|
Sym: 0309.11
Date: Fri, 23 May 2003 13:08:28 +0100
From: J.A. van Leuvensteijn <ja.van.leuvensteijn@let.vu.nl>
Subject: Sym: 0309.11: Symposium 'Taalvariatie en groepsidentiteit' op do 23 oktober 2003 te Amsterdam (inschrijvingstermijn verruimd tot 15 oktober)
Symposium 'Taalvariatie en groepsidentiteit'
Ter gelegenheid van het zeventiende lustrum van de studierichting
Nederlands aan de VU te Amsterdam organiseert de VU-onderzoeksgroep
'Taal en identiteit' in samenwerking met Taal en Tongval,
tijdschrift voor taalvariatie een symposium onder de titel
TAALVARIATIE EN GROEPSIDENTITEIT
donderdag 23 oktober 2003
Tijd: 10.00 uur tot 17.00 uur
Plaats: Agorazaal 1, VU-hoofdgebouw, derde etage, De Boelelaan
1105, 1081 HV Amsterdam
Programma
| |
| |
10.00 |
|
Ontvangst met koffie of thee |
|
| |
10.30-10.45 |
|
Opening namens de Opleiding Nederlandse
taal en cultuur door Prof.dr. Th.A.J.M. Janssen |
|
| |
10.45-11.20 |
|
Prof.dr. W.Th.M. Frijhoff: Hoe talig is
groepsidentiteit? Reflecties vanuit de geschiedenis. |
|
| |
11.20-11.55 |
|
Prof.dr. P.Th. van Reenen & dr. M.
Rem: Groepsidentiteit en taal in de veertiende eeuw. |
|
| |
11.55-12.30 |
|
Drs. G. Dupont: Naamgeving in marginale
milieus in de late Middeleeuwen. |
|
| |
12.30-13.45 |
|
LUNCH voor eigen rekening in de
mensa |
|
| |
13.45-14.20 |
|
Dr. J. Noordegraaf: Taal en volk bij
Lambert ten Kate. |
|
| |
14.20-14.55 |
|
Dr. A.C. Marynissen: Limburgers worden
Nederlanders. Over de vernederlandsing van het zuidoosten van
Nederlands Limburg (1789-1935). |
|
| |
14.55-15.30 |
|
Dr. R. van Bezooijen: De Gooise r:
wie ziet er wat in en waarom? |
|
| |
15.30-15.50 |
|
Sluiting namens de redactie van Taal
en Tongval door prof.dr. R.W.N.M. van Hout. |
|
| |
15.50-17.00 |
|
BORREL aangeboden door de opleiding
Nederlands |
|
| |
|
Hoe bereik ik het VU-gebouw?
Openbare parkeerruimte is rondom de VU aanwezig, maar tamelijk
duur. Vanaf de stations Amsterdam-CS en Amsterdam-Amstel rijdt sneltram
51 rechtstreeks naar de VU. Vanaf de stations Amsterdam-Sloterdijk en
Amsterdam-Bijlmer is de universiteit te bereiken met sneltram 50 via
een overstap op station Amsterdam-Zuid/WTC op de (snel)trams 51 en 5. U
kunt vanaf Amsterdam-Zuid/WTC ook in tien minuten naar de VU lopen.
Aanmelding
U kunt zich aanmelden door de onderstaande strook in te vullen
en voor 15 oktober (en dus niet voor 1 oktober, zoals eerder
vermeld in Neder-L 0305.32) op te sturen naar:
Prof. dr. J.A. van Leuvensteijn,
Vrije Universiteit, Faculteit der Letteren,
De Boelelaan 1105,
NL - 1081 HV Amsterdam.
------------------------------------
Aanmeldingsformulier
TAALVARIATIE EN GROEPSIDENTITEIT
Donderdag 23 oktober 2003
Naam:
Adres:
Plaats: Land:
Handtekening:
------------------------------------
KORTE TYPERING VAN DE LEZINGEN
Willem Frijhoff: Hoe talig is groepsidentiteit? Reflecties vanuit de
geschiedenis.
Groepsidentiteit heeft een dubbele en tevens dubbelzinnige
verhouding met taal. Ze heeft taal nodig om te worden verwoord, ze is
narratief van aard. Taal (of het nu om beeldtaal of verbale taal gaat)
is echter niet alleen een instrument, maar ook een component van het
identiteitsvormingsproces. Zeker in het omgaan met verbale taal
herkennen mensen zich als een gelijkgerichte groep, taal helpt de groep
gestalte te geven. Maar taal zit de groep soms ook in de weg. Taaltrots
is niet vanzelfsprekend, en niet elke groep is ééntalig.
Talen, dialecten, idiomen, tongvallen: ze beconcurreren elkaar en
leiden binnen het persoonlijke en het collectieve leven een gelaagd en
meervoudig bestaan. Er zijn functionele en symbolische rangordes in
vormen van taalgebruik, zoals vormen van persoonlijke en collectieve
identiteit ook steeds gelaagd of getrapt zijn en elkaar overlappen. De
vraag is of die parallellie erop duidt dat taal een wezenlijke
component van identiteit is, en dat de keus voor deze of gene taal ook
de identiteit vormt dan wel aantast.
Ik zal over deze vragen reflecteren aan de hand van enkele
voorbeelden uit mijn eigen onderzoek naar vroegmoderne gemeenschappen
aan beide zijden van de Atlantische Oceaan.
Pieter van Reenen en Margit Rem: Groepsidentiteit en Taal in de 14de
eeuw.
Uit de hypothese dat wij graag praten als de groep waartoe wij
behoren of willen behoren, en liever wat anders praten dan de groep
waartoe wij niet willen behoren, volgt, dat taal en groepsidentiteit
met elkaar samenhangen: hoe meer taalvariëteiten op elkaar lijken,
hoe sterker de groepsidentiteit van de sprekers. Het omgekeerde geldt
ook: Vlamingen willen zich onderscheiden van Nederlanders en
Nederlanders van Vlamingen, waardoor de taalvariëteiten
verschillend blijven.
Variëteiten van het 14de-eeuws Middelnederlands worden wel als
supraregionaal aangeduid. Het zou dan gaan om taalgebruik waarbij niet
valt vast te stellen uit welke plaats binnen een regio dan wel uit
welke regio het afkomstig is. Zijn er inderdaad in de 14de eeuw al
ontwikkelingen waar te nemen waaruit blijkt dat taalvariëteiten
naar elkaar toegroeien of juist van elkaar weg? Of dat een
taalvariëteit gaat domineren?
Bij het beantwoorden van zulke vragen moet er rekening mee worden
gehouden dat het supraregionale karakter van taalvariëteiten
schijn kan zijn, en het gevolg is van de toevallige menging van twee
dialecten. Een belangrijk probleem voor dit type onderzoek is dat
vastgesteld moet worden of het onderzochte taalgebruik zijn
eigenschappen niet te danken heeft aan factoren die niets met het naar
elkaar toegroeien van taal te maken hebben.
Guy Dupont: Naamgeving in marginale milieus in de late
Middeleeuwen.
Historisch en naamkundig onderzoek op basis van juridische
praktijkbronnen en administratieve bronnen uit de late Middeleeuwen
(14de - 16de eeuw) wijst uit, dat de naamgeving in bepaalde marginale
milieus, zoals dat van de prostitutie of dat van de professionele
misdaad, specifieke en afwijkende kenmerken vertoont. De fixatie van de
toenamen, bijvoorbeeld, waarvan algemeen wordt aangenomen, dat die in
Vlaanderen al in de veertiende eeuw was voltooid, blijkt nog geen of
weinig ingang te hebben gevonden in de genoemde milieus. Niet-erfelijke
bijnamen, gebaseerd op individuele kenmerken als fysiek voorkomen,
herkomst of persoonlijke vaardigheden, zijn daarentegen een frequent
verschijnsel in die milieus. Niet toevallig gaat het om sociale groepen
met als typische kenmerken een hoge graad van geografische mobiliteit
en een lage graad van sociale integratie. Ook in de voornaamgeving is
die invloed van het (marginale) socio-professionele milieu soms
merkbaar.
In de lezing wordt de stelling verdedigd, dat naamgeving en de
manipulatie ervan in bepaalde marginale groepen een essentieel element
van de groepscultuur vormde. Het archivalisch bronnenmateriaal waarop
de lezing steunt, heeft voornamelijk betrekking op de Vlaamse steden
Brugge en Kortrijk in de periode van het einde van de veertiende eeuw
tot het midden van de zestiende eeuw.
Jan Noordegraaf: Taal en volk bij Lambert ten Kate.
In zijn Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der
Nederduitsche sprake, het omvangrijke tweedelige werk dat de
Amsterdammer Lambert ten Kate (1674-1731) in de jaren 1711-1723
samenstelde, vinden we niet alleen zorgvuldig verantwoorde
methodologische uitspraken en talrijke interessante bevindingen inzake
taalvariatie en taalverandering. In zijn meer beschouwelijke momenten
gaat Ten Kate ook in op de oorsprongskwestie en op de verspreiding van
talen en volkeren. Hoe ziet hij nu de relatie tussen taal en volk en is
de Nederlandse taal volgens hem de adequate uitdrukking van het
Nederlandse volk c.q. de Nederlandse identiteit? Aan de hand van Ten
Kates taaltypologie en zijn meest zeventiende-eeuwse taal- en
geschiedkundige bronnen zal ik zijn kijk op de zaak nader belichten.
Ann Marynissen: Limburgers worden Nederlanders. Over de
vernederlandsing van het zuidoosten van Nederlands Limburg
(1789-1935).
De nu eentalige Nederlandse provincie Limburg, een gebied met een
bewogen politieke geschiedenis, was in de 19de eeuw een taalgemengd
gebied, waarin het Nederlands, het Frans en het Duits met elkaar
concurreerden.
Het Frans verwierf in de 19de eeuw een stevige positie in de westelijke
helft van de provincie, met als exponent de stad Maastricht. Minder
bekend is dat ook het Duits er als cultuurtaal heeft gefunctioneerd.
Meer bepaald had het Duits in het zuidoosten van Nederlands Limburg,
dat in economisch en socio-cultureel opzicht op het aangrenzende
Rijnland was gericht, tot diep in de 19de eeuw in een aantal domeinen
van het maatschappelijk leven een bevoorrechte status, naast het
Nederlands. Pas in het begin van de 20ste eeuw, bijna een eeuw nadat
Limburg definitief in het Nederlandse staatsverband was opgenomen, kwam
er definitief een einde aan deze diglossische taalsituatie.
In deze bijdrage schets ik ten eerste hoe het Duits in Limburg
geografisch, chronologisch en maatschappelijk steeds verder werd
teruggedrongen, om uiteindelijk volledig te worden vervangen door het
Nederlands. Ten tweede belicht ik de relatie tussen dit
taalvervangingproces en de moeizame integratie van de Limburgers in de
Nederlandse staat, i.c. de moeizame vorming van de Nederlandse
identiteit in 's lands zuidelijkste provincie.
Renée van Bezooijen: De Gooise r: wie ziet er wat in en
waarom?
De Gooise r is een betrekkelijk nieuwe variant van de
r die zich in een razend tempo in het Standaardnederlands lijkt
te verspreiden. De vraag is: waarom? Wat maakt de Gooise r zo
aantrekkelijk? En voor wie? Wordt hij met jonge vrouwen uit de Randstad
geassocieerd of is hij sociaal-geografisch neutraal? Dit soort vragen
vormden het uitgangspunt voor een luister-onderzoek onder kinderen en
volwassenen op vier plaatsen in Nederland: Leeuwarden, Geleen,
Hilversum en Nijmegen. De luisteraars horen dezelfde tekst de ene keer
uitgesproken met een Gooise r, de andere keer met een
tongpunt-r of huig-r. Hun worden vragen gesteld als: Zou
u zelf zo willen praten? Waar denkt u dat de spreker vandaan komt? Hoe
oud denkt u dat de spreker is? In mijn lezing zal ik de achtergronden
en resultaten van het onderzoek nader toelichten.
|