|
Col: 0401.12
Date: Sat, 03 Jan 2004 13:12:12 +0100
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 0401.12: Linguïstisch Miniatuurtje XCVI: Over de uitslag kan niet worden gecorrespondeerd
Linguïstisch Miniatuurtje XCVI: Over de uitslag kan niet worden gecorrespondeerd
"Zeg, mag ik jou eens iets vragen?"
"Natuurlijk."
"Jij bent toch een beetje thuis in de grammatica, nietwaar?"
"Ehh, ja."
"Heb jij in december naar het dictee gekeken?"
"Ja."
"Ik kom daar niet helemaal uit."
"Waar gaat het over?"
"Nou, ik zit nog na te peinzen over zin 8."
"Wat was zin 8 ook al weer?"
"Dat was die zin met inmiddels word-met-dt je door een
bijdehante havo-leerling toegesnauwd dat hij een zonovergoten
pinksterdag verbeidt."
"O ja, wat was daar het probleem?"
"Nou, ik zie niet waarom je word met dt zou moeten
schrijven."
"Maar dat is toch heel eenvoudig?"
"Leg eens uit dan."
"Wel, het gaat om een constructie met het werkwoord
toesnauwen, niet?"
"Ja."
"Dat is hier iemand iets toesnauwen."
"OK."
"Nou, daar is iets het lijdend voorwerp, akkoord?"
"Ja."
"Goed. In de lijdende vorm, wordt toegesnauwd, wordt het
lijdend voorwerp het onderwerp, en dat komt in getal overeen met de
persoonsvorm. Dat wordt dus iets wordt iemand toegesnauwd. Mee
eens?"
"Ja."
"In de dicteezin neemt dat iets de vorm aan van een bijzin:
dat hij een zonovergoten pinksterdag verbeidt. Bijzinnen zijn
derde persoon enkelvoud, dus de persoonsvorm wordt is ook derde
persoon enkelvoud. Dus dt. Snap je?"
"Jaja. Maar wat is die iemand dan?"
"Dat is het meewerkend voorwerp."
"Waarom is dat het meewerkend voorwerp?"
"Hoezo, waarom is dat het meewerkend voorwerp?"
"Daar moet je toch altijd aan, voor of bij bij
kunnen zetten?"
"Niet altijd."
"Wanneer niet dan?"
"Nou hier bijvoorbeeld."
"Maar hoe kun je hier dan zien dat het meewerkend voorwerp is?"
"Het meewerkend voorwerp is diegene of datgene waar de handeling op
gericht is. Hier gaat het om iets snauwen dat gericht is op een
persoon. Die persoon is die iemand."
"Aha, het is dus een betekeniskwestie."
"Ehh, ja."
"Maar als je nou dat iets weglaat?"
"Ja?"
"Dan krijg je iemand toesnauwen. Wat is iemand dan?"
"Ehmm, dan is het lijdend voorwerp."
"Waarom?"
"Dan krijg je bij de lijdende vorm bijvoorbeeld ik word
toegesnauwd."
"Wacht even, nou ben je me kwijt."
"Hoezo?"
"In iemand iets toesnauwen is iemand meewerkend
voorwerp vanwege een betekeniskwestie, en in iemand toesnauwen
is die betekeniskwestie ineens onbelangrijk geworden en noem je
iemand lijdend voorwerp omdat het in de lijdende vorm onderwerp
wordt."
"Ja dat is wel een beetje gek. Maar het lijkt me toch
overduidelijk."
"Hoe bedoel je?"
"In iemand iets toesnauwen heb je twee voorwerpen. Er is
geen twijfel over mogelijk dat iets het lijdend voorwerp is. Dus
moet iemand meewerkend voorwerp zijn."
"Nou ga je me weer iets te snel. Ik snap wel dat je het zo
kunt zien, maar ik zie niet in waarom dat zo
moet. Waarom kan iemand niet lijdend voorwerp zijn
en iets een of ander andersoortig voorwerp?"
"Zoals?"
"Weet ik veel. Voorzetselvoorwerp, oorzakelijk voorwerp, you
tell me."
"Ja zo kan ik het ook. Dat moet je dan wel even nader
beargumenteren."
"Wacht even, maar het ging er toch om dat jij geen argumenten kon
verzinnen waarom iemand per se meewerkend voorwerp moest zijn?"
"Ik dacht dat ik dat wel gedaan had, anders."
"Nee dat had je niet. Jij zei dat iemand meewerkend voorwerp
was omdat het de persoon was waar de handeling op gericht was. Toen ik
daarop voorstelde om iets weg te laten vond je ineens dat
iemand dan wél lijdend voorwerp kon zijn."
"Ja maar dan is er dus sprake van twee werkwoorden
toesnauwen."
"Huh?"
"In iemand iets toesnauwen gaat het erom, dat je iets met
een snauw in de richting van iemand uitspreekt. Bij iemand
toesnauwen is die iemand juist een persoon die het snauwen
ondergaat. Dus lijdend voorwerp."
"..."
"Snap je?"
"Vind je dat zelf nou ook niet een beetje geforceerd?"
"Nee, waarom?"
"Is het niet eigenlijk hetzelfde verhaal als met men wordt
verzocht niet te roken?"
"Hoezo?"
"Het is iemand iets verzoeken, met twee voorwerpen dus,
iets en iemand, en in de lijdende vorm kun je kiezen wat
het onderwerp wordt."
"Ja maar, dat is een taalverandering die zich aan het voltrekken
is."
"O is dat zo?"
"Dat is de gangbare opvatting onder taalkundigen."
"Maar ik las laatst dat dat al meer dan honderd jaar de gangbare
opvatting is, dat die taalverandering zich aan het voltrekken is. Dat
gaat dan wel erg langzaam, vind je niet? Hoeveel generaties zijn er wel
niet nodig voor zo'n verandering?"
"Het lijkt me overigens ook niet echt hetzelfde."
"Leg eens uit."
"Nou, bij iemand iets verzoeken kun je argumenteren dat
iets oorzakelijk voorwerp is omdat het gaat om een verzoek
tot iets. Daar zit dus een verborgen voorzetsel."
"Ja, maar in die constructie heb je ook een argument om
iemand juist wel meewerpend voorwerp te noemen."
"O?"
"Ja, want het is niet alleen een verzoek tot iets maar ook
een verzoek aan iemand. Daar heb je dus je aan."
"Wat wil je hiermee zeggen?"
"Bij iemand iets verzoeken kun je redelijke argumenten
aandragen dat iemand meewerkend voorwerp is, en toch vinden
taalkundigen het acceptabel om dat als onderwerp in de lijdende vorm te
krijgen. Bij iemand iets toesnauwen kun je niet eens een
fatsoenlijk argument bedenken om iemand meewerkend voorwerp te
noemen, terwijl dat de enige reden zou kunnen zijn om het in de
lijdende vorm niet als onderwerp te accepteren. En dat zou dan
nog niet eens een geldige reden zijn."
"Jaja."
"Iets anders. Jij bent geloof ik een generativist, niet?"
"Een wat?"
"Een aanhanger van de moderne grammatica, die aanneemt dat zinnen
zijn afgeleid uit abstractere structuren."
"Ja OK."
"Wat vind je dan van het werkwoord iemand toejuichen?"
"Wat is daarmee?"
"Is daar niet een soort lijdend voorwerp juich
geïncorporeerd in het werkwoord, en het oorspronkelijke meewerkend
voorwerp nu lijdend voorwerp geworden? Iets als naar iemand een
juichkreet uiten?"
"Ehh, ja zou kunnen. Maar wat zou dat?"
"Is dat niet bij toesnauwen hetzelfde?"
"Mmm, zou kunnen, maar het is toch anders."
"Hoe dan?"
"Bij iemand toejuichen heb je niet iemand iets
toejuichen, en dat heb je bij iemand iets toesnauwen nou net
wel."
"O ja?"
"Dacht ik wel ja."
"Maar wat is er mis met De atleten werden toegejuicht dat ze de
besten waren?"
"Ehh, ja kweenie. Klein sterretje? Vraagteken?"
"Maar daar heb je dan toch ook een extra bijzin? Wat is dat dan?"
"Ja, dat moet dan een of ander oorzakelijk voorwerp zijn,
whatever."
"Oorzakelijk voorwerp?"
"Ja, een soort instrumentalis of zo. Iemand toejuichen met
iets."
"Aha."
"Wat, aha?"
"Als je iemand kunt toejuichen met iets, dan kun je hem toch
ook toesnauwen met iets?"
"Ja?"
"En dan kun je toch ook worden toegesnauwd met iets?"
"Ja."
"En dan kun je toch ook worden toegesnauwd dat je moet
uitkijken?"
"Als je het zo bekijkt wel ja."
"Weet je wat ik denk?"
"Nee?"
"Ik denk dat jullie taalkundigen elkaar maar wat zitten nakletsen
met die halve analyses."
"Nou..."
"Man, het slaat toch helemaal nergens op?"
"Ja hoor es, nou ga je me toch een brug te ver. Ga nou nog eens
terug naar die oorspronkelijke zin: inmiddels word-met-dt je door
een bijdehante havo-leerling toegesnauwd dat hij een zonovergoten
pinksterdag verbeidt. Jij zou daar toch ook dat je liever
met jou dan met jij parafraseren?"
"Misschien wel."
"Nou dan!"
"Maar dan zeg ik nog eens: ik snap wel dat dat een mogelijke
lezing is, ik zie niet in waarom dat noodzakelijk is. Wat vind
jij bijvoorbeeld van de variant: inmiddels wordt men door een
bijdehante havo-leerling toegesnauwd dat hij een zonovergoten
pinksterdag verbeidt?"
"Vind ik niet geweldig."
"Niet geweldig?"
"Nee. Er wringt iets."
"Weet je wat ik denk?"
"Nou?"
"Het enige wat er wringt is jouw grammaticale analyse. Ik vind
bijvoorbeeld de parafrase met jou ook helemaal niet zo geweldig.
Misschien beter dan met jij, maar daar wringt volgens mij ook
wel iets: inmiddels wordt jou door een bijdehante havo-leerling
toegesnauwd dat hij een zonovergoten pinksterdag verbeidt."
"Tja, tja. Ik moet toegeven dat daar wel wat in zit. Er is geen
taalkundige reden om die zin met men uit te sluiten. Maar dat
betekent dat in de oorspronkelijke zin de spelling word niet
fout gerekend had mogen worden."
"Zie je? En daar kom ik dus niet uit."
"Hoezo?"
"Met betrekking tot de zinnen van het type men wordt verzocht
niet te roken roepen taalkundigen al meer dan honderd jaar dat er
geen bezwaar tegen bestaat. Nou komt er eens een keer zo'n geval in het
dictee voor, een gouden kans om dat pleit voor eens en voor altijd te
beslechten, en wat gebeurt er? Prompt scharen de taalkundigen in de
jury zich weer aan de zijde van de doctrinaire bedillers die die
variant met een stalen gezicht afkeuren. Daar kan ik nou echt met mijn
verstand niet bij."
"..."
Peter-Arno Coppen
|