|
Rub: 0410.21
Date: Tue, 26 Oct 2004 23:03:58 +0200
From: P.J. Verkruijsse <p.j.verkruijsse@uva.nl>
Subject: Rub: 0410.21: Hora est! Promotie T. Schoonheim, wo 20 okt. 2004, Leiden; promotie A.A. Scova Righini, di 26 oktober 2004, Amsterdam (UVA); promotie B. Schmiedtova, ma 15 november 2004, Nijmegen; promotie J. Werkman, di 30 november 2004, Amsterdam (VU)
Hora est!
Woensdag 20 oktober 2004, Universiteit Leiden.
Tanneke Schoonheim: 'Vrouwelijke persoonsnamen in Holland en
Zeeland tot het jaar 1300'. Promotor: prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg; referent: dr. A. Quak.
- Tanneke Schoonheim: Vrouwelijke
persoonsnamen in Holland en Zeeland tot het jaar 1300. Leiden
2004. 471 pagina's. Uitgever: Gopher Publishers Groningen
(http://www.gopherpublishers.com). ISBN 90-5179-180-1. Prijs: EUR
31,50.
Voor mijn onderzoek naar vrouwelijke persoonsnamen in Holland en
Zeeland tot het jaar 1300 zijn alle voornamen van vrouwen in
kaart gebracht die voorkomen in contemporaine, niet-verhalende
bronnen met betrekking tot het betreffende gebied in de genoemde
periode. Dit leverde een totaal van ruim 2500 attestaties op, die
zijn onder te brengen bij meer dan 250 verschillende Germaanse en
niet-Germaanse namen. Verschillende van deze namen werden nog
niet eerder in de naamkundige literatuur met betrekking tot ons
taalgebied opgetekend, bijvoorbeeld de Germaanse namen
Adelwarde, Dierwide, Evergard,
Friesgard, Saksgard en Vroust en de
niet-Germaanse namen Euprepia, Floria,
Clarissina en Scientia. Op basis van de context
zijn vervolgens de verschillende vrouwen die deze namen droegen
zo veel mogelijk geïdentificeerd om te voorkomen dat de
namen van vaker in de documenten aangetroffen personen
overgewaardeerd zouden worden ten opzichte van de overige namen.
Op basis van dit materiaal is
vervolgens etymologisch onderzoek gedaan. Hierbij is behalve bij
de bestaande relevante naamkundige literatuur ook aansluiting
gezocht bij de appellatieve woordenschat van het Oud- en
Middelnederlands. Hoewel men zou verwachten, dat ruim honderd
jaar naamkundig etymologisch onderzoek weinig nieuws meer zou
opleveren, bleek dat in de praktijk niet zo te zijn. Op
verschillende punten bleek het mogelijk, hetzij door de
toevoeging van niet eerder ontdekt materiaal, hetzij door een
nieuwe, grondige bestudering van de overgeleverde vormen nieuwe
etymologische voorstellen te doen of reeds bestaande voorstellen
te nuanceren. Voorbeelden hiervan zijn onder andere te vinden bij
de Germaanse namen Douwe en Elgswind en bij de
niet-Germaanse namen Katarina, Scilla en
Sine. Ook konden soms verschillende etymologische
voorstellen naast elkaar worden gelegd, waarna het mogelijk was
om in elk geval de meest waarschijnlijke etymologie aan te
duiden. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de naamstammen
dier en gisel en bij de namen Bergard,
Sipper en Waldburg. Bij een aantal naamstammen kon
bovendien gewezen worden op de mogelijkheid van herinterpretatie;
vgl. hiervoor de naamstammen rard, wa en
wind.
Op basis van dit taalkundige
onderzoek worden vervolgens enkele andere aspecten van
vrouwelijke persoonsnaamgeving aan de orde gesteld. Een onderwerp
dat veel naamkundigen in de loop der tijd heeft beziggehouden is
de introductie en de opkomst van de niet-Germaanse namen binnen
het Germaanse naamgevingssysteem. Ook in dit onderzoek is hieraan
aandacht besteed, waarbij ook enkele argumenten naar voren konden
worden gebracht die niet eerder in de literatuur ter sprake zijn
gekomen. Betoogd wordt dat de groei van de bestaande Germaanse
namenvoorraad in deze periode stagneerde, waarvoor twee oorzaken
zijn aan te wijzen. Ten eerste was men inmiddels geheel
overgegaan van een naamgevingssysteem gebaseerd op variatie naar
een naamgevingssysteem van vernoeming. Het variatiesysteem was
een (weliswaar eventueel mechanisch uitgevoerd) creatief proces
was, dat voor een regelmatige aanvoer van nieuwe
naamstamcombinaties zorgde, terwijl het vernoemingssysteem een
statische overname van de reeds bestaande namen betekende en de
vorming van nieuwe combinaties uitsloot. Een tweede oorzaak die
afname van het aantal beschikbare Germaanse namen heeft kunnen
veroorzaken, ligt in het feit dat vanaf de elfde eeuw diverse
bestaande Germaanse naamstammen door taalkundige ontwikkelingen
samengevallen zijn. Dit is bijv. gebeurd bij de naamstammen
wide, wijch, wijf en wijg die zich
allemaal door syncope van de intervocalische -d-,
-g- en -v- hebben kunnen ontwikkelen tot de
gereduceerde naamstam wi.
Terwijl de beschikbare hoeveelheid
Germaanse namen en naamstammen dus stagneerde en later zelfs
afnam, vond er echter in West-Europa juist in deze periode een
enorme bevolkingsgroei plaats en vanwege de toenemende
gezinsgrootte kwam er daardoor behoefte aan meer verschillende
namen. Naast de traditioneel in de familie voorkomende namen
ontstond er zo ruimte voor nieuwe namen, die onder andere
gevonden konden worden in de bijbelse, met name de
nieuw-testamentische, namenvoorraad. Vanaf het moment dat binnen
een familie een van deze nieuwe, niet-Germaanse namen voor de
eerste maal was geïntroduceerd, kreeg de betreffende naam
een plaats binnen de vernoemingstraditie van die familie.
Vervolgens hing het dan van de volgende generatie af, of en hoe
vaak vernoeming ook daadwerkelijk plaatsvond. Dat bij de keuze
voor bepaalde namen ook kwesties als de groter wordende rol van
de kerk in het dagelijks leven, de toenemende heiligenverering en
het voorbeeld van de sociaal hogere klasse een rol kunnen hebben
gespeeld, is niet onwaarschijnlijk, maar in de meeste gevallen
van naamgeving kunnen we aannemen dat de vernoeming naar
verwanten de belangrijkste factor voor de verbreiding van
niet-Germaanse namen is geweest.
De indeling van het overgeleverde
materiaal naar periode, streek van herkomst en maatschappelijke
klasse maakte het mogelijk om aansluitend hierop onderzoek te
doen naar een aantal aspecten van naamgeving binnen deze
onderscheiden categorieën. Omdat voor het betreffende gebied
nog niet eerder onderzoek was gedaan op basis van een dergelijke
hoeveelheid betrouwbaar materiaal, kunnen nu voor het eerst
(voorzichtige) conclusies worden getrokken met betrekking tot het
voorkomen van bepaalde (soorten) namen in de verschillende
periodes, de verschillende regio's en de verschillende
maatschappelijke klassen in Holland en Zeeland van de zevende tot
en met de dertiende eeuw.
Uit de chronologische beschouwing van
het materiaal blijkt dat niet-Germaanse namen pas vanaf de
twaalfde eeuw in Holland en Zeeland in de contemporaine
naamgeving voorkomen. Voor die tijd komen er wel enkele
niet-Germaanse namen in de documenten voor, maar deze hebben
steeds betrekking op vrouwelijke heiligen. In de twaalfde eeuw
draagt 16% van de vrouwen in Holland en Zeeland een
niet-Germaanse naam. In de dertiende eeuw loopt dat op tot
ongeveer 36%. Met betrekking tot de Germaanse naamstammen blijkt
dat bijna alle tweede naamstammen die zijn overgeleverd uit de
zevende tot en met twaalfde eeuw ook voorkomen in namen uit de
dertiende eeuw. Sommige van deze naamstammen komen slechts in een
enkele naam voor, al hoeft dat uiteraard niet te betekenen dat
die naam dan ook weinig frequent is. De naamstam heid komt
bijvoorbeeld alleen voor in de naam Adelheid, waarbij 45
verschillende personen konden worden geïdentificeerd, die
gezamenlijk ongeveer tien procent van het totale aantal
attestaties vertegenwoordigen. Er zijn ook enkele naamstammen
die in alle verschillende periodes relatief frequent zijn
aangetroffen. Zo zijn de naamstammen burg, gard en
hild in Holland en Zeeland door de eeuwen heen significant
vaker in tweestammige namen aangetroffen dan de overige
naamstammen.
Als de vrouwelijke persoonsnamen in
Holland en Zeeland in de onderzochte periode per regio worden
beschouwd, blijkt nog eens duidelijk hoe groot de lacunes in het
materiaal soms zijn. Toch kunnen er op basis van de bevindingen
wel enkele conclusies getrokken worden. Het onderzoek naar de
verhouding tussen het aantal vrouwen met een Germaanse of een
niet-Germaanse naam in de verschillende regio's maakt zichtbaar
dat zowel het aantal niet-Germaanse namen als het aantal vrouwen
dat een niet-Germaanse naam draagt, toeneemt, naarmate we
zuidelijker in het onderzochte gebied komen. In Holland-Noord
blijkt in de dertiende eeuw nog slechts een kwart van de
vrouwelijke bevolking een niet-Germaanse naam te hebben, in de
regio's Holland-West en Holland-Oost is dit al uitgebreid tot
ongeveer een derde deel en in Holland-Zuid en Zeeland zien we dat
al iets meer dan de helft van de geïdentificeerde vrouwen in
deze periode een niet-Germaanse naam heeft. De verbreiding van de
niet-Germaanse namen in Holland en Zeeland heeft dus van zuid
naar noord en van west naat oost plaatsgevonden. Er is hierbij
dus kennelijk meer invloed uitgegaan van de naamgeving in
Vlaanderen en Frankrijk dan van die in Utrecht, Brabant en het
achterliggende Duitstalige gebied.
Onderzoek naar de vrouwelijke
persoonsnaamgeving per maatschappelijke klasse laat zien dat de
geestelijkheid voorop loopt bij het dragen van een niet-Germaanse
naam. Meer dan de helft van de vrouwen met een geestelijke
functie blijkt voorzien te zijn van een niet-Germaanse naam. Er
kon echter niet aangetoond worden dat dit het gevolg was van een
bewuste naamskeuze; in de enkele gevallen waarin we ook over de
namen van verwanten beschikken, bleek dit in elk geval niet zo te
zijn. Het verschil met de overige maatschappelijke klassen is
echter significant. Het gewone volk blijkt in zijn naamgeving de
meest conservatieve klasse te zijn. Hiervan draagt in de
dertiende eeuw slechts ongeveer een kwart van de vrouwen een
niet-Germaanse naam. Het aandeel van de vrouwen met een
niet-Germaanse naam bij de adel ligt met bijna veertig procent
tussen dat van de geestelijkheid en het gewone volk in.
Hoewel er op het eerste gezicht
binnen de Germaanse namen geen grote verschillen tussen de
maatschappelijke klassen lijken waar te nemen en veel van deze
namen in alle klassen lijken voor te komen, levert nader
onderzoek van de naamstammen en suffix waarmee deze namen worden
gevormd wel degelijk resultaat op. Zo blijken de naamstammen
adel, hade, macht, odel en
rijk bij de adel significant vaker als eerste naamstam
voor te komen dan bij het gewone volk en vinden we omgekeerd de
naamstammen brecht, died, erm(en),
folk, ger, hild en rei/rein vaker
terug op de eerste positie van de namen van het gewone volk. Bij
het voorkomen als tweede naamstam blijken hild,
lind en wijch meer in adellijke namen op te treden,
terwijl de namen van het gewone volk op deze positie juist vaker
de naamstammen burg, gard, rad en wi
bevatten.
Bij de korte namen valt op dat het
aantal namen met geminatie bij het gewone volk veel groter is dan
bij de adel, iets wat ook al door Quak werd geconstateerd in zijn
onderzoek naar de Oudnederlandse horigennamen. Daarnaast lijken
sommige korte namen toch specifiek aan een bepaalde
maatschappelijke klasse voorbehouden, zoals de naam Ada,
die voornamelijk bij de adel voorkomt en de namen Ave,
Bave, Tette en Trude, die uitsluitend bij
het gewone volk zijn aangetroffen. Adelheid,
Gertrud en Margareta horen zowel bij de adel als
bij het gewone volk bij de meest voorkomende namen. De bij de
geestelijkheid aangetroffen namen wijken hiervan af, maar
mogelijk is deze afwijking deels ook te wijten aan de geringe
hoeveelheid materiaal die voor deze maatschappelijke klasse kon
worden bijeengebracht. Het grootste deel van de namen die in deze
klasse zijn aangetroffen, komen in elk geval ook voor in de
namenvoorraad van de adel en het gewone volk.
Het onderzoek naar de vrouwelijke
persoonsnamen in Holland en Zeeland tot het jaar 1300 heeft dus
naast een aantal nog niet eerder overgeleverde namen nieuwe
inzichten opgeleverd met betrekking tot de etymologie van enkele
Germaanse naamstammen, en verschillende Germaanse en
niet-Germaanse namen. Ook kon enig licht geworpen worden op de
herinterpretatie van naamstammen en de tendens tot
archaïsering van de spelling van namen door latere
kopiisten. Verder zijn nieuwe argumenten aangevoerd met
betrekking tot de introductie en opkomst van de niet-Germaanse
namen in West-Europa en kon worden aangetoond hoe deze categorie
namen zich verbreidt binnen de verschillende maatschappelijke
klassen en binnen de onderscheiden regio's van Holland en
Zeeland.
Dinsdag 26 oktober 2004, Universiteit van Amsterdam
A.A. Scova Righini: 'Een leven in twee vaderlanden, een biografie
van Beb Vuijk'. Promotor: prof. dr. A.N. Paasman
- In een biografie over de schrijfster en
journaliste - en op latere leeftijd bekende kookboekenschrijfster
- Beb Vuijk (1905-1991) geeft Bert Scova Righini een beeld van
haar leven, persoonlijkheid en werk en waar mogelijk de relatie
hiertussen, tegen de achtergrond van de maatschappij en de
plaatsen en sferen waarin zij leefde. Vuijk had een avontuurlijk
leven op het nauwelijks door de westerse beschaving beroerde
eiland Boeroe in de Molukken. Ze bracht bijna drie jaar in
Japanse kampen door en koos in woord en geschrift als een van de
weinige Nederlanders de zijde van de Indonesiërs in hun
strijd voor volledige onafhankelijkheid. Ze was intensief
betrokken bij de roerige ontwikkelingen in de eerste jaren van de
nieuwe staat en kwam in 1958 als politiek vluchteling terug in
Nederland. In 1973 kreeg ze grote bekendheid met het Groot
Indonesisch kookboek, een boek met 36 drukken en ongeveer 270.000
verkochte exemplaren. Vuijks literaire werk heeft volgens Scova
Righini een blijvende betekenis door de sfeerbeschrijvingen van
natuur, landschap en de leefsituaties in Nederlands-Indië,
in het bijzonder van de Molukse archipel, en door de scherpe
typering van het effect dat het door raciale verhoudingen
bepaalde koloniale stelsel had op de individuele
psyche.
Maandag 15 november 2004, Radboud Universiteit Nijmegen, 13.30 uur.
Mevrouw B. Schmiedtova: At the same time... The expression of
simultaneity in learner varieties. Promotores: prof. dr. S. Levinson, prof. dr. W. Klein; copromotor:
mevrouw dr. Chr. Dimroth.
- Het onderzoek van mw. Schmiedtova toont aan
dat het grammaticale systeem van de moedertaal van de leerders
bepalend is voor de vraag of - en hoe gemakkelijk - bepaalde
eigenschappen van de tweede taal verworven zullen worden. Voor de
expressie van simultaniteit zijn er twee linguïstische
kenmerken van de eerste taal die de strategieën van de
taalleerders bepalen: de aan- of afwezigheid van grammaticale
aspect en de positie van het morfeem dat de aspectuele betekenis
draagt.
Mw. Schmiedtova onderzocht de ontwikkeling van temporaliteit bij
volwassen Engelse en Duitse tweede taalleerders van het
Tsjechisch, en met name de expressie van simultaniteit (of
'gelijktijdigheid'). Voor de expressie van simultaniteit wordt
bij elk van deze drie talen gebruik gemaakt van verschillende
soorten bijwoorden (zoals 'op hetzelfde moment') en van
werkwoordsconstructies die een fase uitdrukken (zoals 'beginnen
te eten'). Daarentegen maken alleen het Tsjechisch en het Engels
gebruik van aspectuele relaties (zoals bijvoorbeeld de uitgang
'-ing', waarmee in het Engels progressiviteit wordt uitdrukt) om
simultaniteit weer te geven. De manier waarop aspectuele
verschillen morfologische gemarkeerd zijn in het Tsjechisch,
verschilt echter sterk van die van het Engels.
Barbara Schmiedtová is postdoctoraal onderzoeker bij het
Comic Project dat onderdeel uitmaakt van de Language Production
Group van het MPI in Nijmegen.
Dinsdag 30 november 2004, 13.45 uur, Aula Vrije Universiteit Amsterdam
J. Werkman: De haven uitgraven. De wereld van J.K. van Eerbeek,
schrijver (Meindert Boss 1898-1937). Promotor: prof. dr. G.J. Schutte
- Hans Werkman herontdekt in zijn
proefschrift niet alleen een vergeten werk van Van Eerbeek
(1898-1937), schrijver van de nieuwe zakelijkheid, maar hij
ontdekt ook vele verborgen kanten van hem. Werkman schetst zijn
sombere twintiger jaren aan de hand van totnogtoe onbekende
dagboeken, brieven en sanatoriumarchieven. Van Eerbeek had
voeling met de kritische Jong-Gereformeerden en mocht daarom in
zijn kerk aanvankelijk geen geloofsbelijdenis doen. Vanuit
kerkelijke archieven kon de promovendus dit deel van Van Eerbeeks
leven reconstrueren. Zijn humanitaire visie op gedetineerden
blijkt uit zijn bajesverhalen - Van Eerbeek was
gevangenisonderwijzer in Zwolle. Van Eerbeek publiceerde in de
protestantse bladen De Spiegel en Opwaartsche Wegen en voelde
zich verbonden met het calvinisme. Toch wilde hij in een zo groot
mogelijke onafhankelijkheid zijn visie op geloof en leven
bepalen, aan de hand van natuur en intuïtie. De spanning
tussen individualiteit en gemeenschap is bepalend voor zijn leven
en werk. In 'Lichting '18' (1932) reageerde Van Eerbeek op de
demoralisering na de Eerste Wereldoorlog. Dat was in de
Nederlandse literatuur uitzonderlijk. Volgens zijn verre
achterneef Menno ter Braak behoorde de protestants-christelijke
Van Eerbeek tot 'de werkelijk belangrijke schrijvers'. Ter Braak
schreef dit naar aanleiding van Van Eerbeeks 'Gesloten grenzen'
(1935), een experiment met liefde, godsbeleving en ascese.
'Strooschippers' (1935) gaat over het leven van mystieke,
menigmaal occult denkende schippers. De roman bevat ook een nog
niet eerder geïdentificeerd stukje plagiaat. 'Beumer &
Co' (1937) is een sociale crisisroman, waarin Van Eerbeek naar
zijn gewoonte allereerst menselijk handelen observeert.
'Asuncion' (1938) verscheen gecensureerd; waarschijnlijk was het
Van Eerbeeks zuster die een reeks erotische aanduidingen
verwijderde.
|