0311.11 Terug
Vooruit 0311.13

Rea: 0311.12

Date: Thu, 13 Nov 2003 11:16:55 +0000
From: Jan Noordegraaf <j.noordegraaf@let.vu.nl>
Subject: Rea: 0311.12: Jan Noordegraaf: "Doctrinaire bedillers": een postscriptum (bij Linguïstisch Miniatuurtje XCV, Neder-L 0309.12)

"Doctrinaire bedillers": een postscriptum

In zijn 'Linguïstisch Miniatuurtje XCV' over "doctrinaire bedillers" (Neder-L 0309.12, http://www.neder-l.nl/bulletin/2003/09/030912.html) ontrukt Peter-Arno Coppen "een onbetaalbare anekdote" aan de vergetelheid. Hij citeert uit de eerste druk van deel één van Den Hertogs Nederlandsche Spraakkunst (1892) een voetnoot, die verhaalt dat toen
een tiental jaren geleden voor het eerst in de Kalverstraat te Amsterdam een bordje met: Men wordt verzocht rechts te houden werd aangeslagen, Prof. Verdam tusschenbeiden [moest] komen, om het lijdend gebruik van verzoeken in den zin van uitnoodigen tegen doctrinaire bedillers te verdedigen (Den Hertog 1892: 62).
Deze noot is in de derde, door H. Hulshof bewerkte druk uit 1972 gesneuveld. Het is dan ook terecht dat Coppen deze neerlandistische aardigheid - een Amsterdamse taalprofessor die in de Kalverstraat twistende neringdoenden en taalbedillers weet te scheiden - aan de vergetelheid ontrukt. Maar het is misschien ook instructief om erbij te vertellen dat het niet C.H. den Hertog (1846-1902) is geweest die deze anekdote voor het eerst in een vakpublicatie neerlegde. Het zit namelijk zo.

Belangrijke gedeelten van de "beroemde grammatica van Den Hertog uit 1892" (Coppen), te weten de driedelige Nederlandsche Spraakkunst (1892-1896), waren al gepubliceerd in Noord en Zuid, het taalkundig tijdschrift "voor de beide Nederlanden"; in de periode 1889-1894 was Den Hertog mede-redacteur van dat blad. In de loop van 1892 bewerkte hij deze grammaticale voorstudies tot de eerste twee 'stukken' van zijn spraakkunst. Toen hij daarbij oude afleveringen van Noord en Zuid doorbladerde, kwam hij een artikel tegen dat de titel droeg "Men wordt verzocht". Dat artikel opent met de volgende alinea:

Toen het gemeentebestuur van Amsterdam voor een paar jaar aan de hoeken der drukste straten bordjes liet plaatsen met het opschrift: "Men wordt verzocht, rechts te houden" gaf de redactie van een der meest gelezen dagbladen in overweging, die bordjes niet te plaatsen, voordat de grove taalfout, waarmede het opschrift begon, daaruit verdwenen was. De zin werd toen door prof. Verdam in bescherming genomen en thans "houdt" ieder Amsterdammer, die de Kalverstraat doorgaat "rechts", zoodat ieder zeker den inhoud van het opschrift begrepen en het nut van den maatregel ingezien heeft. Toch werd er niets aan de bordjes veranderd (Noord en Zuid 7 [1884]: 371).

Den Hertogs eigen bon mot, de compacte voetnoot uit 1892, neemt tegen deze achtergrond wat aardser contouren aan. Die "doctrinaire bedillers" waren gewoon Amsterdamse journalisten die op school nog ouderwets grammatica hadden geleerd, en Jakob Verdam (1845-1919), medioneerlandicus maar altijd geïnteresseerd in contemporaine taalzaken, zal in een ingezonden stuk het goed recht van taalverandering hebben verdedigd. "Na dien tijd werd 'men wordt verzocht' meer dan eenmaal afgekeurd, onderzocht en weder goedgekeurd", aldus onze zegsman anno 1884 in Noord en Zuid.

De gewraakte constructie was namelijk al eerder in Noord en Zuid aan de orde geweest. Niemand minder dan de later zo bekende spellingvereenvoudiger R.A. Kollewijn (1857-1942) had er na omstandige historische argumentatie de zin men wordt verzocht hier niet te rooken "onberispelijk" genoemd (N&Z 7: 216). En de auteur van het eerder aangehaalde stuk tenslotte deed een heldere voorspelling: waarschijnlijk was de tijd niet ver meer dat uitdrukkingen als ik werd verzocht, niet te rooken of wij werden verzocht den dag daar verder door te brengen "even goed verstaan en begrepen zullen worden als thans Men wordt verzocht" (N&Z 7: 374). Soms zien vakgenoten heel goed waar het Nederlands naartoe gaat.

Literatuur

  • Sabrina Corbelinni & Karina van Dalen, "Een gelukkig mensch. Jakob Verdam (1845-1919)".
  • Der vaderen boek. Beoefenaren van de studie der Middelnederlandse letterkunde. Studies voor Frits van Oostrom ter gelegenheid van diens vijftigste verjaardag. Onder redactie van Wim van Anrooij, Dini Hogenelst & Geert Warnar. Amsterdam: AUP 2003, 105-120.
  • G. Lzg. (= R.A. Kollewijn), ["Men wordt verzocht hier niet te rooken"]. Noord en Zuid 7 (1884), 215-216.
  • C.H. den Hertog, Nederlandsche Spraakkunst. Eerste stuk. Amsterdam 1892.
  • S., "Men wordt verzocht". Noord en Zuid 7 (1884), 371-374.
Jan Noordegraaf


# Date: Sat, 15 Nov 2003 11:41:31 +0100
# From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>

NASCHRIFT

Alhoewel ik uiteraard teleurgesteld ben dat mijn romantische beeld van professor Verdam die met wapperende toga en trillende snorharen de woedende volksoploop van doctrinaire bedillers uiteenjoeg, moet ik bij nadere reflectie vaststellen dat Jan Noordegraafs aanvulling de zaak alleen maar spectaculairder maakt.

De datering van het voorval (omstreeks 1882) en de vermoedelijke ingezonden brief van Verdam (wie speurt die eens op?) wordt in het artikel uit Noord en Zuid bevestigd (in 1884 "voor een paar jaar"). Een terloopse opmerking van Noordegraaf maakt het echter interessanter. Hij veronderstelt: "Die 'doctrinaire bedillers' waren gewoon Amsterdamse journalisten die op school nog ouderwets grammatica hadden geleerd". Dat zal best, maar wanneer was die schooltijd dan? Een jaar of tien eerder? Was er toen al controverse over de constructie "Men wordt verzocht"? Maar is er dan ooit wel een tijd geweest waarin er géén onenigheid bestond over die constructie? Of is de zin "hebban olla vogala nestas hagunnan" oorspronkelijk iets geweest als "olla vogala wairthand ersokiths nestas hagunnan", en heeft iemand dat zonodig moeten corrigeren?

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer]