0507.25 Terug
Vooruit 0507.27

Rec: 0507.26

Date: 20 juli 2005
From: Gerard Raat <gerardraat@planet.nl>
Subject: Rec: 0507.26: Recensie 'Klein, kleiner, kleinst' door Gerard Raat van: Hans Werkman. De haven uitgraven. De wereld van J.K. van Eerbeek, schrijver (Meindert Boss 1898-1937). (Hilversum, 2004)

Recensie

Hans Werkman. De haven uitgraven. De wereld van J.K. van Eerbeek, schrijver (Meindert Boss 1898-1937). Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2004. 544 blz.; ills.; EUR 29,00; isbn 90-6550-821-X.
Klein, kleiner, kleinst

In de tweede bundel van Gerrit Achterberg, 'Eiland der ziel' (1939), staat het gedicht '"Beumer & Co."', dat opent met de regels: 'Hoeken met huisgeheimen / komen bloot. / De vloeren schamen zich dood.' Het gedicht beschrijft de brute schending van de intimiteit van een woning: 'Zij die naar boven komen, / breken blind kapot / wat was in slot, ontnomen / wordt elk ding aan zijn lot; [...]'. De indringers richten vernielingen aan: 'Onder de hand der horde sterft het glas.' De op het eerste gezicht duistere titel, blijkens de aanhalingstekens een citaat, verwijst naar een verhuisbedrijf, waarvan Achterberg de werkzaamheden voorstelt als een genadeloze ontruiming. De firma komt voor in de roman 'Beumer & Co.' en gaat daar wat zachtzinniger te werk. De roman is geschreven door J.K. van Eerbeek en in 1937 uitgegeven door G.F. Callenbach te Nijkerk. Het was één van de weinige boeken waarmee de nu nagenoeg vergeten schrijver een bescheiden verkoopsucces wist te boeken. Zoals zijn uitgever al doet vermoeden - ook Kok in Kampen gaf zijn werk uit -, had Van Eerbeek een calvinistische achtergrond - net als Achterberg trouwens. Aan deze prozaïst wijdde Hans Werkman, die vanuit eenzelfde godsdienstige overtuiging al decennia aandacht besteedt aan literatuur met een gereformeerde signatuur, een kloeke biografie, waarop hij in 2004 promoveerde aan de Vrije Universiteit te Amsterdam: 'De haven uitgraven. De wereld van J.K. van Eerbeek, schrijver (Meindert Boss 1898-1937)'.

Werkman vertelt de levensgeschiedenis van Van Eerbeek in 34 hoofdstukken, voorafgegaan door een 'Proloog' en afgesloten met een hoofdstuk waarin hij de balans opmaakt. Het boek, dat meer dan 550 dicht bedrukte bladzijden telt, bevat onder meer een fotokatern, een uitvoerig notenapparaat, bibliografieën van en over Van Eerbeek en een personenregister.

J.K. van Eerbeek is het (nooit afdoende opgehelderde) pseudoniem van Meinart, in de wandeling Meindert, Boss, die in 1898 wordt geboren in Zwolle en daar in 1937 overlijdt. Hij groeit op in een gereformeerd bakkersgezin, waarvan nog enkele kinderen jong sterven. Als leerling van de mulo en van een opleiding tot onderwijzer voelt hij pijnlijk de discrepantie tussen het beeld dat de buitenwereld zich van hem vormt en de wetenschap dat hij iets in zijn mars heeft. Meindert is een kritische, zoekende natuur die niet voetstoots de godsdienstige waarheden kan accepteren die hem worden voorgehouden. Desondanks blijft hij zich levenslang verbonden voelen met het milieu waaruit hij afkomstig is. De behoefte de band wat losser te maken is echter onmiskenbaar, één van de redenen waarom hij na het behalen van het onderwijzersdiploma vrijwillig in militaire dienst gaat. Hij loopt tuberculose op en deze toentertijd gevreesde ziekte zal de rest van zijn leven beheersen. De permanente dreiging van de dood verhevigt zijn worsteling met het geloof en meer dan eens denkt hij erover zelfmoord te plegen.

Een aantal keren is Meindert kort werkzaam als onderwijzer. Hij draagt verhalen bij aan het populaire tijdschrift De Spiegel, dat een orthodox protestants lezerspubliek heeft, maar ook aan het literaire tijdschrift Opwaartsche Wegen. Hoewel hij een aantal auteurs leert kennen uit de kring rond dit blad, blijft hij ook hier een moeilijk te peilen buitenstaander. In 1928 kiest hij voor het schrijverschap, al houdt hij daarnaast enkele kleine betrekkingen aan, onder andere als onderwijzer in het Huis van Bewaring te Zwolle. Dit werk levert hem stof op voor zijn verhalen. Ondanks zijn zwakke gezondheid ontwikkelt Meindert, die vanaf 1929 de schuilnaam J.K. van Eerbeek gaat gebruiken, een grote productiviteit. Hij schrijft tot aan zijn dood in 1937 een jeugdboek, zes romans en ongeveer tachtig verhalen en novellen.

Met zijn werk wil Van Eerbeek dienstbaar zijn aan zijn gereformeerde lezers door hun kritische zin bij te brengen. Het individu moet naar zijn mening de leer van de kerk persoonlijk onderzoeken en dusdoende de haven uitgraven waar het zich thuis weet. Door deze instelling beweegt ook Van Eerbeek zelf zich voortdurend in het spanningsveld tussen individu en gemeenschap.

Zijn privé leven vertoont er de sporen van, al wordt dit ook getekend door zijn ziekte, die hem belet ver vooruit te kijken. Er zijn enkele vrouwen in zijn leven, maar het wordt niet duidelijk welke betrekkingen hij met hen onderhoudt. Werkman maakt nergens melding van en seksuele relatie, maar misschien is hij op dit punt te argeloos. Zijn leven lang blijft Van Eerbeek, ook door de nood gedwongen, thuis wonen, maar van tijd tot tijd trekt hij weg, zelfs naar Zuid-Frankrijk, wat in die tijd een hele onderneming was. Kort na zijn terugkomst uit dit land krijgt hij een longontsteking, waaraan hij op 5 november 1937 overlijdt.

Aan het slot van zijn 'Proloog' geeft Werkman expliciet het doel aan van zijn dissertatie: 'Deze biografie wil aantonen hoe onrechtvaardig het was [...] dat Van Eerbeek na de Tweede Wereldoorlog werd bijgeschreven in het vergeetboek. Ik heb zijn naam daarin willen doorstrepen' (p. 16). Ter ondersteuning van dit streven memoreert hij de waardering die Van Eerbeek voor de Tweede Wereldoorlog ondervond, ook buiten de eigen kring, bijvoorbeeld van Menno ter Braak. Diens prijzende woorden naar aanleiding van de roman 'Gesloten grenzen', niet onverwacht van een schrijver die net als Van Eerbeek de persoonlijke stellingname laat prevaleren boven de literaire vormgeving, contrasteren schril met de enkele herdruk na 1945 en het geringe aantal publicaties over het werk sinds dit jaar.

Het is de vraag of de biografie het geschiktste instrument is om het doel te bereiken dat Werkman zich heeft gesteld. Aandacht voor de persoon leidt maar zelden tot een meer dan voorbijgaande belangstelling voor het werk, hoe vaak het tegendeel ook wordt beweerd. En het is het literaire werk dat de biograaf van Van Eerbeek van de vergetelheid wil redden. Dit werk had derhalve veel aandacht moeten krijgen. Niet om te bewijzen dat het een hoge literaire kwaliteit bezit, want zoiets kan niet worden bewezen. Maar wel om het via een grondige bespreking en een vergelijking met werk van zijn (niet gereformeerde) tijdgenoten te situeren in de literatuurgeschiedenis. De bespreking van Werkman volgt echter een obligaat stramien: ontstaan, personages, thematiek, compositie en stijl, uitgave en receptie. Daarbij ontziet hij zich niet waardeoordelen te vellen, die in een proefschrift niet thuishoren: 'Ondanks een aantal sterke zinnen lijdt 'De gemeenschap' aan literaire kramp; het is te cryptisch en te 'mooi' geschreven, te weinig concreet en visueel. De psychologische bespiegelingen versluieren de verhaalvorm' (p. 196). Een aantal malen valt de term Nieuwe Zakelijkheid, maar de verhouding van Van Eerbeeks proza tot dat van Revis of Bordewijk, komt niet aan de orde.

Werkman tracht het oeuvre van Van Eerbeek in te bedden in diens leven. Dit heeft tot gevolg, zoals in veel schrijversbiografieën, dat hij speurt naar parallellen. Die zijn er niet veel, omdat Van Eerbeek spaarzaam putte uit zijn eigen leven. Ook op dit punt was hij gesloten. Bovendien was dit leven weliswaar tragisch, maar niet veelbewogen, zodat de biografie uit deze hoek evenmin de wind in de zeilen krijgt.

Anders dan veel van zijn geloofsgenoten koos Van Eerbeek niet voor de antithese. Hij stond open voor de wereld en de andere religies die daar worden beleden. In dit opzicht lijkt Werkman behoudender dan de gebiografeerde. Wanneer Meindert Boss, tweeëntwintig jaar oud, vol weerzin terugblikt op zijn tijd bij de gereformeerde Jongelingsvereniging, vindt zijn biograaf het nodig erop te wijzen dat hij dankzij deze organisatie toch ook 'sociale en cognitieve winst' moet hebben geboekt (p. 64). Ook is Werkman de mening toegedaan dat 'een bewust christelijk bestuurd sanatorium' een betere sfeer kent dan zijn openbare tegenhanger (p. 482). Door deze benadering blijft Van Eerbeek onherroepelijk gevangen in zijn eigen zuil, hetgeen niet bevorderlijk is voor de verkondiging van zijn betekenis daarbuiten.

Het Nederlandse taalgebied is relatief klein en dit heeft onvermijdelijk consequenties voor het aantal belangrijke auteurs dat in het Nederlands schrijft. Kleiner is het aantal schrijvers dat binnen een bepaalde zuil belangwekkend mag heten. Beoordeling door iemand van dezelfde denominatie leidt licht tot overschatting van hun betekenis, met als gevolg dat zij voor de buitenstaander, die dit verband doorziet, op hun kleinst verschijnen. Werkman heeft mij er niet van kunnen overtuigen dat Van Eerbeek ten onrechte is vergeten.

Deze slotsom laat onverlet dat het vele werk dat Werkman heeft verzet respect afdwingt. Hij heeft enorm veel gegevens vergaard, niet alleen uit officiële publicaties, maar ook uit diverse archieven. Daarbij moest hij ondervinden dat veel materiaal verloren was gegaan, bijvoorbeeld doordat het was vernietigd door Van Eerbeeks zus Rebekka, die zich na zijn dood opwierp als 'de vertegenwoordiger van Meindert op aarde', zoals Werkman het ironisch uitdrukt (p. 448).

Uit 'De haven uitgraven' rijst het beeld op van en gekweld leven, beheerst door een beknottend calvinisme en de niet aflatende dreiging van de dood. Een aantal episoden, zoals het krankzinnig worden en sterven van zijn zus Dien, en de dood van Van Eerbeek zelf, zijn ronduit aangrijpend. Maar doorgaans gebeurt er weinig en doorbreekt ook de bespreking van het literaire werk de sleur niet. Mede daardoor dringt zich de gedachte op dat meer beknoptheid het eindresultaat ten goede was gekomen. Al blijft het twijfelachtig of Hans Werkman zijn doel dan dichter was genaderd.

G.F.H. Raat


[Dit nummer]