0501.40 Terug
Vooruit 0501.b

Col: 0501.41

Date: Fri, 28 Jan 2005 02:26:27 +0100
From: Willem Kuiper <wkuiper@xs4all.nl>
Subject: Col: 0501.41: Column Willem Kuiper, no. 64: Een begheven Willemijn

Column Willem Kuiper, no. 64:
Een begheven Willemijn

Op Vuurland schijnt het zo ontiegelijk hard te stormen dat het - volgens iemand die daar geweest is - niet nodig is het land door te trekken om het te leren kennen: je gaat gewoon ergens staan en dan zie je het wel voorbij waaien. Deze anekdote kwam weer eens bovendrijven in de maalstroom van mijn geheugen, nadat ik in een gulle bui besloten had ook de Beatrijs te excerperen voor het Repertorium van Eigennamen in Middelnederlandse Literaire Teksten (REMLT). In beginsel concentreert dat Repertorium zich op de Middelnederlandse epiek in de ruimste zin van het woord, maar wie ben ik om niet af en toe een bloempje te plukken dat wat verder van het pad af staat? En zo kon het gebeuren dat ik voor de zoveelste keer las:
        Van dichten comt mi cleine bate.
        Die liede raden mi dat ic't late
        ende minen sin niet en vertare.
        Maer om die doghet van hare,
5 die moeder es ende maghet bleven,
        hebb'ic een scone mieracle op heven,
        die God sonder twivel toghede
        Marien t'eren, diene soghede.
        Ic wille beghinnen van ere nonnen
10 een ghedichte. God moet mi onnen,
        dat ic die poente wel gerake,
        ende een goet ende daer af make,
        volcomelijc na der waerheide,
        als mi broeder Ghijsbrecht seide,
15 een begheven Willemijn:
        hi vant 't in die boeke sijn.
        - hi was een out ghedaghet man -

Mijn editie met emendaties in de regels 5, 11 en 12, en mijn interpunctie.

De Beatrijs-auteur is geen beginneling en demonstreert dat in zijn proloog. Natuurlijk dicht hij niet om er zelf beter van te worden, maar hij doet het - in weerwil van het dringende advies van mensen die het goed met hem menen om het niet te doen - uit liefde voor de Moedermaagd. Natuurlijk is zijn verhaal geen verzinsel, maar wáár gebeurd. Hij heeft het namelijk gehoord van een onverdacht man, die hij met naam en toenaam noemt: Ghijsbrecht, een (klooster)broeder van de orde der Wilhelmieten. Bovendien heeft die het op zijn beurt niet van horen zeggen, maar hij 'vond' het verhaal in een van zijn boeken. Kan het waarder!?
     De vraag die zich opdringt na het lezen van de laatste regels luidt: 1) Waarom een "(begeven) Willemijn" als auctoritas?; 2) Waarom heet die Willemijn "Ghijsbrecht"? en 3) In hoeverre is het functioneel dat hij een "out gedaghet man" is? Vragen die ik mijzelf nooit gesteld zou hebben als het Repertorium mij daartoe niet gedwongen had. Als eerstejaars student ben ik zo'n beetje doodgegooid met de Beatrijs, met als gevolg dat ik nooit de ambitie gehad heb mij in dat debat te mengen. Althans in geschrifte. Tijdens de collegereeks 'Klassieke Teksten en de Canon' mag ik het graag hebben over deze klassieker van het eerste uur: al in 1841 uitgegeven door de toen 24-jarige Willem Jonckbloet (1817-1885).

Waarom een Willemijn? In eerste instantie vermoedde ik dat het hier ging om een 'rijmnaam'. In de loop der jaren ben ik erachter gekomen dat sommige eigennamen geen betekenis, maar louter een functie hebben: rijmen. Zulke namen staan nooit binnen de versregel, maar enkel en alleen in rijmpositie, en komen vaker voor dan u denkt. Eén voorbeeld uit vele: In de trein naar Den Haag lees ik de draak Guillaume d'Angleterre, die op naam van niemand minder dan Chrétien de Troyes staat. Hij moest eens weten... Misschien is de naam Guillaume bedoeld als referentie aan Guillaume le Conquérant, maar in de hele tekst is niets dat in die richting wijst: 'Guillaume' rijmt zo lekker op 'royaume'. Zijn épouse heet 'Gratiiene', wat heel keizerlijk klinkt, maar waar het om gaat is dat het zo lekker rijmt op 'crestiiene'.
     Terzijde, dat ik die draak lees, komt door de fragmenten van de zogeheten Roman van Iechem(i)as, die daaraan thematisch verwant lijkt, een 'roman' die mij ook sterk doet denken aan de bizarre Roman van Jonathas ende Rosafiere. Jechemas, de naam van de vermoedelijke hoofdpersoon, is onvindbaar in alle teksten en repertoria die ik tot nog toe daarop nageslagen heb, en komt nog het dichtst in de buurt van 'Gisemast', de naam die de goede moordenaar in de Beatrijs draagt, welke naam overigens nergens op slaat. In het Evangelie van Nicodemus lezen wij dat de naam van de goede moordenaar Dysmas luidde en dat de slechte moordenaar Gestas geheten was. Gisemast zal wel een contaminatie zijn, maar dan nog...

Raadpleging van de onvolprezen CD-ROM Middelnederlands bracht mij na wat zoeken tot de overtuiging dat Willemijn geen rijmnaam was - Augustijn of Jacobijn had ook gekund - met andere woorden: Willemijn moest serieus genomen worden.
     De volgende vraag die in je opkomt is dan: Welke Willem mag dat dan wel wezen? Gek genoeg wordt die vraag alleen maar beantwoord in de recente editie van Theo Meder. Alle andere edities die ik thuis uit de kast gehaald heb, houden zich op de vlakte. Meder annoteert: "Een Wilhelmiet is een monnik uit de orde van de heilige Willem van Vercelli (ca. 1085-1142). Deze orde van kluizenaars werd in de tweede helft van de 12e eeuw gesticht." Kijk, daar heb je als lezer wat aan! Raadpleging van de (on-line) Catholic Encyclopedia bevestigt deze identificatie:

      William of Vercelli (Or William of Monte Vergine.)

The founder of the Hermits of Monte Vergine, or Williamites, born 1085; died 25 June, 1142. He was the son of noble parents, both of whom died when he was still a child, and his education was entrusted to one of his kinsmen. At the age of fifteen he made up his mind to renounce the world and lead a life of penance. With this end in view, he went on a pilgrimage to St. James of Compostella, and, not content with the ordinary hardships of such a pilgrimage, he encircled his body with iron bands to increase his suffering. After this journey he started on a pilgrimage to the Holy Land, but it was revealed to him that he would be of greater service to God if he remained in Italy. He built himself a hut on Monte Vergine, wishing to become a hermit and live in solitude, but it was not long before many people flocked to him to put themselves under his guidance, being attracted by the sanctity of his life and the many miracles which he performed. Soon a monastery was built, and by 1119 the Congregation of Monte Vergine (q.v.) was founded. St. William lived at Monte Vergine until the brethren began to murmur against him, saying that the life was too austere, that he gave too much in alms, and so on. He therefore decided to leave Monte Vergine and thus take away from the monks the cause of their grievances. Roger I of Naples took him under his patronage, and the saint founded many monasteries, both of men and of women, in that kingdom. So edified was the king with the saint's sanctity of life and the wisdom of his counsels that, in order to have him always near him, he built a monastery opposite his palace at Salerno. Knowing by special revelation that his end was at hand, William retired to his monastery of Gugieto, where he died, and was buried in the church.

Dat klinkt allemaal heel overtuigend. Zoeken we verder naar Monte Vergine dan vinden we in dezelfde encyclopedie:

      Monte Vergine (Montis Virginis)

An abbey in the province of Naples, Italy, near the town of Avellino, commanding a magnificent view of the Mediterranean along the Bays of Naples, Salerno, and Gaeta, and inland as far as the Abruzzi Mountains. Monte Vergine was formerly known as Mons Sacer because of a temple sacred to Cybele that stood there; also as Mons Virgilianus, from the legend that Virgil retired thither to study the Sibylline books. St. Felix of Nola is said to have taken refuge there, and in the seventh century St. Vitalian of Capua erected on the hill a chapel to the Blessed Virgin Mary, called "Sancta Maria de Monte Vergine". Whatever the origin of the name it is certain that a pagan shrine existed there, and the ruins of the temple of Cybele lie all about the hill. In 1119 St. William of Vercelli built a monastery of strict observance and perpetual abstinence on Monte Vergine, and in 1149 his successor Blessed Robert, with the approval of Alexander III, gave it to the Benedictines. According to Castellain, St. William was canonized by this pope, and his feast is kept on 25 June. As early as 1191 the abbey is spoken of as belonging "ad Dominum Papam specialiter". It received throughout the Middle Ages many marks of consideration from the kings of the Two Sicilies, within whose domains there were at one time no less than one hundred monasteries of this branch of the Benedictine order. After many vicissitudes, laxity of rule threatened ruin to the abbey, and in the sixteenth century Clement VIII charged Blessed John Leonard, founder of the Clerks Regular of the Mother of God, to restore the monastic spirit. The new constitutions were approved by Paul V in 1611, and included among other things a regulation that the monks of Monte Vergine should use the Camaldolese Breviary. The habit of the monks was to be white, and they were to wear a white scapular.

Elk normaal mens houdt nu op, want het gevonden resultaat is geheel en al in overeenstemming met de verwachtingshorizon van de vragensteller: de Wilhelmieten zijn gesticht door Willem van Vercelli, punt uit!

De volgende zoekopdracht was die naar Wilhelmieten in Vlaanderen, en wat zie ik tot mijn stomme verbazing: de Wilhelmieten zijn helemaal niet gesticht door Willem van Vercelli, maar door Willem van Malavalle, althans dat beweren de Wilhelmieten zélf! Who the f... is Willem van Malavalle?

      St. William of Maleval (or St. William the Great).

Died 10 February, 1157; beatified in 1202. His life, written by his disciple Albert, who lived with him during his last year at Maleval, has been lost. The life by Theodobald, or Thibault, given by the Bollandists is unreliable, having been interpolated with the lives of at least two other Williams. After a number of chapters in which he is confused with St. William of Gellone, Duke of Aquitaine, we are told that he went to Rome, where he had an interview with Eugene III, who ordered him to make a pilgrimage to Jerusalem in penance for his sins. Though Theodobald's account of his interview with the pope does not carry conviction, the fact of this visit and his subsequent pilgrimage to Jerusalem is supported by excerpts from the older life, which are preserved by responsories and antiphons in his Office. He seems to have remained at Jerusalem for one or two years, not nine as Theodobald relates. About 1153 he returned to Italy and led a hermit's life in a wood near Pisa, then on Monte Pruno, and finally in 1155 in the desert valley of Stabulum Rodis, later known as Maleval, in the territory of Siena and Bishopric of Grosseto, where he was joined by Albert.

Geloof me als ik u vertel dat ik deze informatie gecheckt en gedubbelcheckt heb met wat er nog meer over Willem van Malavalle op Internet te vinden is. In het kort komt het erop neer dat de Wilhelmieten met droge ogen beweren af te stammen van niemand minder dan Willem X (1099-1137), hertog van Aquitanië, zoon van de troubadour-hertog Willem IX, vader van dé Eleonora van Aquitanië, schoonvader van eerst koning Lodewijk VII van Frankrijk en vervolgens van koning Hendrik II van Engeland. Deze Willem zou zich na een leven vol uitspattingen door Bernard van Clairvaux tot inkeer hebben laten brengen, en zich na pelgrimages naar Santiago de Compostella, Rome en Jeruzalem als kluizenaar hebben teruggetrokken in de bergen van Toscane, en zodoende de aanzet gegeven hebben voor de orde der Wilhelmieten. Maar er zijn nog vindingrijkere biografieën in omloop...
     Sinds wanneer de Wilhelmieten dit doen, en wat de auteur van de Beatrijs hiervan wist, wie het weet mag het zeggen.

Voorzover ik dat heb kunnen nagaan, was noch Willem van Vercelli noch Willem van Malavalle bekend in onze contreien. Zo men hier te lande een sente Willem kende - die men zou kunnen verslijten voor de naamgever van de kluizenaarsorde der Wilhelmieten - en die ook nog eens zo hoog stond aangeschreven dat een lid van zijn orde garant kon staan voor integriteit en betrouwbaarheid, dan is dat ... Willem van Oringen.
     Guillaume d'Orange was een van de grootste helden uit de Franse Karelepiek. Een complete cyclus chansons de geste is zelfs naar hem vernoemd. Na een leven lang zinvol geweld tegen de Saracenen werd hij heremiet en trok zich terug in de woestenij: het latere Saint-Guilhem-le-Désert, waarna hij nog één keer een grandioze come-back mocht maken in Le moniage Guillaume. Bijna allesweter Jacob van Merlant weet het volgende over hem te vertellen in het beruchte hoofdstuk 29 van het eerste boek van de Vierde Partie van zijn Spiegel historiael, waarin hij de 'borderers' afbrandt:

             Oec sijn some Walsche boeke,
        Die werdich sijn grotere vloeke,
        Die van Willemme van Oringen
        Grote sterke ystorien singen,
45 Ende wilne beter dan Karel maken.
        Willem, dat sijn ware saken,
        Was een Duutsch, een ridder goet,
        Maer niet so vorbare, datmen moet
        Karle iet geliken alleene,
50 Maer minder noemen ende noch als clene
        Alse Roelant was of Olivier,
        Of [van] Denemaerken Ogier.
        Karel, dat sijn ware dinghe,
        Was best onder die Kaerlinghe.
55 Artur was in sinen stonden
        Die beste vander tafelronden,
        Hoe si van Lancelote zinghen
        Ende van Willemme van Oringen.
             Si wanen die t'Arleblanke comen,
60 Alsi daer hebben vernomen
        Die grave liggende harentare,
        Dat van Willems orloghe ware;
        Neent! het sijn die hoghe heren,
        Die te Roncevale bleven met eeren.
65 Willem was een rudder goet,
        Ende storte menech waerf sijn bloet
        Duer Gode; sijnt wart hi hermite.
        Die lesen wille sine vite,
        Te sente Willems inde Wostine,
70 Daer hi dogede meneghe pine,
        Ende daer hi heilech es verheven,
        Vint hise al van hem bescreven.
        Die Walsche bouke lieghen van hem,
        Die uten Walschen van Haerlem
75 Clays, ver Brechten sone, dichte,
        Daer scone worde in sijn ende lichte.
Of de bewaard gebleven fragmenten van Willem van Oringen van de hand van die Clays van Haerlem zijn, doet er nu even niet toe. Uit de manier waarop Jacob erover schrijft, kun je opmaken dat de teksten waarin Willem als groter dan Karel werd afgeschilderd, in zijn clericale ogen veel te populair waren. Ook van Le Moniage Guillaume zijn fragmenten van een Middelnederlandse vertaling bewaard gebleven. Wij kunnen er dus zeker van zijn dat deze heilige ridder-monnik tot de idolen van die tijd behoord heeft.

Welke betekenis moeten wij hechten aan de naam Ghijsbrecht? Verwijst hij naar een toen levende Wilhelmiet die inderdaad Ghijsbrecht heette, of is het een voor de gelegenheid verzonnen naam?
     Ghijsbrecht is een Germaanse naam, en als zodanig - net als Willem - een combinatie van twee elementen: 'ghijs' zou zoveel betekenen als 'kind van voorname ouders' (denk ook aan gijzelen en gijzelaar) en 'brecht' is hetzelfde als het Engelse 'bright' en betekent zoveel als 'stralend (van)'. Germaanse namen zijn ten tijde van het schrijven van de Beatrijs ouderwets. In het kielzog van de Renaissance van de Twaalfde Eeuw vindt er een verandering plaats in de naamgeving: in plaats van de 'oude' Germaanse namen propageert de Kerk apostel- en heiligennamen: Germaanse namen klinken zo heidens. Onze Jan, Piet en Klaas-namen dateren uit de dertiende eeuw. Je zoon Ghijsbrecht noemen in de tweede helft van de dertiende eeuw is tamelijk conservatief.
     Door de wijze waarop de naam geacht wordt te functioneren kunnen wij echter beredeneren dat hij een uiterst positieve klank gehad moet hebben. Nu zouden wij kunnen veronderstellen dat broeder Ghijsbrecht vanaf zijn zevende jaar deel heeft uitgemaakt van de orde der Wilhelmieten en zodoende van alle geheimen op de hoogte was, maar in de wereld buiten de kloostermuren had men weinig ontzag voor dit soort monniken, dat waren (Wille)mietjes. Groot respect echter was er voor échte mannen die zich overdekt met littekens aan het einde van een ridderlijk leven terugtrokken in een kluizenaarsbestaan. Het is heel goed mogelijk dat de naam Ghijsbrecht bedoeld was als een 'epische' naam. De luisteraar wordt uitgenodigd de drager van deze stoere naam te associëren met een heldhaftig man die net als Willem van Oringen na een werkzaam leven als miles Christi op zijn oude dag heremiet werd, en als vertrouwensman functioneerde.

In de prozaversie van het Beatrijs-verhaal - veel jonger en in een oostelijk Middelnederlands dialect - heeft men broeder Ghijsbrecht de volgende rol toebedacht:

      Ende ick, broder Gijsbert, heb dit allet ende vel mer van oirs selves mont verstaen, kort voir der tijt eer sie van desen ertrick scheiden.
Wederom een veritas-topos: op hun sterfbed spreken mensen de waarheid, de gehele waarheid en niets dan de waarheid. Gijsbert is echter geen Wilhelmiet meer, maar lijkt nu een broeder van dezelfde orde als Beatrijs, welke orde echter niet met name genoemd wordt:
      CCCIV: Van eynre jonfferen die Beatrix hiet

Id was in enen beslaten cloester van jonfferen ene joncfrou Beatrix genoempt, ende was lange tijt in den selven cloester ene costersche ende vuerde een ynnich devoet giestelick leven lange tijt.

Over de orde van het klooster waarin Beatrijs zeven jaar lang gek van de liefde werd, rept de Beatrijs-auteur met geen woord. Traditioneel wordt haar klooster tot de orde van Cîteaux gerekend. Doorslaggevend daarvoor lijkt het feit dat de oudste optekenaar van de legende - Cesarius van Heisterbach - een Cisterciënzer was. In de apocriefe Octo Libri Miraculorum-versie is het klooster van Beatrijs Benedictijns. Maar wat zegt dat? Niets! Wat ligt meer voor de hand om het gedrag van een non als Beatrijs in de sandalen van een andere orde te schuiven: Bij ons - Cisterciënzers - gebeuren zulke dingen niet...
     Cisterciënzers zijn - net als Wilhelmieten - witte monniken, Benedictijnen zijn zwarte monniken. Maar als Beatrijs in de kloostertuin door haar minnaar wordt opgewacht dan noemt hij haar kleding "grau" (r. 276). Dat is verwarrend omdat de kleur grauw volgens het Middelnederlandsch Woordenboek in de richting van de Franciscanen wijst, en dat is weer een hele andere orde met hele andere kloosters. Ik vermoed dan ook met Meder dat 'grau' hier figuurlijk bedoeld is: in het klooster leidde Beatrijs in de ogen van haar minnaar een kleurloos leven, maar nu zij met hem de wereld intrekt krijgt haar leven weer kleur!

Stel de mogelijkheid dat ik het bij het juiste eind heb dat de auteur van de Beatrijs de Wilhelmieten vereenzelvigde met sente Willem van Oringen - ook Reinout van Montelbaen eindigde zijn leven in een geur van heiligheid - welke duiding kan dan aan de naam Ghijsbrecht gegeven worden?
     Tot mijn verbazing is er in het REMLT geen andere Ghijsbrecht of Gijsbert te vinden die als kapstok gediend kan hebben. Toch is hij er wel. Er zijn fragmenten bewaard gebleven van een Middelnederlandse bewerking van een Oudfrans chanson de geste Guibert d'Andrenas. In deze Wybeert van Andernaken wordt het Spaanse Andrenas geïdentificeerd als het Duitse Andernachen aan de Rijn - gebeurt overigens ook in de Roman der Lorreinen. Guibert - Frans voor Ghijsbrecht - is een broer van Guillaume d'Orange.

Laat ik het zo formuleren: de auteur van de Beatrijs was geen hagiograaf maar een profane auteur. Lulofs bleef erop hameren dat het gedrag van Beatrijs vooral werd ingegeven door wereldlijke (adellijke) normen en waarden. De Middelnederlandse bewerking van de materie is exemplarisch hoofs, zoals Roel Zemel in Spektator schreef, en een weerslag van de modieuze literatuur van die tijd. Ook maakt het klooster waarin Beatrijs conservator is, met zijn slaguurwerk een hypermoderne indruk. Tenslotte zij er nog eens op gewezen dat er wat mij betreft voldoende reden is om de regels 865-1038 met daarin de biecht voor even apocrief te houden als het slot van Mariken van Nieumeghen.
     Het werk aan het REMLT heeft geleerd dat de Karel-epiek heel diep geworteld was in het referentiekader van Middelnederlandse auteurs. Ook als men een ander genre beoefende greep men vaak terug op de wereld van het chanson de geste. Mijns inziens is dat ook gebeurd in de proloog van de Beatrijs.

Literatuuropgave:

  • Beatrijs, een middeleeuws Maria-mirakel. Vertaald door Willem Wilmink. Met een inleiding en een teksteditie door Theo Meder. Amsterdam 1995.
  • CD-ROM Middelnederlands. Den Haag enz. 1998.
  • Kasper Elm, Ordo eremitarum S. Guilielmi. Ontstaan, eigen karakter, activiteiten en erfgoed van een Toscaanse Eremietengenootschap. Vertaald door A. IJsenbrant, Feestrede te Huybergen, 1977. (Beschikbaar in pdf-formaat: http://cf.hum.uva.nl/dsphome/scriptamanent/Neder-L/ORDO%20EREMITARUM%20SANCTI%20GUILIELMI.pdf.)
  • Hans Kienhorst, 'Fragment van een onbekende Middelnederlandse ridderroman over Willem van Oringen [...]', in: TNTL 114 (1998), p. 125-137.
  • D.A. Stracke, 'Een onbekende Frankische roman', in: TTL 15 (1927) p. 137-151.
  • 'Willem van Oringen', in: Middelnederlandsche epische fragmenten. Met aanteekeningen door G. Kalff. Groningen 1886 (reprint Arnhem 1968), p. 99-119.
  • R.M.T. Zemel, 'De hoofse wereld in de Beatrijs', in: Spektator 12 (1982-83), p. 345-376.
Weblinks: Met dank aan: Charles Caspers, Ike de Loos, Theo Meder, Marc van Oostendorp, Piet Verkruijsse en Roel Zemel voor hun commentaar op de concept-versie.


[Dit nummer][Archieven Kuiper]