0401.10 Terug
Vooruit 0401.12

Rec: 0401.11

Date: Mon, 12 Jan 2004 22:07:12 +0100
From: Jeroen Jansen via P.J. Verkruijsse <p.j.verkruijsse@uva.nl>
Subject: Rec: 0401.11: Recensie door Jeroen Jansen van: Symon Andriessoon. Duytsche Adagia ofte Spreecwoorden. Antwerp, Heynrick Alssens, 1550. In facsimile. (Hilversum, 2003)

Recensie

Symon Andriessoon. Duytsche Adagia ofte Spreecwoorden. Antwerp, Heynrick Alssens, 1550. In facsimile, transcription of the Dutch text and English translation. Edited by Mark A. Meadow and Anneke C.G. Fleurkens. With two introductory texts by S.A.C. Dudok van Heel and Herman Roodenburg. Hilversum, Verloren, 2003. 334 pp., gebonden, geïllustreerd, ISBN 90-6550-720-5, EUR 25,00.
'Dat is geen spek naar zijn bek', luidt een bekend Nederlands gezegde. Weinigen zullen weten dat deze uitdrukking al in 1550 werd opgetekend, en wel in de 'Duytsche adagia ofte spreeckwoorden' van Symon Andriessoon. Ook al omdat deze bundel de enige verzameling van Nederlandstalige spreekwoorden, gezegden en uitdrukkingen is die in de zestiende eeuw werd gedrukt, mag een moderne teksteditie als een lang gekoesterde wens worden beschouwd. Het opnemen van een facsimile van de oude druk in deze uitgave mag hierbij als een waardevolle toevoeging worden beschouwd.

Andriessoons 'Duytsche adagia ofte spreeckwoorden', die in 1550 door de Antwerpse boekdrukker Henrick Alssens werden uitgegeven, bieden een prachtig inzicht in de Nederlandse taal, geschiedenis en cultuur uit het midden van de zestiende eeuw. De spreekwoorden zijn soms uitermate helder en thans nog in gebruik ('willige paarden behoeven geen sporen', 'een hondsvot', 'de huik naar de wind hangen', 'niet een steek zien' etc.). Meestal legt Andriessoon de betekenis van de spreuk uit: ''t Is een krakende wagen. Dat is een die veeltijds ziek is'). Een dienstig commentaar van Fleurkens geeft veelal opheldering waar het oude Nederlands lastig is, maar schiet soms tekort: 'Den pharisee maken. Dat sijn die ghene die hem beveynst connen houden' (p. 186): wat 'beveynst' betekent, blijft raadselachtig. De lezer vindt in de Engelse vertaling een interpretatie: 'These are those who can pretend'.

In de inleidende besprekingen werden keuzes gemaakt en is er over de auteur, spreekwoordengeschiedenis en de lotgevallen van het gebruikte exemplaar voor ieder wat wils. Weinig aandacht wordt echter besteed aan de poëticale betekenis van spreekwoorden als een literair genre, aan de bijdrage die deze spreekwoorden en Andriessoons uitleg erbij leveren aan de Nederlandse taal. Ook vinden we nagenoeg niets over de waarde van deze zestiende-eeuwse bundel bij de vorming en het gebruik van Nederlandse spreekwoorden in latere eeuwen. Dat is toch jammer voor een boek van 334 bladzijden waarin de 730 spreekwoorden zelf en het commentaar hierbij niet veel meer dan 100 pagina's uitmaken. De omvang van het geheel heeft veel te maken met de internationale pretenties van de uitgave, waardoor er naast een facsimile van de oude druk en de Nederlandse transcriptie ook een Engelse vertaling noodzakelijk was.

Onder de inleidende beschouwingen, uiteraard eveneens in het Engels, is een nuttige uiteenzetting over de auteur Symon Andriessoon, een Amsterdamse schoolmeester en notaris, door S.A.C. Dudok van Heel. Diens archiefonderzoek heeft deze Symon een gezicht gegeven, hoewel de zeven pagina's genealogische details in appendix 2 voor veel lezers iets teveel van het goede zullen zijn. Tussen de inleidende beschouwingen is er ook een van amper vier pagina's over `Historical proverb scholarship in Flanders and the Netherlands' door Herman Roodenburg, waarvan mij de functie voor een teksteditie als deze een beetje ontgaat. Het inleidende hoofdstuk van Anneke Fleurkens, die ook de Nederlandse transcriptie voor haar rekening heeft genomen, beschrijft het gebruikte exemplaar van de bundel en behandelt tamelijk uitvoerig de provenance hiervan (achttiende, negentiende, twintigste eeuw). Het is in dat kader toch tamelijk bizar dat de huidige bezitter en verblijfplaats van het boekje ongenoemd blijven, zodat we eigenlijk niet weten om welk exemplaar het nu precies gaat. Het pièce de résistance van de inleiding wordt gevormd door een hoofdstuk van Mark Meadow over zestiende-eeuwse spreekwoorden en hun verzamelingen, een bijdrage waarin de cultuurhistorische setting nog het meest wordt verhelderd. Dit hoofdstuk geeft belangwekkende informatie maar is in hoge mate gebaseerd op en deels identiek aan zijn artikel 'Volkscultuur of humanistencultuur' in het Volkskundig Bulletin 19 (1993), p. 208-240. Aangezien Meadow dit niet vermeldt, blijft de lezer met de prangende vraag achter waarom de gebruikte studies niet verder dan 1993 reiken terwijl het in juist dit hoofdstuk toch voor de hand had gelegen naar recentere literatuur te verwijzen en hier ook de vruchten van te plukken.

Na deze inleidende hoofdstukken volgen in ca. 300 pagina's de Engelse vertaling, de Nederlandse transcriptie en de facsimile. Deze volgorde is voor Nederlandstalige lezers verwarrend en lijkt een miskenning voor de Nederlandse taal en de oorspronkelijke bron. In de commentaar bij de Engelse (geannoteerde) vertaling wordt als referentie terecht verwezen naar het handschrift 'Adagia ofte spreeckwoorde' van R. Gheurtz uit 1552 en naar Johannes Sartorius' 'Adagia' (hoewel het dan weer minder duidelijk is waarom de uitgave 1670 en niet die uit 1561 is gebruikt).

Een positief element in deze editie zijn de index bij de Engelse vertaling en die bij de Nederlandse transcriptie. Al met al mag het publiceren van deze uiterst zeldzame en belangwekkende spreekwoordenverzameling in facsimile met gejuich worden begroet, ook al is de omlijsting misschien niet op alle punten even gelukkig (met name het taalkundige element wordt gemist). Wanneer men deze uitgave van achter naar voren leest (dus te beginnen met de facsimile en de Nederlandse transcriptie en met de inleidende hoofdstukken als toelichting) is men wellicht toch het beste af.

Jeroen Jansen


[Dit nummer]