|
Col: 0304.34
Date: Sat, 26 Apr 2003 21:15:00 +0200
From: Willem Kuiper <wkuiper@xs4all.nl>
Subject: Col: 0304.34: Column Willem Kuiper, no. 63: De Noormannen in Breda #2
Column Willem Kuiper, no. 63: De Noormannen in Breda #2
De laat-middeleeuwse wereld was bekend met het fenomeen geld. Dat hadden ze
niet zelf uitgevonden, maar zoals zo veel andere dingen als kleding, eten,
drinken, geloof, onderwijs, bouwkunst, maten en gewichten rechtstreeks
overgenomen van de Romeinen. Die hanteerden in het laat-antieke Romeinse
rijk als monetaire eenheid een pond (400 gram) zilver. Voor muntgeld was
dat veel te veel en veel te duur, vandaar dat men het pond onderverdeelde.
Eén libra was evenveel als twintig solidi, terwijl de
solidus werd onderverdeeld in twaalf denarii. De middeleeuwse wereld
nam de Latijnse namen voor deze valuta naar de letter over, maar niet naar
de uitspraak. Men schreef dus Lb, maar zei daar pont tegen.
Evenzo sprak men van schellingen en penningen, maar duidde
die aan met respectievelijk de letters s en d. Vandaar die
L en die d op Engelse postzegels.
De Romeinse keizer Titus Flavius
Vespasianus (9-79) heeft zich onsterfelijk gemaakt met het antwoord
Pecunia non olet (Geld stinkt niet), toen zijn raadgevers hem een
directe belasting op de stadslatrines uit het hoofd trachtten te praten.
Daarnaast was hij het middelpunt van een reeks anekdoten, waarin zijn
exemplarische gierigheid gethematiseerd werd. Sommige daarvan zijn via de
omweg Schimpf und Ernst van de Elzasser Franciscaan Johannes Pauli
in het Nederlands vertaald, en wel in "Een nyeuwe Cluchtboeck,
tracteerende van alle staten ende handel der werelt, seer ghenuchlijck ende
om een eerlijc gheselscap te verhueghen." [...] Gheprint tHantwerpen in die
Cammerstrate / in die Gulden Fonteyne bi my Jan Wijnrijcx. [AD 1554]. Zie
hier een voorbeeld:
| |
|
Die .CIII.
cluchte. [S&E 187]
Keyser Vespasianus vraechde wat syn begravenisse costen soude
(want eens machtighen Romeyns begravenisse hadde XI gulden
gecost), als hi storf. Syn rentmeester seyde: 'Dryehondert
ducaten.' Doen seide die keyser: 'Telt mi dryehondert ducaten
daer ende worpt my in den Tiber, ende en doet gheen
beganckenisse over mi.' Also ghierich was hi. [...]
Als Vespasianus hoort dat zijn uitvaart wel driehonderd ducaten
zal gaan kosten, zegt hij: Geef mij dat geld nu maar; en als ik
dood ga, gooi me dan maar in de Tiber! |
Voor Romeinse christenen zat er wel degelijk een luchtje aan geld. Om te
beginnen waren de slaven straatarm, maar daardoor wél verzekerd van
de toegang tot het Rijk der Hemelen. Ging een kameel niet eerder door het
oog van de naald dan een rijk man door de hemelpoort?! Zo heette namelijk
een stadspoort in het nieuwtestamentische Jeruzalem, die nogal eng en laag
was opgetrokken. Om er doorheen te kunnen moest een kameel zo'n beetje
afgeladen worden. De boodschap was dus duidelijk: niet eerder dan nadat de
rijke man zijn bezit onder de armen verdeeld had, kon hij met hen naar
binnen!
Ook was Jezus van Nazareth voor geld
verraden, niet uit ideologische, religieuze of andere redenen. Judas (van)
Iscarioth - die namens de Verlosser Zijn kas beheerde - was gewoon tien
procent administratiekosten in rekening te brengen. Judas was namelijk geen
apostel uit roeping, in feite diende hij een zichzelf opgelegde taakstraf
uit voor het (onwetend) doden van zijn vader en (onwetend) huwen van zijn
moeder. Omdat zijn handen bezoedeld waren, en hij met geld kon omgaan, deed
hij het vuile werk. Toen Judas zag dat Maria Magdalena bij haar meer dan
royale boetedoening voor 300 zilverlingen balsem vergoot, zocht hij naar
andere middelen om aan 'zijn' dertig zilverlingen te komen.
Heel lang hebben de middeleeuwers een uitgesproken hekel aan geld gehad,
aan de handel in geld, en aan de handelaars in geld. Vaak waren dat joden,
omdat een gelovig christen zich daar niet mee in mocht laten. Ook gold het
berekenen van rente als woeker: zonder daarvoor te werken nam het geld in
omvang toe. Wij hebben daar de uitdrukking 'slapend rijk worden' aan over
gehouden. In bovengenoemd Cluchtboeck krijgen de woekeraars in vele
anekdoten de wind van voren:
| |
|
Die .CXIII.
cluchte. [S&E 197]
Een woeckenaer was ghestorven ende die vrienden ende die
priesters waren oneens om der begravenisse. Die priester seyde:
'Lieve vrienden, legt dat lichaem op een carre ende spant twee
ossen daer voor ende laet ons God betrouwen; si sullen hem wel
trecken daer Hi hem hebben wil.' Sy deden 't. Alsoe ghingen die
ossen van selfs onder de galghe ende en wouden nyet voort gaen.
Ende daer woude hem God bi die dieven begraven
hebben. |
Om die onenigheid over de begrafenis te begrijpen:
| |
|
Die .CXII.
cluchte. [S&E 196]
Daer was een woeckenaer gestorven. D[o]e wouden sine vrienden
op 't kerckhof leggen, maer die priester en woude 's niet
gedooghen, want het haer verboden is. Doen wouden hem syn
vrienden op strate begraven, maer des conincs officier en woude
's niet gedooghen ende seyde: 'Dat aertrijck is des conincx.
Dese scalck en sal in des conincx aertrijck niet begraven
worden.' Doen was die duvel daer ende sprack: 'Geeft mi hier,
ick wil hem draghen daer syn recht begrafenisse is,' ende nam
hem op ende voerde hem in die helle. |
De laat-middeleeuwse stad maakte een definitief eind aan wat tot dan toe de
norm was: grootgrondbezit en ruilhandel in natura. Enerzijds ging de nieuwe
beroepsgroep van de kooplieden - een gehaat syndicaat van oplichters,
immers zij vroegen minstens het dubbele van wat zij ervoor boden - over op
muntgeld en geldwissels, anderzijds trachtten de landsheren de stedelijke
economieën in geld aan te slaan in plaats van akkerbouwproducten,
levende have, brandhout enzovoort. Stads- en andere rechten werden voor
grof geld verkocht, en net als Vespasianus was de laat-middeleeuwse
landsheer onverzadigbaar. Echter niet uit gierigheid, maar uit spilzucht.
Om toch vooral maar indruk op de rest van de wereld te maken, mat de hoge
adel zich een levensstijl aan die hen aan en over de rand van een bankroet
bracht. En wie kon de tekorten aanzuiveren? Jan met de kaproen, die zijn
eerste levensbehoeften als brood en bier direct belast zag, terwijl de
aristocratie zichzelf geen indirecte belastingen oplegde. Het waren dus de
zwakste schouders die de zwaarste lasten moesten dragen!
Bezien wij nu met deze ogen het gedrag van de hoofdpersonen in de Bredase
Denensage dan valt ons het ouderwetse - in de goede zin van het
woord - gedrag van heer Ancem Hey op. Deze vader van zeven kinderen leeft
gelijk de ouden op en van het land:
| |
|
"HEre, hier woent een
goet man bi, |
| | | Die es gheheiten heer Ancem Hey, |
| | | Die pleecht hier inden tijt van
mey |
| 335 | | Te
comen driven sijn jolijt |
| | | Ende te corten sinen tijt |
| | | Met sinen ghebueren, met sinen
laten, |
| | | Beide met riken ende met maten. |
| | | Hi doet hier dranc ende spise
bringhen, |
| 340 | | Hi doetse lachen ende singhen, |
| | | Hi doet hem al haers leids
vergheten, |
| | | Hi gaet hier bi hem sitten eten. |
| | | Dat doet hi al om sijn ghewin: |
| | | Si voeren sijn hoy, sijn coren in, |
| 345 | | Si varen met sinen boden int wout, |
| | | Ende halen hem sijn borninc
hout; |
| | | Si doen hem al dat hi begheert. |
| | | Dese goede man es vele eren
weert. |
| | | Sijn es dit erve altenen gader, |
| 350 | | Ende es hem bleven van sinen vader, |
| | | Daer omme soude hijs ghelosen
node." |
| | | "Ay goeder! seint daer enen bode. |
| | | Hi sal daer varinghe sijn
ghelopen. |
| | | Laet vraghen, of hijt wille
vercopen. |
| 355 | | Had ic den goeden man ghesproken, |
| | | Ende ghi daer toe wilt helpen stoken,
|
| | | Dat ic daer aen mocht gheraken, |
| | | Soe woudic hier een huys doen
maken |
| | | In te wonen met minen maghen." |
| 360 | | MYn here Heinric riep: "Aert Haghen, |
| | | Gaet hier te mi, wel lieve
garsoen! |
| | | Ghi moet mi ene boodscap doen. |
| | | Laet sien, of ghi yet lopen
cont. |
| | | Ghi wit wel, waer heer Ancem woent?
|
| 365 | | Gaet, segt hem, dat ic hem ontbiede, |
| | | Dat hier sijn comen goede liede, |
| | | Die sine erve willen copen: |
| | | Hi mach hier halen ghelt met
hopen, |
| | | Can hi te tide ghesegghen: ja!" |
| 370 | | Aert Haghen seide: "Addyeu, ic ga." |
| | | Hi nam enen spiet in die hant, |
| | | Hi liep daer hi heren Ancem
vant. |
| | | Hi seide: "Here Ancem, goeden
dach |
| | | Gheve u God, diet wel doen mach. |
| 375 | | Ay here, mijn here bidt u sere, |
| | | Dat ghi daer coemt, daer is een
here, |
| | | Die u erve wille copen,
|
| | | Daer om coem ic hier ghelopen. |
| | | Coemt, wijst hem putte ende
palen; |
| 380 | | Hi sal u herde wel betalen. |
| | | Ic hoorde, dat hem die here
vermat |
| | | Onder den boem aldaer hi sat." |
| | | "Gaet, segt hem, dat ics niet en
doe: |
| | | Ic cochter liever erve toe, |
| 385 | | Dan ic mijn erve liete smalen; |
| | | Ic gheve luttel om sijn betalen. |
| | | Soudic mijn .vij. kinder
onterven? |
| | | Ic soude liever der penninghe
derven." |
| | | Doen Aernout Haghen dat
verhoorde, |
| 390 | | Dat hem mijn heer Ancem stoorde, |
| | | Hi seide: "Heer Ancem, blijft met
Gode! |
| | | Dat ic seide, seidic als bode; |
| | | Ic seide, alsmen mi bevel." |
| | | Arnout Haghen, "dat wetic wel: |
| 395 | | Ghi en hebt anders niet ghedaen; |
| | | Blijft te Gode, ende ic wil
gaen." |
| | | "Wildi anders yet ontbieden |
| | | Minen here? Ic saelt hem
bedieden." |
| | | "Ja, segt hem, dat hi elre
spiet: |
| 400 | | Mijn erve inne vercope ic niet." |
Ancem Hey is niet te koop en weigert pertinent zijn vaderlijk erfgoed, het
land dat zijn voorouders toebehoorde, waarvan zij gegeten hebben en waarin
zij begraven zijn, te verpatsen. Heinric van Breda daarentegen gedraagt
zich als een projectontwikkelaar die een Vinex-locatie aan een
geïnteresseerde koper wil slijten. Hij is zelfs bereid als makelaar op
te treden, en vindt van zichzelf dat hij goed bezig is: doet hij niet zijn
best om van Ancem Hey een gefortuneerd man te maken? Of zoals Nina Brink
dat formuleerde: niet voor mijzelf, maar voor mijn kinderen...
Als Heinric van Ancem Hey een vette nul
op het rekwest krijgt, vertelt de tekst niet wat zijn reactie is. Het
antwoord van Godevaert spreekt echter boekdelen: Ik ben niet bang om met
hem de vete aan te gaan!
| | | Dus es Aernout van danen
ghesceden. |
| | | Hi vant die heren onder hem
beden |
| | | Onder den boem, daer hise liet. |
| | | Her Heinric vraghede: "Coemt hi
yet?" |
| 405 | | "Neen hi, here, bi sente Jan!" |
| | | Her Godevaert sprac: "Daer ende leit niet
an. |
| | | En coemt hi niet, soe blive al
daer; |
| | | Sijn hoverde heeft mi ommaer. |
| | | Ic houde luttel van sijnre
veten; |
| 410 | | Nochtan salicker maken [k]eten |
| | | Ende logieren na minen wille |
| | | Opt alder scoenste vanden hille, |
| | | Mine compane cleine ende grote, |
| | | Maect u ghereet, gaet inden bote |
| 415 | | Ende doet ons comen metter spoet |
| | | Onse vriende ende onse goet." |
In plaats van als 'leenheer' de belangen van zijn 'leenman' te behartigen,
laat de heer van Breda zich omkopen door een vreemdeling, iemand die hij
nog nooit gezien heeft, wiens vader en familie hij niet kent. Daarmee
zondigt hij tegen alle geschreven en ongeschreven regels met betrekking tot
onbekende lieden.
Wat koning Laomedon van Troje deed, de
vader van Priamus, namelijk het niet toestaan dat de Argonauten de nacht
zouden doorbrengen op zijn grondgebied, was beledigend en ongastvrij. De
Eerste Trojaanse Oorlog was er het gevolg van, waarbij de stad door Jason
en Hercules verwoest werd.
Maar de vreemdelingen in je stad en in je
bed laten, wat Dido van Carthago deed, was ook geen goede beslissing. Het
blijven vreemdelingen, en dus zijn ze niet te vertrouwen. In het eerste
boek over de gekke, d.i. dwaze en impulsieve liefde van Dirc Potters Der
minnen loep wordt de lezer/luisteraar keer op keer gewaarschuwd om toch
vooral terughoudend ten opzichte van vreemdelingen te zijn.
Heinric van Breda had als landsheer deze
bootvluchtelingen in staat moeten stellen proviand in te slaan - tegen
betaling natuurlijk - en daarna had hij hen een goede reis moeten wensen.
In plaats daarvan rook hij geld, en oh, wat rook dat lekker! Zo lekker dat
hij zich liet verleiden zijn onkreukbare buurman te verraden, en in ruil
voor een paar ton(nen) geld beide ogen dicht te knijpen, terwijl de
vreemdelingen de buitenhof van Ancem Hey bouwrijp maakten.
De geschiedenis heeft hem ongelijk
gegeven. Net als de slang die uit de vrieskou gehaald werd en eenmaal aan
de borst gekoesterd zijn weldoener overweldigde, zo toonde Godevaert zijn
dankbaarheid door dertig jaar lang de wijde omgeving af te stropen en alle
mooie vrouwen en maagden te verkrachten. Ook speelde Heinric van Breda geen
enkele rol in de verdrijving van de Denen. Het zijn 'burgers' uit Breda en
omstreken die hun nood bij de hertog van Brabant klagen, en die stuurt er
zijn maarschalk, de heer van Wesemale, op af. Die overwint, en neemt als
beloning alle juwelen mee. De bevolking van Breda plundert - waar heb ik
dat meer gezien? - het kasteel en komt zo in het bezit van het heilige
kruis, dat al die jaren de Denen beschermd had. Het heilige kruis blijkt
net zo plooibaar als Heinric van Breda, en is net zo tuk op geld:
| | | NU willic u voert doen weten |
| 565 | | Van enen mirakel, diet heeft ghedaen. |
| | | Een meester smit was op ghestaen |
| | | Voer den daghe ende soude gaen
smeden; |
| | | Sijn wijf was op ende soude gaen
kneden. |
| | | Met luder stemmen riep si:
"Hille, |
| 570 | | Staet op, ghi ligt te langhe stille! |
| | | Staet op, ghi soudt gaen weinden
tmout." |
| | | "Moeder, Hilleken is al cout," |
| | | Sprac dat kint, dat bi haer
sliep. |
| | | Anderwerf dat knechtken riep: |
| 575 | | "Moeder, Hilleken is al doet!" |
| | | Die vrouwe met der haeste scoet |
| | | Voer dbedde, daer dat kint op
lach, |
| | | Ende doe die vrouwe haer kint
besach, |
| | | Seide si: "Heinric, gaet ter
dore, |
| 580 | | Wect op alle onse ghebuere, |
| | | Ende doetse comen met groter
haeste." |
| | | Doen quamen, die daer woenden
naeste |
| | | Ende dreven groot misbaer. |
| | | Doen quam noch een vrouwe daer, |
| 585 | | Als diet kint wilde besien. |
| | | Si seide: "Nu valt op uwe knien, |
| | | Alle die sijn binnen den huys, |
| | | Ende roept ghenade aent theylighe
cruys |
| | | Wenender oghen, wringhender
hande, |
| 590 | | Ende belovet uwe offerande |
| | | Den heylighen cruce na uwe
vermoghen. |
| | | Theylighe cruce sal u verhoghen |
| | | Ende verbliden in corter tijt: |
| | | Het heeft soe meneghen mensche verblijt, |
| 595 | | Die aen hem riep in sijnre noot." |
In Breda, maar niet alleen daar - ook in Zaandam dat sinds kort een casino
rijker is - is alles te koop.
|