0509.33 Terug
Vooruit 0509.b
Vorig Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgend Miniatuurtje

Col: 0509.34

Date: Wed, 28 Sep 2005 23:14:50 +0200
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.ru.nl>
Subject: Col: 0509.34: Linguïstisch Miniatuurtje CIV: Afijn

Linguïstisch Miniatuurtje CIV:
Afijn

In een artikel over de poëzie van F. van Dixhoorn van Rutger H. Cornets de Groot (http://meander.italics.net/artikelen/artikel.php?id=82) heeft de auteur het over het vervreemdende effect van een zinsnede als Iedereen lachen natuurlijk. Dat is een voorbeeld van spreektaal, maar is dat het enige taalkundige kenmerk dat voor dit effect zorgt? De tegenstelling poëtische taal - gewone taal? Ik denk dat er wel iets meer over te zeggen valt.

Wat de doorgewinterde taalkundige onmiddellijk in het oog springt bij de uiting Iedereen lachen natuurlijk is het elliptische karakter ervan. De zin is niet volledig, er ontbreekt een persoonsvorm. Nu zijn er verschillende mogelijkheden om dit te analyseren. De meest eenvoudige is om te stellen dat lachen zelf die persoonsvorm had moeten zijn, en dat alleen de vervoeging is weggelaten. De zin is dan elliptisch voor Iedereen lachte natuurlijk.

Een andere analyse is dat hier een hulpwerkwoord ontbreekt. Ook nu weer twee mogelijkheden: er is een concreet hulpwerkwoord weggelaten (moest, begon te), of er ontbreekt een abstract betekenisarm hulpwerkwoord (iets als doen), dat niet eens ingevuld zou kunnen worden.

Is lachen zelf de persoonsvorm? Ik denk het niet. Immers, er zijn aanwijzingen dat het werkwoord in de zogeheten "achterpositie" staat: als je lachen vervangt door een scheidbaar samengesteld werkwoord (iedereen uitkijken natuurlijk) dan zie je dat het eerste lid vóór het werkwoord staat, terwijl dat bij de persoonsvorm er juist achter staat (iedereen keek uit natuurlijk). Ook vervanging van lachen door constructies met voorwerpen (iedereen het uitschreeuwen natuurlijk, iedereen kreten slaken natuurlijk) onthult dat de voorwerpen vóór het werkwoord staan.

Er zijn twee gevallen waarin het werkwoord in achterpositie staat: in bijzinnen (omdat iedereen kreten slaakte natuurlijk) en bij toevoeging van een hulpwerkwoord (iedereen begon kreten te slaken natuurlijk). Voor een bijzinsanalyse lijkt in onze constructie geen argumentatie voorhanden (dan zou er op zijn minst een voegwoord bij moeten kunnen), dus het betreft een constructie met hulpwerkwoord. In iedereen lachen natuurlijk is klaarblijkelijk een hulpwerkwoord weggelaten of achterwege gebleven.

Wat is dat voor een hulpwerkwoord? Bij iedereen lachen natuurlijk zou je nog kunnen argumenteren voor moest, maar dat is in lang niet alle gevallen mogelijk. Bij iedereen kreten slaken natuurlijk is dat uitermate vreemd, en hulpwerkwoorden die qua betekenis daar voor de hand liggen (zoals beginnen) vereisen ook nog een extra te, zodat er dan ineens twee woorden "weggelaten" zouden zijn.

Taalkundig lijkt het daarom het meest aantrekkelijk om iedereen lachen natuurlijk te analyseren als een constructie met een abstract (niet hoorbaar) hulpwerkwoord. Laten we zeggen een soort doen, al is het dan niet doen maar iets anders, dat de persoonsvormvervoeging draagt, en iets specifieks aan de betekenis toevoegt: iedereen "deed" lachen natuurlijk.

Wat voegt dat onhoorbare doen toe aan de betekenis? Daartoe moeten we ons voorbeeld vergelijken met andere voorbeelden van dezelfde constructie. Wat valt er allemaal onder die constructie? Behalve iedereen lachen kun je dezelfde constructie ook hebben met andere voornaamwoorden (jij lachen natuurlijk, ik lachen natuurlijk), en met eigennamen (Harry lachen natuurlijk), en zelfs met hele woordgroepen (de burgemeester lachen natuurlijk). Maar dat is niet alles.

In plaats van het werkwoord lachen kun je ook een naamwoordelijk deel van het gezegde hebben: iedereen boos natuurlijk, jij blij, de burgemeester in alle staten. Nu lijkt niet zozeer een hulpwerkwoord, maar het koppelwerkwoord achterwege gebleven. Ik zou zeggen het koppelwerkwoord worden, maar daar kom ik zo meteen op terug. De overeenkomst met de constructie met werkwoord is dat ook nu een betekenisarm werkwoord dat de vervoeging draagt achterwege is gebleven.

Kenmerk van al deze voorbeelden is dat ze gemakkelijk voorkomen na het stopwoordje enfin, in spreektaal vernederlandst tot afijn. Probeert u het maar eens uit. Volgens mij zit daar de kern voor de analyse: de constructie markeert een overgang tussen twee toestanden. In vakjargon: heeft een inchoatief aspect. De uiting iedereen lachen natuurlijk kan alleen worden gebruikt in een groter verband waarbij, als gevolg van iets wat zojuist is opgemerkt, iedereen begon te lachen. Het woordje enfin versterkt die overgang met een beroep op gezamenlijke kennis. Iets als Nou ja, je begrijpt wel, dubbele punt. Hetzelfde zie je bij een uiting als Hij boos. De spreker heeft zojuist een gebeurtenis beschreven en merkt op, min of meer ten overvloede, zo lijkt het, dat er iemand boos wordt.

Blijkbaar betekent dat abstracte hulpwerkwoord dus toch iets: het heeft een inchoatief aspect. Daarnaast wordt de constructie blijkbaar mogelijk gemaakt door een abstract betekeniselement als gevolg daarvan. Dat klinkt de taalkundige allemaal niet vreemd in de oren: inchoatieve en causale aspecten zijn zeer frequent in taal, en doen hun invloed op allerlei manieren gelden.

Wat is het nut van zo'n constructie? Waarom spreken we zo graag in ellipsen? Ik denk dat het een kwestie van bonding is: de spreker probeert een emotionele band met de gesprekspartner te ontwikkelen door vanzelfsprekende dingen weg te laten. Wat je weglaat wordt immers bekend verondersteld. Daarmee wordt het gezamenlijke kennis, die de band tussen beide gesprekspartners versterkt. In eerdere miniatuurtjes, over Maf ze en Evert ten Napel, speelde hetzelfde thema.

Het "vervreemdende" effect van de dichtregel lijkt me dan ook de opzichtige poging tot communicatieve omhelzing. Met een syntactische constructie (niet met woordbetekenissen!) port de dichter de lezer met een elleboog in de zij. De lezer deinst terug.

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]