|
Col: 0408.35
Date: Mon, 23 Aug 2004 10:15:21 +0200
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 0408.35: Linguïstisch Miniatuurtje IC: Pas op! Bijzinnen!
Linguïstisch Miniatuurtje IC: Pas op! Bijzinnen!
"Wat zeg je?"
"Of je naar de radio geluisterd hebt gisteren."
"Wat was daar op dan?"
"Dat die professor Diepenhorst overleden is."
"Wie?"
"Professor Diepenhorst, je weet wel, die altijd van die lange
zinnen maakte met veel bijzinnen en zo."
"Waar heb je het over?"
"Wat ze op het radiojournaal zeiden, lange zinnen met veel
bijzinnen."
"Hoe komen ze daarbij?"
"Misschien omdat Aantjes dat in een interviewtje opmerkte. Dat hij
altijd zoveel bijzinnen gebruikte."
"Wie?"
"Diepenhorst! Och dat weet je toch nog wel, dat hij dan zo'n zin
begon, jongen, en dat je dan dacht dat dat nooit meer goed zou komen en
dat hij dan toch precies uitkwam."
"Ga weg."
"En een bijzinnen jongen. Niet normaal."
"Bijzinnen."
"Ja joh, hartstikke moeilijk."
"Waarom is dat moeilijk, veel bijzinnen?"
"Nou ja, omdat ze d'r maar zo'n beetje bij staan niet? Omdat je ze
eigenlijk niet nodig hebt. Omdat je net zo goed normaal kunt praten."
"O ja?"
"Man, als iedereen nou eens normaal zou praten, zonder bijzinnen,
wat dat makkelijk zou zijn!"
"Is dat zo?"
"Als je het mij vraagt wel ja."
"Jij hebt anders dit hele gesprek tot nu toe alleen maar in
bijzinnen gevoerd."
"Ik?"
"Op een paar ellipsen na dan."
"Man schei uit! Ik praat toch niet zo ingewikkeld als Diepenhorst?"
"Precies."
"Nou dan!"
"Weet jij eigenlijk wel wat een bijzin is?"
"Tuurlijk weet ik dat!"
"Wat is dat dan, een bijzin?"
"Nou ja, dat is een zin die er maar zo'n beetje bijhangt. Die je
net zo goed kunt weglaten. Die de loop van de gewone zin onderbreekt."
"Jij hebt het over een tussenzin."
"Tussenzin, bijzin, wat maakt het uit? Het gaat erom dat het geen
gewone zin is en dat hij er maar zo'n beetje bijhangt. Die taalkundige
scherpslijperij daar heb ik geen boodschap aan."
"Maar een tussenzin is toch echt iets heel anders dan een bijzin."
"Goed jij je zin. Wat is dan een bijzin?"
"Een bijzin is een zin die een onderdeel vormt van een andere zin.
Een tussenzin is juist een onderbreking van een andere zin."
"Goed. Ga verder."
"Een bijzin is altijd ook zelf een zinsdeel, zoals onderwerp of
lijdend voorwerp. Een tussenzin is dat juist niet. Hooguit noem je hem
een tussenwerpsel."
"Aha."
"Een bijzin, daar is op zich ook niks moeilijks aan. Hij heeft wel
meestal een andere woordvolgorde dan een gewone zin, maar die is in
zekere zin juist makkelijker. Veel bijzinnen hoeft dus echt niet
ingewikkelder te zijn."
"Dus jij zegt dat Aantjes in dat interview bedoelde dat Diepenhorst
veel tussenzinnen gebruikte."
"Ik denk het wel ja."
"Op het televisiejournaal zeiden ze het weer anders."
"Gelukkig. Wat zeiden ze daar?"
"Lange volzinnen waren zijn handelsmerk, maar hij sprak altijd
correct Nederlands."
"Hm."
"Hoezo, hm?"
"Afgezien van dat lange volzinnen, wat volgens mij dubbelop
is, snap ik dat maar niet."
"Waarom niet?"
"Het is net of je gewoonlijk geen correct Nederlands spreekt als je
in lange volzinnen praat."
"Maar dat is toch ook zo?"
"Leg eens uit."
"Als je in lange volzinnen praat raak je makkelijker het spoor
bijster. Mensen die proberen lange volzinnen te maken, maken juist
daardoor meer fouten."
"Maar dan zijn het toch ook geen lange volzinnen meer?"
"Hoezo niet?"
"Nou, wat zijn volzinnen volgens jou?"
"Nou ja, dat zijn zinnen die vol zitten nietwaar? Dat was typisch
Diepenhorst, die maakte zinnen, daar kon echt niets meer bij."
"Ik vrees dat de journaalredactie ook zoiets in gedachten heeft
gehad. Maar een volzin is een tot volledige zin gevormde taaluiting
van betrekkelijk grote omvang, althans volgens Van Dale."
"Dus een volzin is altijd lang?"
"Precies. Betrekkelijk lang dan."
"En een volzin is gewoon een volledige zin?"
"Inderdaad. Dat heeft met overvloedigheid niets te maken."
"Nou ja, hoe dan ook, die Diepenhorst, dat was echt een fenomeen,
jongen."
"O ja? Hoe zat dat dan?"
"Nou, vooral op latere leeftijd, dan werd hij wel eens
geïnterviewd door zo'n verslaggever á la Ivo Niehe, die het
altijd leuk vindt om mensen kunstjes te laten doen, en dan vroeg hij
hem iets over een willekeurig onderwerp en dan kwam hij helemaal los,
zo maar, geïmproviseerd voor een volle zaal met publiek."
"Hoe ging dat dan?"
"Nou dan begon hij weer zo'n zin, weet je, en dan maakte hij ineens
zo'n zijsprong, zo'n, eh, tussenzin, en dan dacht je als
publiek, nou gaat hij de mist in, daar komt hij nooit meer uit, maar
hij ging onverstoorbaar door, en op het einde, soms na
één minutenlange volzin, kwam het toch allemaal weer
goed."
"En dan?"
"En dan? Ja, donderend applaus natuurlijk. Amusement van het
hoogste niveau."
"Maar hoe wist je dat dan?"
"Wat?"
"Dat zo'n zin helemaal goed kwam?"
"Dat vóélde je gewoon. Je voelde gewoon dat het
allemaal weer op zijn plaats viel."
"Dat voelde je."
"Ja man, het hele publiek. Geweldig."
"Maar wat was daar dan zo knap aan dan?"
"Wat bedoel je nou?"
"Ik bedoel dit: als jullie met zijn allen hoorden dat zo'n zin na
een hoop schijnbare ontsporingen toch goed kwam, dan waren jullie qua
taalgevoel toch precies even slim als Diepenhorst?"
"Hè?"
"Of andersom: als jullie niet zo'n groot taalgevoel hadden gehad
dat je kon horen dat die zinnen van Diepenhorst goed kwamen, dan hadden
jullie daar toch ook niet voor kunnen applaudisseren?"
"Je bedoelt dat we eigenlijk voor onszelf zaten te klappen?"
"Ik denk het wel ja."
"Vet zeg!"
"Maar nu eens iets anders. Hebben ze ook nog iets inhoudelijks
gezegd over de betekenis van Diepenhorst?"
"Ja man! Hij heeft ook uitgevonden dat je moet zeggen voor de
kijkers links."
Peter-Arno Coppen
|