0510.40 Terug
Vooruit 0510.42
Vorig Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgend Miniatuurtje

Col: 0510.41

Date: Tue, 18 Oct 2005 22:30:32 +0200
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.ru.nl>
Subject: Col: 0510.41: Linguïstisch Miniatuurtje CVI: voorwerpen

Linguïstisch Miniatuurtje CVI:
Tegenwerkende voorwerpen

De vorige maand (http://www.neder-l.nl/bulletin/2005/09/050918.html) schreef ik over Het Grote Taboe, het taboe op grammaticale discussie. Dat had ik beter niet kunnen doen. Werkelijk een stortvloed van reacties kreeg ik over me heen. Sommige (mijn vrienden) geamuseerd ("Haha, leuk stukje, ja je zit ons weer goed te stangen!"), andere geërgerd: wie dacht ik wel dat ik was dat ik de taalgebruikers hun intuïties kon lopen voorschrijven? En dan had ik tot overmaat van ramp dat stukje ook nog geöpend met een flauwe grap (altijd onverstandig) die nota bene van Rudy Kousbroek zou zijn. Rudy Kousbroek! De man die taalkundigen regelmatig omschrijft als liefdeloze cultuurbarbaren zonder een greintje taalgevoel. Die Rudy Kousbroek. En van hem zit ik de grapjes te recyclen. Hij zou zich omdraaien in zijn graf als hij dood was. Maar gelukkig leeft hij nog (of is dit ook al van iemand?).

Beide groepen reacties maken me echter niet zo vrolijk. Ik vind het aardig als mensen moeten lachen om deze stukjes, maar ik loop zo langzamerhand een beetje het gevaar dat ik aan het verworden ben tot de pias van de Nederlandse taalkunde, van wie niets meer serieus genomen hoeft te worden. Wat Coppen zegt is altijd lachen, en nooit serieus bedoeld. Eigenlijk is het om te huilen.

Ondertussen bedoel ik het allemaal wel degelijk ernstig. Het is een feit dat taalkwesties waar een halfslachtige grammaticale analyse aan verbonden is, in steen gebeiteld lijken. "Oei, pas op, grammatica! Dat is te moeilijk voor ons! Zegt die analyse dat deze zin grammaticaal is? O ja, nou, dat zal dan wel zo zijn. Er is vast iets mis met mijn taalgevoel. Wat is dat toch moeilijk, die Nederlandse grammatica, ik leer die taal nooit."

Over welke kwestie gaat het hier? Kort gezegd komt het hierop neer: ik beweerde dat in de constructie iemand verzoeken om te reageren het zinsdeel iemand géén meewerkend voorwerp zou zijn. Een van de argumenten die ik daarvoor aanvoerde was dat een zin als ik verzoek aan jou om te reageren eigenlijk ongrammaticaal zou zijn. Tja, dát was nou net tegen het zere been. Wie ben ik om dat uit te maken?

Waarom zou iemand in iemand verzoeken om te reageren wél het meewerkend voorwerp zijn? Daar zijn drie argumenten voor, die allemaal geen steek houden. Eigenlijk vier, maar de vierde, die overigens het meest gebruikt wordt, is "Dat hebben we vroeger zo geleerd." Goed beschouwd is dit geen zelfstandig argument, want het roept onmiddellijk de vraag op: maar welke argumenten gebruikten onze leermeesters dan? En die kunnen dan ook wel hetzelfde zeggen, maar dan raken wij meteen in een Droste-effect dat in taalkundige kringen recursie heet. Op den duur zal dan toch een van de andere argumenten aangevoerd moeten worden.

Een van die andere argumenten is, dat iemand in deze constructie de "betekenis" heeft van een meewerkend voorwerp. Dat is een problematische bewering, aangezien het meewerkend voorwerp geen eigen betekenis heeft. Het is namelijk een syntactische term. Nu is het wel zo dat al die ontleedtermen, zoals onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp, hun eigen ezelsbruggetjes kennen waarmee je ze meestal snel kunt vinden, maar die ezelsbruggetjes zijn gebaseerd op betekeniscategorieën die alleen maar in de meeste gevallen overeenkomen met de syntactische ontleding. Die betekeniscategorieën zijn namelijk op hun beurt weer gebaseerd op de zogeheten "thematische rollen": het onderwerp is meestal de handelende persoon, het lijdend voorwerp meestal de ondergaande persoon en het meewerkend voorwerp meestal de ondervindende persoon. Maar meestal is niet altijd. En statistische waarschijnlijkheid is geen fatsoenlijke basis voor een discussie over een moeilijk geval. Gevallen zijn namelijk juist moeilijk omdat ze buiten de statistische waarschijnlijkheid vallen.

Dat die thematische rollen lang niet altijd goed overeenkomen met de syntactische ontleding leren een paar eenvoudige voorbeelden. Het onderwerp is meestal handelende persoon, maar nooit in passieve zinnen (de boeken worden gelezen), of bij bepaalde klassen van werkwoorden (die artikelen storen mij). Een ondervindende (of belanghebbende) persoon is meestal meewerkend voorwerp, maar lang niet altijd. Neem iemand belonen. Dat is toch belanghebbend persoon, niet? Maar toch echt geen meewerkend voorwerp. En iemand uitnodigen, wat voor persoon is dat? Dat is toch de persoon die de uitnodiging krijgt? Op grond van de thematische rol zou dat meewerkend voorwerp moeten zijn. Er is echter geen grammaticus die dat zal beweren. Nee, thematische rollen en grammaticale ontleding, dat is een erg ongelukkig huwelijk. In ieder geval is het onzin om op basis van een thematische rol te besluiten tot een benoeming als meewerkend voorwerp.

Verwant hiermee is de stelling dat verzoeken in iemand verzoeken om te reageren qua betekenis overeenkomt met vragen. En in iemand vragen om te reageren is iemand toch echt meewerkend voorwerp. Afgezien van het feit dat ik ook hieraan twijfel, slaat dit als argument al helemaal nergens op. Ja, zo kan ik het ook! Dan kan ik net zo makkelijk aanvoeren dat verzoeken hier eigenlijk uitnodigen betekent (iemand uitnodigen om te reageren) of bewegen (iemand ertoe bewegen om te reageren). Bij beide werkwoorden is iemand ondubbelzinnig lijdend voorwerp. Betekenisovereenkomst, ook al zo'n glibberig terrein. Ver vandaan blijven, zou ik zeggen.

Een tweede argument voor de benoeming van iemand in iemand verzoeken om te reageren als meewerkend voorwerp is de stelling dat om te reageren per se het lijdend voorwerp moet zijn. Iemand is dan het tweede voorwerp, en dat moet meewerkend voorwerp zijn.

Het goede aan dit argument is dat het puur syntactisch is. Er komen geen vage betekenisverhalen bij te pas, dus hier kunnen we over praten. Maar klopt het wel? Opmerkelijk is dat dat zogenaamde lijdend voorwerp bij verzoeken altijd een beknopte bijzin is (om te reageren). Zodra je probeert om daar een zelfstandignaamwoordgroep van te maken (een reactie) moet er een voorzetsel bij (iemand om een reactie verzoeken). Ja, je kunt er iets van maken, maar de status daarvan is onduidelijk. Waarom kan dan alleen het voornaamwoord? Waarom geen andere woordgroep met zelfstandig naamwoord?

Daar komt bij: wil je iemand als meewerkend voorwerp benoemen, dan moet je twee verschillende werkwoorden verzoeken aannemen, eentje met lijdend voorwerp iemand en voorzetselvoorwerp om een reactie, en eentje met meewerkend voorwerp iemand en lijdend voorwerp om te reageren. Ik zou zo zeggen: dáár zou je extra argumenten voor moeten hebben, niet voor de eenvoudiger aanname dat er maar één werkwoord verzoeken bestaat, met lijdend voorwerp en voorzetselvoorwerp met om. Dat bij een beknopte bijzin als voorzetselvoorwerp het voorzetsel kan wegblijven is ook het geval bij talloze andere werkwoorden. Daar zijn geen extra aannames voor nodig.

Het laatste argument is het meest interessant. Iemand in iemand verzoeken om te reageren is meewerkend voorwerp omdat je ook kunt zeggen aan iemand verzoeken om te reageren. Het is deze zin die ik in het gewraakte miniatuurtje als ongrammaticaal bestempelde. Ik zei daar, dat er geen tienjarig kind te vinden zou zijn dat dit aan er spontaan bij zou zetten. De vermeende grammaticaliteit van deze zin is volgens mij pas op latere leeftijd aangeleerd, alleen afgedwongen door de grammaticale analyse. Ze heeft absoluut geen voedingsbodem in de taal en wordt dan ook nauwelijks gebruikt. Kan ik dat aannemelijk maken? Ik denk het wel.

Ik ben helemaal geen voorstander van tellingen via Google op het internet. Het is een vervuild bestand, je weet niet wat je telt, hoe groot je corpus is, je kunt niet goed zoeken, je neemt allerlei ruis mee, kortom, het is een rommeltje. Alleen bij heel erg grote verschillen kun je er iets mee. Welnu, zoek eens op "wij verzoeken". Dat geeft 354.000 hits. Dat wil zeggen 354.000 pagina's waar deze frase ten minste één keer voorkomt. Hier vallen ook pagina's onder waar iets op staat als regelmatig krijgen wij verzoeken..., maar een snelle steekproef leert dat dit in minder dan 0,1% van de pagina's het geval is. Hoeveel van deze pagina's bevatten de frase "wij verzoeken aan"? Je zou niet verwachten de helft van de gevallen, maar toch wel een redelijk aantal, nietwaar? Het zijn er 32. Tweeëndertig! Wie enig gevoel heeft voor frequenties in Google weet dat dit een verwaarloosbaar aantal is. De meeste typefouten komen vaker voor (zoek maar eens op bertefd voor betreft: 38 pagina's). Kortom: verzoeken aan iemand om te reageren is glashard ongrammaticaal. Dat kunnen we de taalgemeenschap nog honderd jaar met onze verkeerde grammaticale ontleding door de strot proberen te duwen, maar niemand trapt daar blijkbaar in. De taal zelf verzet zich ertegen.

Daarmee is het pleit mijns inziens beslecht. Zoals het vroeger was, is het nu ook. Verzoeken heeft een lijdend voorwerp iemand en een voorzetselvoorwerp om iets. Dat voorzetselvoorwerp kan de vorm van een beknopte bijzin aannemen en dan blijft het voorlopige voorzetselvoorwerp erom achterwege. Er is geen enkele grond om iemand het meewerkend voorwerp te noemen. Toevoeging van aan komt nooit voor (alleen bij liefdeloze grammatici zonder taalgevoel), en levert dus een ongrammaticale zin op. O ja: en daarom is ons wordt verzocht te reageren dus ook fout. Niet lachen!

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]