0503.15 Terug
Vooruit 0501.a
Vorig Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgend Miniatuurtje

Col: 0503.15

Date: Fri, 11 Mar 2005 12:18:30 +0100
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.ru.nl>
Subject: Col: 0503.15: Linguïstisch Miniatuurtje CI: Het gelijk van Evert ten Napel

Linguïstisch Miniatuurtje CI:
Het gelijk van Evert ten Napel

Het gebeurde in de laatste tien minuten van de wedstrijd AS Monaco - PSV op 9 maart 2005. Het stond 0-2, het ging eigenlijk nergens meer over. Een beetje plichtmatig werd de wedstrijd uitgespeeld, en ik denk dat Evert ten Napel ook niet meer zo scherp was. PSV kreeg nog een corner. Die leverde niets op, mede omdat de verdedigers van PSV, met name Alex, ook niet meer de moeite namen om naar voren te gaan. De commentator verwoordde het zo: "Alex gaat natuurlijk ook niet meer naar voren, en gelijk dat-ie heeft."

Hee, dacht ik, Gelijk dat-ie heeft, dat klopt niet. Moet dat niet zijn Gelijk heeft-ie? Maar Evert praatte gewoon door, alsof er niets aan de hand was. Toch denk ik dat hij het -net als ik- heel even gemerkt heeft. Er moet een klein oeps in zijn hersenen hebben geklonken, maar zijn taalmodule oordeelde dat het slippertje niet belangrijk genoeg was om te herstellen. We moeten door, er zijn belangrijker dingen dan zinloze correcties.

Als je erover gaat nadenken heb je al snel de neiging om Ten Napel gelijk te geven. Waarom zou dat niet kunnen, Gelijk dat-ie heeft? Je zegt toch ook Spannend dat het was! of Een corners dat ze kregen! Wat is er dan mis met Gelijk dat-ie heeft? Is dat niet gewoon een uitroepende variant van Hij heeft gelijk? Misschien is Gelijk heeft-ie alleen maar gebruikelijker, en is Gelijk dat-ie heeft taalkundig volkomen in orde.

Het wordt wat anders als je wat zwaarder taalkundig geschut in stelling brengt. Bijvoorbeeld met een beroep op wat in de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) staat. Die spreekt in dit verband over de "typisch Nederlandse uitroepende constructie met een beklemtoonde constituent gevolgd door een dat-zin". Het gaat dan om zinnen als Koud dat het daar was!, Liegen dat hij kan! en Lummel dat je bent!. De laatste verschilt prosodisch nogal van de eerste twee. De ANS stelt dat de eerste twee, in tegenstelling tot de laatste, "op vrij hoge toon" worden uitgesproken. Ik denk dat het daarbij voornamelijk gaat om de eindintonatie. Die stijgt in de eerste twee gevallen, alsof er nog iets volgt, en daalt bij de laatste uitroep, net zoals bij een normale mededelende zin.

Ook in betekenisopzicht is er een belangrijk onderscheid. Zinnen als Lummel dat je bent! zijn altijd verwensingen. Je scheldt iemand uit (dat kun je ook zelf zijn, zoals in Sukkel dat ik ben!) en de uitdrukking versterkt alleen het uitroepende karakter en de prominente positie van het scheldwoord. De andere zinnen echter vertonen nog een extra betekenisaspect: daar gaat het om een hoge mate, of een hoge graad van het vooropgeplaatste zinsdeel. Lekker dat het was! betekent zoveel als Het was heel erg lekker. Liegen dat hij kan! betekent Hij kan heel erg goed liegen.

Zo op het eerste oog is er nog een ander type zin met deze woordvolgorde: Goed dat je dat opmerkt. Dit type verschilt echter in belangrijk opzicht van de andere: het zijn elliptische zinnen, die je kunt parafraseren als Dat je dat opmerkt is goed. Zo'n parafrase kan niet bij *Dat het daar was is koud, *Dat hij kan is liegen, en *Dat je bent is een lummel.

Wat is Gelijk dat-ie heeft nu voor een constructie? Het is in ieder geval geen verwensing, zoals Lummel dat je bent! En het is ook niet te parafraseren als *Dat-ie heeft is gelijk. Dus moet het analoog zijn aan Koud dat het daar was! Maar dat betekent dat de zin een betekenisaspect "hoge mate" heeft: Hij heeft heel erg gelijk. Is dat wat Evert wilde zeggen? Ik denk het niet. Ik denk dat hij bedoelde te zeggen dat hij sterk van mening was dat Alex gelijk had, niet dat hij van mening was dat Alex heel erg gelijk had. Met andere woorden: de hoge mate geldt niet het gelijk van Alex, maar dat van Evert zelf. En hoe had hij dat dan moeten benadrukken, dat eigen gelijk? Door het vervoegde werkwoord te accentueren (dat is zo! Ik heb je wel gezien!), en wel op de tweede zinsplaats. Hij had dus inderdaad moeten zeggen Gelijk heeft-ie.

Waarom maakt Evert ten Napel deze vergissing? Wat is de overeenkomst tussen de constructie Koud dat het daar was! en Gelijk heeft-ie? Dat is een vraag die in de ANS niet beantwoord wordt, maar wel in de modernere generatieve grammatica. Kort gezegd komt de theorie over de Nederlandse zin hierop neer dat in ons hoofd elke zin ontstaat uit een bijzinsvolgorde. Een zin als Het was daar koud ontstaat uit een basis Dat het daar koud was in twee eenvoudige stappen: (1) zet het vervoegde werkwoord op de plaats van het voegwoord dat (Was het daar koud) en (2) zet het woordje het vooraan de zin (Het was daar koud).

Het aardige is dat je met deze twee stappen elke variant van de oorspronkelijke zin kunt maken. Laat je beide stappen weg, dan hou je de bijzin dat het daar koud was. Pas je stap (2) toe op een ander zinsdeel, dan maak je koud was het daar, of daar was het koud. Heb je stap (2) toegepast op koud, dan had je ook stap (1) kunnen weglaten. Dát is de variant koud dat het daar was.

Deze theorie houdt in dat Gelijk heeft-ie is ontstaan uit dat hij gelijk heeft. Met de stappen (1) (heeft hij gelijk) en (2), toegepast op gelijk, krijg je gelijk heeft hij. Laat je stap 1 weg, dan heb je Gelijk dat hij heeft. Blijkbaar mag dat in dit geval niet. Waarom niet?

Wanneer je welke stap op welk element mag of moet toepassen is één van de kernvragen van de generatieve grammatica. De heersende gedachte is dat toepassing van een stap moet worden getriggerd door een in de structuur aanwezig element. Dat kan een woord zijn, maar ook een abstract betekeniselementje.

In normale zinnen wordt stap 1 afgedwongen door de afwezigheid van het voegwoord. De zin begint als dat het daar koud was, je laat dat weg, en op de opengevallen plek komt het werkwoord te staan. In bijzinnen staat altijd een voegwoord, waardoor stap 1 wordt overgeslagen (omdat het daar koud was). In zinnen met een uitroepende betekenis mag blijkbaar in bepaalde omstandigheden het voegwoord dat blijven staan: dat je dat maar weet!, dat het uitgerekend nu zo koud moet zijn!. Wil je het "hoge-mate-aspect" toepassen op een zinsdeel, dan triggert dat stap 2 (Koud dat het daar was!) Wil je alleen de hoge mate van je eigen gelijk benadrukken, dan accentueer je het vervoegde werkwoord, wat stap 1 toch weer triggert: Koud wás het daar!.

Evert ten Napel koos omwille van het uitroepende karakter van de zin voor het achterwege laten van stap 1, en paste het hoge-mate-aspect (per vergissing) toe op het zinsdeel gelijk in plaats van op het werkwoord. Daardoor bleef stap 1 ook in tweede instantie achterwege, en benadrukte hij het gelijk van Alex in plaats van zijn eigen gelijk.

En waarom gaat die intonatie nog omhoog aan het eind van die uitroep? Ik denk dat dat net zoiets is als de aankondiging van een graadbepaling. Begin je een zin met Het duurde lang... met stijgende eindintonatie, dan kondig je een bepaling aan (... dat ik maar ben vertrokken). Zoiets doe je in die uitroep ook. Alleen is wat je aankondigt niet talig, maar een andere uitdrukking van emotie (een veelbetekenende blik, een gebaar als het wapperend naar beneden uitschudden van je hand ter hoogte van je lever). Koud dat het daar was! (veelbetekenende blik, nou nou, wapper wapper). Een beetje het Say no more, nudge nudge uit de bekende Monty Pythonsketch.

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]