0503.02 Terug
Vooruit 0503.04

Rub: 0503.03

Date: 10 maart 2005
From: P.J. Verkruijsse <p.j.verkruijsse@uva.nl>
Subject: Rub: 0503.03: Hora est!: promotie Erik van Schooten, Groningen, do 17 maart 2005

Hora est!

Donderdag 17 maart 2005, Rijksuniversiteit Groningen.
Eric van Schooten: Literary Response and Attitude Toward Reading Fiction.
Promotor: prof. dr. C.M. de Glopper.
Leerlingen in het voortgezet onderwijs lezen vooral omdat ze lezen leuk vinden. Naarmate ze ouder worden, lezen ze steeds minder. Het literatuuronderwijs en meer aandacht voor het leesplezier kunnen deze negatieve trend tegengaan. Dat zijn enkele conclusies uit het onderzoek van Erik van Schooten. Hij promoveert op 17 maart 2005 aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Hoe krijgen we leerlingen in het voortgezet onderwijs zover dat ze meer gaan lezen en dan vooral kwalitatief betere boeken? Dat was in de jaren negentig de insteek van het leesbevorderingsbeleid van de overheid. In dit kader heeft Erik van Schooten onderzocht wat de attitude (houding) van leerlingen is ten opzichte van lezen, welke factoren het leesgedrag beïnvloeden en hoe leerlingen reageren op literatuur. Hij concludeert dat plezier in het lezen essentieel is om leerlingen aan het lezen te krijgen en te houden. En dat is belangrijk: "Leerlingen die veel lezen, hebben een grotere woordenschat en zijn beter in begrijpend lezen. En dat is weer van belang voor alle schoolse vakken en daarmee voor de schoolprestaties".
Hij is daarom een groot voorstander van lezen in de vrije tijd: "Op school is daar onvoldoende tijd en gelegenheid voor."
Om meer inzicht te krijgen in de factoren die het leesgedrag van leerlingen beïnvloeden, heeft Van Schooten, gebaseerd op theoretische modellen, instrumenten ontwikkeld waarmee hij de attitude ten opzichte van het lezen en de literaire respons van leerlingen kan meten. Deze instrumenten heeft hij eenmalig afgenomen bij leerlingen in de eerste drie schooljaren van alle schooltypes. Om na te gaan hoe deze aspecten zich ontwikkelen bij individuele leerlingen, heeft hij bij twee cohorten van havo- en vwo-leerlingen jaarlijks metingen verricht: van het eerste tot en met het derde en van het derde tot en met het vijfde leerjaar.
Leesplezier komt naar voren als de belangrijkste factor die het leesgedrag van leerlingen in het voortgezet onderwijs bepaalt. Het onderwijs moet hiermee dan ook rekening houden, vindt Van Schooten: "Als je leerlingen al vroeg het leesplezier afneemt door ze boeken te laten lezen die ze helemaal niet leuk vinden of die te moeilijk zijn, schiet je jezelf in de voet. Dan is het heel moeilijk om ze nog te motiveren om iets anders te lezen. Andere factoren, bijvoorbeeld dat je iets leert van lezen of omdat je omgeving vindt dat je moet lezen, zijn veel minder belangrijk dan het leesplezier."
Van Schooten onderzocht ook de literaire respons: hoe reageren leerlingen innerlijk op het lezen van literatuur? Hij onderscheidt twee factoren: trance, de mate waarin de lezer meeleeft met het verhaal, en literaire interpretatie, de manier waarop de lezer het gelezene interpreteert. "Trance en literaire interpretatie blijken elkaar niet te hinderen, zoals wel wordt beweerd, maar vullen elkaar aan. De totale beleving van een literair werk veronderstelt zowel trance als literaire interpretatie."
Net als het lezen zelf, vermindert de literaire respons met de jaren, sneller bij jongens dan bij meisjes. Van Schooten wijst erop dat literatuuronderwijs deze trend af lijkt te remmen.
"Literatuuronderwijs lijkt ervoor te zorgen dat leerlingen bij het ouder worden blijven lezen en het leuk blijven vinden om het gelezene te interpreteren. Verder blijven ze positief staan tegenover het lezen van fictie en blijven ze een sterkere trance ervaren. Dat gaat dan vooral op voor de tekstervaringsmethode, waarbij leerlingen niet wordt verteld wat ze van een boek moeten vinden, maar een eigen mening kunnen vormen. En komen ze dan met een mening die de leerkracht niet bevalt, dan is dat geen probleem."
Hij heeft een aantal heldere aanbevelingen voor het voortgezet onderwijs. Zo vindt hij dat leraren zich in de onderbouw vooral zouden moeten richten op het bevorderen van leesplezier. "Sluit aan bij de belevingswereld van leerlingen. Laat ze zelf boeken uitkiezen en bied zelf kwaliteitsboeken aan van grote literaire schrijvers, maar let er wel op of leerlingen daar al aan toe zijn. En eis niet dat leerlingen een boek dat ze niet leuk vinden helemaal uitlezen. Dat is zo demotiverend."
Erik Joost van Schooten (Amstelveen, 1957), studeerde Nederlandse Taal en Letterkunde, hoofdvak Taalbeheersing, aan de Universiteit van Amsterdam. Als bijvakken studeerde hij Methoden en Technieken van Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek en Portugese Letterkunde. Hij is bij deze universiteit werkzaam als opdrachtonderzoeker bij het SCO-Kohnstamm Instituut van de faculteit Maatschappij- en Gedragswetenschappen.


[Dit nummer][Hora est!][Agenda]