|
Rub: 0306.31
Date: Tue, 24 Jun 2003 11:42:03 +0200
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Rub: 0306.31: Linguïstisch Miniatuurtje XCIV: Máxima's tongknoper
Linguïstisch Miniatuurtje XCIV: Máxima's tongknoper
"Prinses Máxima kan de boektitel Pluk van de Petteflet nog
steeds nauwelijks uitspreken. Dat soort dingen laten haar merken dat
zij een nieuwkomer is in Nederland." Dit bericht stond de vorige maand
in Dagblad de Limburger, en het werd gretig overgenomen door onder
andere het Algemeen Dagblad, de nieuwsrubriek van Onze Taal, Van Dale's
Taalweb, en nog tientallen andere nieuwssites.
Zo'n berichtje toont twee dingen aan: journalisten denken niet na, en
Nederlandse taalkundigen, met name de fonologen, zitten met zijn allen
te slapen. Want wat staat daar eigenlijk voor onzin? Wie 'Pluk van de
Petteflet' niet kan uitspreken spreekt niet goed Nederlands? Het
Nederlands is een taal die zich kenmerkt door onuitsprekelijke frasen
als deze boektitel? Kijk, dat Máxima zo'n opmerking maakt zal
ieder haar graag vergeven. Maar zet dat dan even recht en bazel niet
alles kritiekloos na.
Op het gevaar af dat ik een open deur intrap zal ik het toch maar even
uitleggen: 'Pluk van de Petteflet' is een, door Annie M.G. Schmidt
bewust geconstrueerde "tongbreker", een titel waar je in de
uitspraak makkelijk over struikelt. En of je nou Nederlandse bent of
Argentijnse, tongbrekers blijven moeilijk. Sterker nog: het zou van een
onnatuurlijke uitspraakvaardigheid getuigen als iemand hier geen moeite
mee zou hebben. Computers onderscheiden zich niet door grote
natuurlijkheid, maar ze spreken tongbrekers zonder haperen uit.
Kent het Nederlands meer tongbrekers dan andere talen? Natuurlijk niet.
Kijk op de internationale verzamelingen op het internet en je ziet dat
het aantal "tongue twisters" in het Engels vele malen groter is. Is het
Engels dan zo'n moeilijke taal? Ook al niet. Er zijn veel meer sprekers
van het Engels, dus ook meer taalhobbyisten die de tongue twisters in
elkaar kunnen knutselen.
Waarom vind ik dan dat de Nederlandse fonologen hebben zitten slapen?
Hier was nou eens een prachtgelegenheid om het vak te populariseren.
Voor ieder wissewasje worden in de media deskundigen van stal gehaald,
maar bij deze kwestie zagen we geen Zonneveld of Gussenhoven opdraven.
Waarom niet? Heeft de fonologie niets interessants te melden over
tongbrekers? Is daar nooit onderzoek naar gedaan? Dat wordt dan eens
hoog tijd.
Wat maakt een tongbreker tot een tongbreker? De amateurverzamelingen
die je links en rechts aantreft staan vol met woordspelletjes (over
vliegen en zagen) die helemaal niet zo moeilijk uitspreekbaar zijn, en
dus onmiddellijk door de mand vallen. Deze wildgroei zou eens een halt
moeten worden toegeroepen. Waarom bestaat er geen fonologisch keurmerk
voor de tongbreker?
Het lijkt me trouwens wel een interessant onderwerp. Ik ben geen
fonoloog, maar het lijkt me dat er binnen de fonologie en fonetiek
onderzoek moet zijn gedaan naar tongbrekers, of in elk geval in bredere
zin (psycholinguïstisch) onderzoek naar versprekingen. Op basis
daarvan moet het mogelijk zijn om tongbrekers te ordenen naar
moeilijkheidsgraad. Hoe scoort 'Pluk van de Petteflet' op die schaal?
Kun je tongbrekers verbeteren? Het bekende 'De meid snijdt zeven scheve
sneden brood' wordt in mijn ervaring een stuk moeilijker uitspreekbaar
als je het woord 'zeven' weglaat: 'De meid snijdt scheve sneden brood'.
Blijkbaar wordt de neiging om bij 'snijdt' te anticiperen op 'scheve'
een stuk groter als het dichterbij staat. En wat is de attractiviteit
van de variant 'De knecht snijdt recht en de meid snijdt scheef'? Is
dat semantic priming, omdat het woord 'recht' zijn antoniem
'scheef' al in de week legt? Kijk, daar zou ik nou wel eens een
workshop aan gewijd willen zien.
Sommige tongbrekers zijn lang, andere zijn verbluffend kort. De meeste
korte moet je een aantal keren herhalen. Kunnen we de lange tongbrekers
droogkoken tot een bepaalde lengte, eventueel met de eis tot herhaling?
Kun je ze op basis van die reductie classificeren in een beperkt aantal
categorieën?
En dan nog iets: al die mooie Engelse tongue twisters, kan iemand die
niet eens fatsoenlijk vertalen naar modern Nederlands? Het lijkt wel
alsof wij met onze tongbrekers in de negentiende eeuw zijn blijven
steken met de koetsier die de postkoets met postkoetspoets poetst,
knappe kappers die knippen en kappen, de meid die brood snijdt, en het
plak bakbloedworst dat ongetwijfeld niet meer aan de Europese
richtlijnen voor voedingsmiddelen voldoet. En ik vrees dat de flinke
vlugge vissen die Frits vangt inmiddels door het vervuilde rivierwater
ook grotendeels het loodje hebben moeten leggen. Tijd dus voor
modernisering van onze tongbrekers. En als we daar toch mee bezig zijn:
ik stel voor om het woord 'tongbreker' in te ruilen voor het
Zuid-Afrikaanse 'tongknoper', dat ik een stuk beter vind.
Ik zie het al helemaal voor me: een met Europese subsidie gefinancierd
reddingsproject voor het wegkwijnende culturele erfgoed van de
Oud-Hollandse tongknoper, bestaande uit fundamenteel postdoconderzoek
naar de kenmerkende eigenschappen en de mogelijkheden tot ordening naar
moeilijkheidsgraad. Een AiO om de taalafhankelijkheid van tongknopers
te onderzoeken, en een Raad voor de Tongknoper die nieuwe gevallen
beoordeelt. Een paar spraaktechnologen om een voorleesmachine te
ontwikkelen die wél moeite heeft met tongknopers, en een
commissie die een jaarlijkse tongknoopcompetitie op de middelbare
scholen voorbereidt.
Dat laatste moet dan ingevuld worden met een zomers "tongknoopkamp",
waar je alleen toegelaten wordt als je het vijf keer snel achter elkaar
kunt uitspreken. De beste tongknoperarticulatoren strijden in de herfst
om de tongknoopcup (of de Pluk van de Pettefletplaquette) die
uitgereikt wordt door Prinses Máxima op het Taalgala. Krijgt dat
ook meteen wat meer media-aandacht.
Peter-Arno Coppen
|