijk leger voor de poort
stond.
Ik zou zweren, dat niet de wapenrokken, maar de
buit jullie misleid heeft, de buit die aan het wrede
oog maar al te goed bekend was. |
Er moet dus ooit een prozaredactie bestaan hebben van deze gebeurtenis,
in het midden gelaten of die in het Latijn of het Brabants gesteld was.
In die versie speelde het heilige kruis van Breda nog geen enkele rol.
Historisch chronologisch is de bewaard gebleven Denensage een
fantasietje. Wirth en Stakenburg betogen beiden de onmogelijkheid van
de voorgestelde gang van zaken. Koning David den Bruys identificeren
zij als de Schotse koning David II the Bruce (1324-1371), vanaf 1329
koning van Schotland, en met koning Magnus van Denemarken zou bedoeld
zijn Magnus II Eriksson (1316-1374), koning van Zweden vanaf 1319 en
gedurende 1319-1343 ook koning van Noorwegen. Opvallend is dat beiden
al op zeer jeugdige leeftijd koning werden en daarmee speelballen in de
Europese huwelijkspolitiek. Voor het veertiende-eeuwse Bredase publiek
kunnen beide koningen bekende royalties geweest zijn en misschien waren
zij daarom ideale kapstokken voor historische fictie, een literair
genre dat in Brabant gretig beoefend werd. Men denke hierbij vooral aan
de Grimbergse Oorlog, een Brabantse Ilias over de strijd
tussen de hertogen van Brabant en de heren van Grimbergen, waarin alle
bekende Brabantse adellijke geslachten met naam en toenaam genoemd
worden. Toen deze tekst geschreven werd, waren de verhaalde
gebeurtenissen al hele oude koeien, maar het moet voor het
aristocratische publiek een waar genot geweest zijn hun naam en
wapenteken te horen noemen en beschreven horen.
De Denensage is een literaire tekst volgens het concept: Van
Lego kun je alles maken. De oerkern zal een vaag verhaal geweest
zijn over Noormannen die een mislukte kolonisatiepoging gedaan hebben
ter hoogte van Breda. Dat verhaal werd een nieuw leven ingeblazen met
een koninklijk huwelijk dat in het zicht van de haven strandde. De klap
op de vuurpijl was de toevoeging van de legende van het heilige kruis
van Breda.
Feit is dat Holland vanaf circa 810
door Vikingen werd bezocht, en dat - ik verlaat mij nu op het eerste
deel van de m.i. uitmuntende Geschiedenis van Holland - in 836
Witla werd ingenomen, een 'stad' gelegen aan de zuidelijke oever van de
Maasmond. Sommige Viking warlords konden zich tijdelijk vestigen -
tijdelijk omdat er getuige het ontbreken van Skandinavische toponiemen
geen sprake geweest kan zijn van permanente kolonisatie.
Brunesheym (sivi ut alii scribunt, Bruneshames) vormt
daarop geen uitzondering. Bruno is een Germaanse naam, etymologisch
verwant met het Middelnederlandse 'bronie', een leren borstharnas, de
voorloper van de 'halsberch'. Brunen Stene in de Denensage heeft
dus niets met 'bruin' te maken maar alles met 'Bruno's (stenen) huis'.
Blijkbaar circuleerde er in Breda behalve de Brabo-sage - waarmee de
Brabanders hun stamboom lieten teruggaan op de Trojanen die na de val
van hun stad een nieuw vaderland zochten - ook een Bruno-sage.
Een Viking die het hier tijdelijk op
het eiland Wieringen heeft uitgehouden was Rorik geheten. Na zijn dood
nam zijn verwant Godfried - in het Brabants Godevaert - de helmstok
over. Deze Godfried bekeerde zich tot het christendom. Dat zou een
verklaring kunnen zijn voor het curieuze gegeven dat de Denen in de
Bredase Denensage christenen zijn. Hoe dan ook, de gekerstende
Godfried legde zijn heidense plunderende landgenoten geen strobreed in
de weg, en werd daarom in 885 tijdens onderhandelingen tezamen met vele
andere Vikingen gedood, waarmee een definief einde aan hun aanwezigheid
hier te lande kwam.
In een volgende versie werd die Bruno-sage gekoppeld aan een 'princess
bride' die onderweg naar haar echtgenoot op zee het leven laat, waarop
de wind in staking gaat. Niet eerder voordat het lichaam overboord
gezet wordt, steekt de wind weer op. In de Denensage leidt dit
tot een blind motief: het lichaam van de Deense prinses krijgt namelijk
geen 'zeemansgraf' maar wordt goed ingepakt op een vlot in zee gezet om
eervol begraven te worden door de eerlijke vinder.
Een zoektocht naar een folktale over
een 'princess bride dies at see' waarna de boot niet verder kan totdat
haar lichaam overboord gezet is, leverde niets op. Maar het uitspitten
van de geschiedenis van de koningen van Schotland en Skandinavië
wel:
| |
|
Koning Alexander III (geb. ca. 1241-1286) van
Schotland huwt op tienjarige leeftijd met de elf jaar
oude Margaret Plantagenet, en krijgt bij haar twee
kinderen: Alexander Dunkeld en Margaret Dunkeld.
Alexander III overleeft zowel zijn kinderloze zoon als
zijn dochter die gehuwd is met Eric II, koning van
Noorwegen. Hun dochter Margaret, geboren in 1283
vertrekt in september 1290 per schip naar Schotland om
uitgehuwlijkt te worden aan de Prince of Wales, de op
dat moment oudste zoon van de Engelse koning Edward I,
maar zij sterft op zee.
Voordat Eric II
huwde met Margaret Dunkeld was hij - als ik de
genealogische tabellen goed interpreteer,
chronologisch lijkt er het een en ander niet te
kloppen - gehuwd met Isabelle Bruce, dochter van
Robert the Bruce, zuster van David the Bruce. |
Rest nog de herkomst van de legende van het heilige kruis van Breda.
Zowel Wirth als Stakenburg herleiden deze legende tot het Boec
vanden Houte, de Middelnederlandse bewerking van de Historia
sanctae crucis. De plaats waar deze kruisboom staat is een
hortus non conclusus, een niet ommuurde lusthof die tot het
vaderlijk erfgoed van heer Ancem Hey behoort. Deze Ancem Hey houdt als
een lokale Dieu d'Amour in de lente feesten onder deze leiboom, die twee
tafels met zitbanken daaromheen overschaduwt. De beïnvloeding
onderschrijf ik, maar ik mis de link...
Wie is deze Ancem Hey? Heeft de man
bestaan? En hoe historisch zijn heer Heinric van Breda en de heer van
Wesemale? In de Brabantse hiërarchie is de functie van maarschalk
het erfelijk recht van de heren van Wesemale. Het hoeft dus niet per se
om een bepaalde heer van Wesemale te gaan. De naam Heinric in
combinatie met Breda komt ook meerdere malen voor.
In een m.i. niet veel later
toegevoegde instemmende voetnoot in het bewaard gebleven handschrift
lezen wij (spelling en interpunctie van mij, WK):
| |
|
(deze) heer Hendric heer van Breda was heer int jair
ons Heeren duysent ijC lxvj (AD 1266), ende hadde een
dochter geheiten Elisabeth, die te manne hadde heer
Aert van Loven. |
Raadpleging van het Oorkondenboek van Brabant - wat zouden wij
zonder oorkondenboeken moeten beginnen! - bevestigde deze mededeling:
Hendrik V van Breda had inderdaad een dochter Isabella = Elizabeth die
gehuwd was met Arnoud van Leuven. De oudst bewaard gebleven oorkonde
(nr. 1023) waarin Hendrik V voorkomt, dateert van 25 juni 1255, en dan
staat hij nog onder voogdij. De oudst bewaard gebleven oorkonde waarin
Hendrik niet meer onder voogdij staat (nr. 1048), dateert van 10 mei
1263. De jongst bewaard gebleven oorkonde (nr. 1086), waarin Hendrik V
nog in leven is, dateert van 23 oktober 1268.
Terug naar heer Ancem Hey. Ook zijn
naam vinden wij terug in het Oorkondenboek. Anselm Heys treedt
tweemaal als getuige op in de oorkonden 995 en 999. Eerstgenoemde
dateert van december 1243 en werd uitgegeven door de abdis Hildegonde
van de abdij van Thorn. Op dat moment is Godevaert IV van Breda, vader
van Hendrik V, nog in leven. Op 25 april 1246 is Anselm Heys getuige
bij het opmaken van het testament van Godevaert IV.
Dat de Vikingen geprobeerd hebben zich ook in de Nederlanden te
vestigen, geloof ik graag. Of ze dat bij Breda gedaan hebben... Het
gerucht dat dit het geval was, moet echter hardnekkig genoeg geweest
evenals de herinnering aan een Deense princess bride die op zee het
leven liet. Dat geeft ons een indicatie wanneer de Denensage
opgeschreven werd: op zijn vroegst na 1290.
Vanmiddag ben ik voor het eerst van
mijn leven in Breda geweest. Het was er mooi, rustig en schoon. Ik heb
de Mark gezien, de plaats waar de Denenburcht gestaan moet hebben, en
het handschrift in de voormalige Chassé Kazerne, waar nu het
stadsarchief gevestigd is. Zelden zo prettig op locatie gewerkt.
Het handschrift - 16 cm breed bij
bijna 24 cm hoog - is met slechts 23 regels per bladzijde voor
Middelnederlandse begrippen ongewoon ruim bemeten. Het perkament is
dik, stug en bruin, maar de twee katernen volgen de Regel van Gregory
foutloos. De kopiist schrijft een keurige littera textualis formata, en
het geheel maakt een sobere, maar zeer verzorgde indruk. Dit
handschrift dat omstreeks 1460 vervaardigd zal zijn, werd door de
Bredanaars van toen volstrekt serieus genomen. Het wordt tijd dat wij
dat ook doen.
Literatuuropgave:
- CD-ROM Middelnederlands
- F.F.X. Cerutti e.a., Geschiedenis van Breda. De
Middeleeuwen. Tilburg 1952.
- M. Dillo e.a., Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312 II.
Den Haag 2000.
- R.E. Künzel e.a., Lexikon van Nederlandse toponiemen tot
1200. Amsterdam 1989.
- A.J. Stakenburg, 'De heilige-Kruislegende en de Denensage van Breda
[...]', in: Handel. Prov. Gen. K. en Wet. Noordbrabant 1944, p.
62-77.
- 'Schotland', Encarta(R) 99 Encyclopedie Winkler Prins Editie.
- Wirth, L., Het heilige kruis en de Denensage te Breda.
Groningen 1893.
- http://www.bndestem.nl/regioportal/BNS/ 0,2622,2639-HistorischSchetsboek-Regionieuws!!,00.html
| * | | Met dank aan prof. dr. Jan Smit (em. Middeleeuws Latijn, UvA), drs.
Dirk van Miert (Neolatijn, UvA), mevr. dr. Doreen Gerritzen
(Naamkunde, Meertens Instituut), Leo Nierse (BN/De Stem) en
het stadsarchief van Breda. |
|