|
Col: 0404.26
Date: Thu, 25 Mar 2004 19:06:25 +0100
From: Marc van Oostendorp <marc.van.oostendorp@meertens.knaw.nl>
Subject: Col: 0404.26: Column 53 van Marc van Oostendorp: Weinig meer dan een nederig medium. Over Mark Boog
Column 53 van Marc van Oostendorp: Weinig meer dan een nederig medium Over Mark Boog
In de zomer 2001 verscheen een recensie van de eerste roman van Mark
Boog, De vuistslag, in De Groene Amsterdammer. Die
recensie was positief en maakte nieuwsgierig, hoewel er aan het boek
allerlei eigenschappen werden toegedicht die mij normaal gesproken niet
onmiddellijk mijn lessenaar doen uitklappen. 'Mark Boog weet de
objecten in de kamer op bijna surrealistische manier tot leven te
wekken', vertelde de recensente bijvoorbeeld, en: 'er is nauwelijks een
plot', en: 'het is moeilijk zo niet onmogelijk om je met deze
fascistoïde figuur [van de hoofdpersoon] te identificeren'.
Toch wilde ik door de voorbeelden die de schrijfster gaf wel wat meer
over deze jonge schrijver weten. Ik tikte zijn naam in bij Google, en
vond zijn eigen website op <http://www.markboog.nl/>, met onder
meer het volgende:
-
Inspiratie
Men gaat naar de bakker en men zegt: 'Een halfje wit, graag.'
Men had kunnen zeggen: 'Mag ik van u een half gesneden wit?',
of: 'Een half witbrood, en snel!', of: 'Heeft u voor mij
een halfje van uw niet onterecht beroemde wittebrood,
bakker?'
Dat had men allemaal kunnen zeggen, maar men zegt,
onvoorbereid,
als uit het niets: 'Een halfje wit, graag,' en zie: het
werkt!
Ineens was het daar! Het moest precies zó zijn, dat wist
men meteen!
Het bestond al, hing in de lucht, het gebruikte ons slechts
om
ter wereld te komen, wij zijn weinig meer dan een nederig
medium!
Ik had geen idee wat andere mensen van zijn werk vonden - maar ik
meende dat op basis van dit gedicht aan Mark Boog onverwijld alle
literaire prijzen moesten worden uitgereikt die er maar bestaan en dat
hem van overheidswege alle middelen worden aangereikt zodat hij voort
zou blijven schrijven. Mij was elk woord dat hier staat volkomen uit
het hart gegrepen. Ik wist meteen: van Mark Boog ga ik elke snipper
lezen die ik vinden kan.
Dat heb ik sindsdien ook gedaan, want er zijn geen moderne Nederlandse
schrijvers bij wie ik me zo om elke alinea kan verheugen. Ik ben nog
geen bladzijde van hem tegengekomen die me verveelde.
Nu zou je over het gedicht 'Inspiratie' nog kunnen zeggen dat het een
voor de hand liggende keuze is voor een taalkundige, omdat het onder
andere gaat over het wonder van het alledaagse taalgebruik: je staat
bij de bakker en beslist binnen een fractie van een seconde hoe je je
wens formuleert. Bovendien 'werkt' die wens: je hebt invloed op de
werkelijkheid. Iedere mens is een dichter! Ja, dat hoort een
taalkundige natuurlijk graag.
Maar neem nu het begin van Boogs tweede roman, De warmte van het
zelfbedrog:
-
Ik verliet het huis in verwarde toestand. Zo heet dat. Ik trok
de deur met mijn linkerhand achter mij dicht en keek gejaagd
rond. Niemand wist dat ik om andere redenen dan een simpele
boodschap mijn woning verliet, maar misschien was het me aan te
zien. Men weet al niet wat men van zichzelf moet denken, hoe
dat met anderen zit is principieel onkenbaar. Voeg daarbij de
natuurlijke drang van verraad van de mens en het wordt
duidelijk dat het zaak was mij zo onopvallend mogelijk te
gedragen -- wat overigens altijd geldt, zodat speciale
aanpassing van mijn gedrag aan de omstandigheden niet
noodzakelijk was. Een goed begin.
Het heeft geen enkele zin om hetgeen volgt samen te vatten ('er is
nauwelijks een plot'): de ik-persoon komt in een dorp terecht, beleeft
daar wederwaardigheden die onder andere een bordeel, een dorpsplein,
een bierfeest en een restauranthoudster betreffen, en gaat weer weg als
hem invalt dat hij thuis warm onthaald zal worden. Net als in het
gedicht wordt in dit boek herhaaldelijk en uitvoerig stilgestaan bij
het wonder van de gelukte bestelling.
Nu kan men wel weer tegenwerpen dat de allebei de romans van Boog
kennelijk over verwarde, om niet te zeggen fascistoiïde personen
handelen en de lezer van Neder-L weet natuurlijk niet in welke
geestestoestand ik me momenteel bevind, dus misschien ligt
identificatie ook hier weer voor de hand. Maar ik denk dat het om iets
anders gaat: de verhalen en zelfs de onderwerpen van de gedichten zijn
alleen maar nodig om de kleine, laconiek-wanhopige observaties te berde
te kunnen brengen. Die waanzin van de hoofdpersoon is daar volgens mij
uit te verklaren: iemand die helemaal goed snik is, heeft niet nu eens
een rake formulering over dit onderwerp, en dan weer over dat. De
verwardheid van de hoofdpersoon is alleen maar een vrij doorzichtige
truc om van alles en nog wat aan elkaar te kunnen praten.
Ik denk als ik eerlijk ben ook niet dat het werk van Boog tot nu toe
wereldliteratuur is, al zou het me niet verbazen als mijn favoriete
auteur nog eens een boek schrijft dat in alle landen van de wereld
verplichte kost wordt op de middelbare scholen. Tot die tijd is het
privéliteratuur van een auteur die ik persoonlijk niet ken. In
het bijzonder klinkt er een toon die ik herken: zo praten sommige van
mijn beste vrienden al sinds ik volwassen ben. Bij oudere of jongere
mensen hoor ik die toon niet. Het maakt me daarom ook niet zoveel uit
wat andere mensen ervan vinden, het is alsof elke zin die Mark Boog
neerschrijft, moeiteloos mijn levensmotto zou kunnen zijn, al kan ik er
niet goed achterkomen waarom dat zo is.
Voor zover ik de recensies heb gevolgd, was men zeer enthousiast over
de eerste bundel Alsof er iets gebeurt en de eerste roman De
vuistlag, maar minder over de tweede bundel Zo helder zagen we
het zelden en de tweede roman De warmte van het zelfbedrog
omdat men vond dat Boog in een maniertje dreigde te vervallen. Over de
derde bundel, Luid overigens de noodklok is men weer algemeen
enthousiast, en dat is ook volkomen terecht, want in deze bundel zijn
de pareltjes ook nog eens ingebed in een sterkere structuur dan het
vroegere werk. De afdeling 'Zout' laat alle associaties die dat woord
heeft aan de orde komen: van 'Omvangrijke zoutlagen in deze grond: de
mijn dient gebruikt' tot en met:
-
Zoals ik me vasthou aan de schaal zoutjes,
zo draag jij haar. Zoals jij de glazen ledigt,
zo ledig ik mijzelf.
En alles is goed, want eindigt.
(Het aller-, allermooist van deze bundel en misschien wel van het hele
oeuvre tot nu toe vind ik die t in eindigt.) Bovendien
bevat de bundel een prachtige bewerking van het bijbelse Hooglied, want
omdat hij zo goed kan kijken en formuleren, is Boog ook nog een echte
liefdesdichter.
De toon van Boogs proza is wel vergeleken met die van Gerard Reve, maar
dat is alleen maar oppervlakkig waar. De overeenkomst is dat de
hoofdpersoon zijn omstandigheden de hele tijd benoemt in een formele
taal om zo zijn angsten te bezweren. Maar mij doet die toon veel meer
denken aan de theatrale versie van die plechtige wanhoop, met name die
van Herenleed van Armando en Cherry Duyns. Als een priester de
hoofdpersoon waarschuwt dat hij met geweld verwijderd zal worden van
het kerkterrein waar hij kampeert, gebeurt het volgende:
-
'U schertst!' lachte ik, terwijl ik olijk knipoogde. 'Ik breng
hier slechts enkele nachten door, omdat een mens nu eenmaal
moet slapen. Zonder tent, zult u vragen, en inderdaad: zonder
tent. Ik begrijp niet waar u zich mee bemoeit. Of een mens in
een tent slaapt of niet, dat moet hij toch zelf weten? Zelf ben
ik zeer begripvol ten opzichte van andere mensen: ik begrijp
dat ze angsten hebben die ik niet begrijp en dat ze plezier
scheppen in zaken die verre van lollig zijn, maar ik zal ze
niet snel veroordelen. Althans niet hardop. U kunt daar wat van
leren!'
Dat lijkt me een tekst die 'Heer 1' en 'Heer 2' samen ook zouden
kunnen uitspreken — personages waarop de termen 'in verwarring'
en 'fascistoïde' eveneens van toepassing zijn. Dat andere mensen
plezier scheppen in zaken die verre van lollig zijn, lijkt me overigens
een adequate samenvatting van deze wereld. De rol van de schertsende
priester zou vervuld kunnen worden door Johnny van Doorn:
-
'Met tent mag het ook niet. U bent een landloper,' zei de
pastoor onaangedaan.
De vuistslag heeft deze toon overigens veel minder. Hij is niet
helemaal afwezig, maar dan veel Reviaanser ('De verveling, mits
kortstondig genoten, is een zegen [...] De verveling is de pauze tussen
de gangen, wekt de eetlust op. Ze geeft de mogelijkheid tot bezinning.
Je kunt het laatstgenotene nog eens beschouwen, en beoordelen, en je
kunt je voorbereiden op het volgende.'). Misschien komt de toon van
mijn vrienden ook wel van Herenleed, dat immers werd uitgezonden toen
we tussen twaalf en vijftien jaar oud waren, een ontvankelijke
leeftijd. Gerard Reve was toen een oudere man die werd verweten dat hij
zichzelf herhaalde. Ik ben helemaal geen bewonderaar van Herenleed,
maar misschien is de invloed van dat tv-programma wel groter op de
mensen om mij heen dan ik weet.
Er is nog een aspect van Boogs werk dat ik noemen wil: zijn
publicaties op het internet. De dichter heeft een eigen webpagina die
er oerlelijk uieowel eerder gepubliceerd als gloednieuw (althans, in
september was het gloednieuw) materiaal.
Nog mooier is de website Poetry in motion, die kennelijk gemaakt
wordt door een vriend van Boog. Hier worden veel gedichten in een
videoclip getoond en geïllustreerd; dat geldt onder andere voor de
al genoemde cyclus 'Zout'. Ook is de dichter aan het werk te zien op
zijn eigen webcam. Ik ga er af en toe kijken om te bekijken of er nog
nieuwe levensmotto's in de maak zijn. De dichter wuift me dan
welwillend toe. Er komt vast nog meer.
Verwijzingen
Website Mark Boog: http://www.markboog.nl/
Poetry in Motion: http://www.poetryinmotion.nl/
Webcam Mark Boog:
http://www.poetryinmotion.nl/poetry-html-def/webcam.html
Interview met Mark Boog door Remco Ekkers:
http://home.planet.nl/~ekker036/interviewmarkboog
|