|
Col: 0402.14
Date: Wed, 18 Feb 2004 09:21:58 +0100
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 0402.14: Linguïstisch Miniatuurtje XCVII: Mijn verzoek
Linguïstisch Miniatuurtje XCVII: Mijn laatste verzoek
Ik kan er niets aan doen, maar ik kom er nog één keer op
terug. Het zeurt nu al een paar maanden in mijn achterhoofd, die
kwestie van de heren worden verzocht niet te roken waarover ik
schreef in Doctrinaire bedillers, en waarop Jan Noordegraaf
reageerde met een aanvulling ("Doctrinaire bedillers": een
postscriptum). Eigenlijk ging mijn vorige miniatuurtje (Over de
uitslag kan niet worden gecorrespondeerd) ook al over hetzelfde.
Maar nu is het afgelopen. Ik ga er voor eens en voor altijd een punt
achter zetten.
Inmiddels ben ik de referentie van Noordegraaf nagegaan en ik moet
bekennen dat ik van de ene verbazing in de andere viel. Eigenlijk snap
ik nog steeds niet hoe deze taalnormkwestie zich zo heeft kunnen
ontwikkelen, maar één ding snap ik wel: die doctrinaire
bedillers zitten veel erger fout dan iedereen altijd heeft gedacht.
Ik vat het nog even samen voor wie niet de moeite wil nemen om de hele
discussie weer na te lezen. De zin De heren worden verzocht niet te
roken is de lijdende vorm van men (iemand) verzoekt de heren
niet te roken. In die actieve zin is niet te roken het
lijdend voorwerp en de heren meewerkend voorwerp. Dat laatste
wordt meestal aangetoond door het voorzetsel aan toe te voegen:
Men verzoekt aan de heren niet te roken. Als je ervan uitgaat
dat in de lijdende vorm alleen het oorspronkelijke lijdend voorwerp
onderwerp mag worden, is de persoonsvorm worden "strikt genomen"
grammaticaal onjuist. Immers, het is de beknopte bijzin niet te
roken die in de lijdende vorm onderwerp moet zijn. En die is derde
persoon enkelvoud.
De taaladviseurs die het meervoud worden lankmoedig
sanctioneren, accepteren dat een oorspronkelijk meewerkend voorwerp ook
best onderwerp mag worden in de lijdende vorm. Ze wijzen erop dat
zoiets in de ons omringende talen ook heel gebruikelijk is (they
were asked not to smoke), dat een werkwoord als gehoorzamen
strikt genomen ook alleen een meewerkend voorwerp heeft (het is aan
iemand gehoorzamen, terwijl je best kunt zeggen zij werden
gehoorzaamd), en daarnaast dat er sprake zou zijn van een
"taalverandering" die hierin bestaat dat de argeloze taalgebruiker het
meewerkend voorwerp bij verzoeken is gaan verwarren met een
lijdend voorwerp.
Ik ben er na rijp beraad van overtuigd geraakt dat dit allemaal grote
onzin is. Die argumenten zullen wel kloppen, maar ze doen er helemaal
niet toe. Het is namelijk niet het meervoud dat door de schoolmeesters
fout zou moeten worden gerekend, maar juist het enkelvoud! Eigenlijk is
de heren wordt verzocht niet te roken "strikt genomen
grammaticaal incorrect".
Denkt u nu niet dat ik, om de goegemeente te stangen, dit allemaal ter
plekke verzin. Het staat in feite al in de referenties uit 1884 die Jan
Noordegraaf gaf. Alleen heeft niemand anders dat gelezen, of iedereen
heeft eroverheen gelezen, ik weet het niet, maar je kunt het echt niet
anders interpreteren.
Noordegraaf verwijst naar twee artikelen uit het tijdschrift Noord
en Zuid: één van de bekende taalkundige Kollewijn, en
eentje van een onbekende auteur die ondertekent met de initiaal S. In
beide artikelen -in het tweede nog meer dan in het eerste- wordt veel
werk gemaakt van een historische analyse van de constructie rond het
werkwoord verzoeken. Zo leren wij dat verzoeken in
dezelfde klasse moet vallen als vertwijfelen,
verschrikken, en verwonderen, waarbij het voorvoegsel
ver- de betekenis "aan het ... brengen" veroorzaakt. Dat
werkwoord zou oorspronkelijk slechts één object
(voorwerp) bij zich hebben gehad: de persoon die aan het "zoeken"
gebracht wordt, het lijdend voorwerp. Ik zie nu even af van een variant
met de betekenis "proberen" (iets verzoeken), die voor onze
discussie niet relevant lijkt.
In vroege Nederlandse bronnen zien we verzoeken opduiken met een
extra object. Dat kan een genitief zijn (bv. in de frase als wi des
weren versocht, uit een tekst van Jan van Boendale uit 1432), maar
ook een voorwerp met het voorzetsel tot (bv. als men daertoe
versocht wordt, uit een tekst van de gemeente Breda uit 1611) of
om (bv. Mer wort die prince vander kercken daer om
versocht, uit Der Minnen loep van Dirc Potter, eind 15e
eeuw). Dan hebben we dus drie varianten: iemand verzoeken,
iemand des verzoeken, en iemand om/tot iets verzoeken. In
al deze varianten zou iemand beschouwd moeten worden als lijdend
voorwerp (vierde naamval).
De vierde variant, iemand verzoeken met (beknopte) bijzin, komt
ook al in de vroegste bronnen voor (bv. als de Commissaris metten
Examinateur versocht worden ten huyse van eenighe persoonen te gaen,
die sieck sijn, in een Antwerpse wetstekst uit 1532; let ook op het
meervoud bij het onderwerp Commissaris metten Examinateur). Je
vraagt je af wanneer al die "taalveranderingen" hebben plaatsgevonden,
maar goed.
Alsof het allemaal nog niet genoeg is, vinden we ook nog een vijfde
variant: (aan) iemand iets verzoeken, met iemand in de
derde naamval of voorzien van een voorzetsel aan. Deze variant
zou volgens de taalgeleerden ontstaan zijn door betekenisovereenkomst
met vragen. Ik zie het er niet aan af (Jan van Boendale schrijft
in 1432 al net zo vrolijk Ende versocht aen sijn lant dienst van
volcke), maar ik ga er geen vraagtekens bij zetten. Die
"taalverandering" moet dan ergens tussen het Oergermaans (waar geen
bronnen van bestaan) en 1432 hebben plaatsgehad, en dat is moeilijk te
falsifiëren.
Hoe dit alles ook zij, uit de historische argumentatie blijkt dat in de
constructie iemand (om, tot, genitief) iets verzoeken de variant
met iemand als lijdend voorwerp primair moet zijn geweest.
Iemand als meewerkend voorwerp is weliswaar al vroeg gebruikt,
maar zou daarvan zijn afgeleid. Een taalfout, zouden we nu zeggen, die
grammaticaal is geworden.
Wat betekent dit alles nu voor de hedendaagse constructie? Hebben we nu
twee constructies: (aan) iemand iets verzoeken en iemand
(om,tot) iets verzoeken? De geheimzinnige auteur S. uit 1884 heeft
daar een originele mening over. Eigenlijk, zegt hij, is er geen enkele
reden om voor iemand iets verzoeken twee ontledingen aan te
nemen. Iemand is altijd degene tot wie het verzoek zich richt
(het meewerkend voorwerp) en iets is altijd de oorzaak van het
verzoek (het beoogde doel zou je kunnen zien als de oorzaak van het
verzoek). In die analyse is dus in feite geen van beide zinsdelen het
lijdend voorwerp.
Dat lijkt me een aantrekkelijke gedachte. Het sluit mooi aan op wat ik
eerder suggereerde, dat verzoeken (net als toesnauwen)
beschouwd moet worden als een werkwoord waar het lijdend voorwerp al in
zit: verzoeken is dan een verzoek uiten. De andere twee
voorwerpen zijn secundair (bijvoorbeeld meewerkend en oorzakelijk). Of
desnoods analyseer je (tot, om) iets als een bijvoeglijke
bepaling bij een verzoek. Als generativist schrik je niet gauw
ergens voor terug.
Wil je nu als taaladviseur volhouden dat bij een lijdende vorm alleen
het lijdend voorwerp onderwerp mag worden, dan moet je zowel de
heren wordt verzocht niet te roken als de heren worden verzocht
niet te roken als "strikt genomen ongrammaticaal" bestempelen. Kies
je de historische dimensie, dan noem je de heren wordt verzocht niet
te roken "eigenlijk onjuist". Ben je een realist, dan keur je beide
vormen goed. Er is eigenlijk maar één stelling die
nergens op slaat: dat de heren wordt verzocht niet te roken
"strikt genomen" de grammaticale vorm is. Punt.
Peter-Arno Coppen
|